Home

Populisme is een symptoom van de crisis, niet de aanjager

Liberale democratie We moeten de afbraak van de democratie niet te lijf gaan met een verdediging van de oude orde, maar met een hoopvol verhaal van democratisering, stelt Mark Lievisse Adriaanse.

Heeft de democratie nog toekomst? Kan een systeem waarin mensen zichzelf besturen overleven in tijden van oprukkend autoritarisme en van algoritmes en AI die, in ieder geval volgens de techbaronnen die ze ontwikkelen, de potentie hebben ons dagelijks leven volledig te gaan domineren?

Overal om ons heen horen we de waarschuwingen voor het ruwe populisme, dat de democratie hard aanvalt. En we zien hoe autoritair-populisten als Trump, Orbán en Wilders, elk op hun eigen manier, de democratie inderdaad aan het wankelen brengen. Maar toch: als ik denkers en politici de afgelopen pakweg tien jaar, zo sinds Brexit en de eerste verkiezing van Trump, ‘de liberale democratie’ tegen ‘het populisme’ hoor plaatsen, waarbij die eerste wordt aangevallen door dat laatste, bekruipt me een onbevredigend gevoel. Onbevredigend, omdat het veronderstelt dat de liberale democratie goed functioneerde tot de populisten op het toneel verschenen en het feestje verstierden. En omdat het een weg terug voorstelt, mits we de populisten maar ‘verslaan’. Alsof de democratie dan wél goed werkt.

Mark Lievisse Adriaanse is redacteur van NRC. Recent verscheen zijn boek Wat iedereen aangaat. Hoe de democratie wordt afgebroken en hoe we haar vernieuwen.

Maar die weg terug is onmogelijk, en onwenselijk. De crisis van de democratie was namelijk allang gaande voordat Trump werd verkozen – en zal niet opgelost worden door simpelweg dat populisme te bestrijden. Om die crisis te keren, is veel meer nodig: een nieuw democratisch verhaal, dat de macht en zeggenschap van burgers over politiek, economie en maatschappij radicaal vergroot.

Ultrarijken

Democratie kan vele vormen aannemen, van kleinschalige overleggen in stammen tot de moderne, parlementaire democratieën waarin burgers op afstand van het bestuur staan, maar die komt in essentie neer op twee kenmerken: er is een conflict over de vraag hoe een samenleving eruit moet zien, en er is macht om zo’n visie van een goede samenleving in de praktijk te brengen. Allebei zijn ze de afgelopen decennia fundamenteel verzwakt.

Macht verschoof in verregaande mate van democratische staten naar verschillende vormen van kapitaal: naar financiële markten en instellingen, grote bedrijven en ultrarijke individuen. Privatiseringen verplaatsten zeggenschap over wat eens publiek was van de staat naar de markt, in veel gevallen met desastreuze gevolgen voor de dienstverlening aan burgers – maar de schade van die privatiseringen was vervolgens moeilijk te repareren, want politici ‘gingen er niet meer over’.

Ondertussen werd kapitaal toegestaan om sneller en vrijer over de wereld te gaan stromen. Dat maakte zulk kapitaal nog machtiger, en maakte het nog moeilijker voor democratieën om er grip op te krijgen. Financiële markten ontploften in omvang, waarmee ze democratieën hun wil konden gaan opleggen: wanneer een besluit hun niet zint, kunnen ze met een vernietigende snelheid kapitaal onttrekken uit een nationale economie en daarmee een democratie disciplineren. Grootbedrijven werd daarnaast toegestaan om reusachtige proporties aan te nemen, doordat de hand van de wet (bijvoorbeeld in het mededingingsrecht) een andere kant op ging wijzen. Grote techbedrijven zijn dan ook geen natuurkracht die ontstond door de genialiteit en ondernemerszin van een paar slimme techbro’s; ze konden groot, te groot worden omdat politici en de wet dat toestonden.

En hoewel de wet gelijke inspraak van allen garandeert, toont veel onderzoek dat de stemmen van de allerrijksten en van grootbedrijven vrijwel altijd luider klinken dan die van gewone burgers. Dat is niet alleen in de Verenigde Staten zo, waar Elon Musk slechts zichtbaar maakte wat al jaren gaande was. Ook in veel ogenschijnlijk egalitaire Europese landen, waaronder Nederland, is de invloed van welgestelden op beleid (veel) groter dan die van de rest. De meeste westerse burgers hebben een verwaarloosbare zeggenschap over hun samenleving, economie en democratie.

Omslaan van de seizoenen

Ondertussen werd ook het conflict uit de politiek gezogen. Politieke partijen, traditioneel de brug tussen kiezers en gekozenen die conflicten organiseren, liepen leeg. Ze verloren hun maatschappelijke worteling, terwijl de representatieve democratie nog wel rondom hen is gebouwd. En discussiëren over globalisering, zei Tony Blair als Brits premier eens, was even zinvol als discussiëren over het omslaan van de seizoenen. Natúúrlijk volgt de lente op de winter. Natúúrlijk was neoliberale globalisering een soort onstopbare natuurkracht. Politieke partijen van links naar rechts droegen die ordening – van privatiseringen, vrijhandel en vermarkting van de samenleving – op handen, waardoor wezenlijke verschillen tussen hen verflauwden – er ontstond een ‘postdemocratie’. Iedereen was, zoals Frits Bolkestein in de jaren negentig eens opmerkte over zijn politieke ‘tegenstanders’, neoliberaal geworden. Het was ook in die jaren dat de Franse schrijfster Annie Ernaux noteerde dat „het gerucht gaat dat de politiek dood is”.

Inmiddels is die weer tot leven gewekt – en hoe. Was het heel verwonderlijk dat kiezers, wier banen verdwenen door vrijhandel, wier lonen stagneerden en wier grip op de wereld om hen heen wegebde, concludeerden dat het systeem niet werkt, dat alleen het opblazen ervan nog een uitweg is, en dat ze hun heil zoeken bij politici die precies dat beloven? We moeten populisme dan ook begrijpen als een reactie op die uitholling van de democratie. Populisten floreren mede doordat ze de eensgezindheid van de gevestigde politiek doorbraken (een eensgezindheid die er maatschappelijk gezien als het bijvoorbeeld gaat om vrijhandel en ongelijkheid al ruim twintig jaar niet is), en doordat ze onvrede over de onmacht van de uitgeholde democratie mobiliseren. Maar autoritair-populisten lossen die onmacht niet op; ze verergeren haar verder, met dramatische gevolgen. Dat maakt populisme eerder een symptoom van de crisis dan aanjager.

De breuk die we nu in onze politiek-economische ordening zien, ontstond dan ook niet zomaar. De economische crisis van 2008, die het falen van overheden toonde in het beschermen van hun bevolkingen tegen de grillen van de financiële markten, was de bliksemflits. De verkiezing van Trump in 2016 was de donderslag. En zijn herverkiezing in 2024 was de inslag: de oude politiek van neoliberale globalisering en postdemocratie is gebroken, en zal niet meer herstellen.

‘Vulgair’ en ‘incompetent’

We kunnen daarom niet terug naar de tijd vóór Trump. Het is dan ook gevaarlijk dat het gevecht om de toekomst van de democratie momenteel vooral gevoerd wordt door twee bewegingen die elk een terugkeer beloven: het autoritair-populisme van de glorieuze, krachtige natie, en technocratisch-liberalisme van de rustige, apolitieke, neoliberale jaren negentig en nul. Zulk liberalisme is de politiek die we sinds de opkomst van populisten veelal vanuit gevestigde partijen, politici en denkers voorgeschoteld krijgen. Tegenover de ‘vulgaire’ en ‘incompetente’ populisten plaatst het politici die competentie, expertise en stijl moeten uitstralen. Zij baseren zich op „rede, expertise en de lessen van de geschiedenis”, zoals een columnist van het blad Foreign Policy eens schreef: de elites, bepleitte hij, moesten in opstand komen tegen ‘de onwetende massa’. Ze spelen het spel volgens de regels, gebruiken de slimste campagnetechnieken en claimen een soort verheven positie.

Het is een liberalisme dat ‘de liberale democratie’ tegenover ‘het populisme’ plaatst, alsof ze in een existentieel gevecht zijn beland, waarbij de een op niets anders uit is dan de vernietiging van de ander; waarin hét populisme dé liberale democratie bedreigt, met mogelijk catastrofale gevolgen. Populisten slecht, liberale democraten goed.

Dat klinkt sympathiek, maar die tegenstelling ondermijnt de democratie verder. Technocratisch-liberalisme, laten we zeggen de politiek van mensen als Kamala Harris, Justin Trudeau, Keir Starmer en Emmanuel Macron, miskent hoe ‘de liberale democratie’ is gekaapt door het kapitaal en voor te veel mensen niet meer werkt, hoe democratieën hun macht verloren en burgers buitenspel kwamen te staan.

Hoe desastreus zulk liberalisme is, was zichtbaar tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van vorig jaar. Tegenover de populistische onrust van Trump, die vrij duidelijk maakte dat hij het systeem wilde gaan opblazen, gokten de Democraten dat Amerikanen zouden kiezen voor het ‘normale’ establishment dat de VS decennia had geregeerd. Gematigde Democraten en Republikeinen verschenen daarom samen op campagnepodia. Die gok pakte dramatisch uit. Amerikanen wilden geen terugkeer naar oude politiek: opinieonderzoek na opinieonderzoek wees erop dat een meerderheid snakte naar grote veranderingen in het politieke en economische systeem. De verkiezingsuitslag was ernaar.

De toekomst van de democratie laten bepalen door een gevecht tussen technocratisch-liberalisme enerzijds en autoritair-populisme anderzijds, zal vrees ik dan ook tot een verdere erosie van de democratie leiden. Geen van beide pakt immers de diepere uitholling van democratische macht echt aan: autoritair-populisten niet omdat het ze daar niet om gaat, technocratisch-liberalen niet omdat ze die systeemcrisis veelal niet (willen) zien. Democraten voeren daarmee vooral een defensief gevecht, als een verdediging van en verlangen naar een ancien régime. Maar als de democratie ons lief is, zullen we in de aanval moeten.

Want waarom zouden we die verdere afbraak van de democratie eigenlijk nog accepteren? We moeten de huidige crisis niet te lijf gaan met een verdediging van de oude orde, maar met een hoopvol verhaal van democratisering. Zo’n vernieuwing gaat verder dan ‘slechts’ wat institutionele fixes als een nieuw kiesstelsel of een burgerberaad. Die institutionele blik op democratische vernieuwing miskent namelijk dat de uitdaging van de democratie grotendeels van buiten die democratie komt, zoals van grote bedrijven en ander kapitaal. Versterking van de democratie – als een systeem dat niet slechts politiek is, maar een alomvattende manier waarop mensen hun samenlevingen besturen – vraagt daarom onder meer om een democratisering van de economie. Het is een mogelijkheid die de afgelopen decennia volledig uit ons politiek denken verdwijnen lijkt te zijn.

Democratische ruimtes

In mijn boek Wat iedereen aangaat verken ik hoe zo’n democratie eruit kan zien: van hervormingen die de vernietigende snelheid waarmee kapitaal democratieën kan uitdagen afremmen (zoals belastingen op flitskapitaal), tot kleine en grote veranderingen in hoe economische macht is verdeeld. Bijvoorbeeld door coöperaties op te richten, bedrijven te laten besturen met gelijke zeggenschap van kapitaal en arbeid, of het eigenaarschap neer te leggen bij ‘stewards’ die de maatschappelijke missie van een bedrijf bewaken. Ook zouden grote techbedrijven niet alleen opgeknipt kunnen worden in kleinschalige diensten, maar ook eigendom kunnen worden van hun gebruikers. Daardoor ontstaan digitale gemeenschappen die democratisch bestuurd kunnen worden.

Zo zijn er nog veel meer democratiseringen denkbaar, van politiek, economie en maatschappij. Daarmee ontstaan wat ik ‘democratische ruimtes’ noem, plekken waar democratie door mensen zélf wordt georganiseerd en gevormd, zonder directe betrokkenheid van overheden en markten. Daarmee verbreedt de democratische macht van burgers zich van slechts de stembus naar continue directe zeggenschap over hun omgeving. Al die kleine democratiseringen vormen samen een grote ommezwaai: macht verschuift naar mensen zelf.

Zo’n democratie is ver weg. Maar democratie kan meer dan we denken, en kan ook veel meer betekenen dan de beperkte vorm die we in westerse liberale democratieën geaccepteerd hebben. Juist een tijd waarin het hele fundament wankelt biedt de kans om onze horizon te verbreden over wat democratie is en kan zijn. Eenvoudig zal zo’n democratisering niet zijn. Maar niet eens proberen de democratie te vernieuwen betekent dat we de nederlaag al accepteren. Het kruispunt waarop onze democratieën zich bevinden is namelijk helder. Ze moeten zich óf radicaal durven te vernieuwen. Of ze zullen, gestaag of snel, afsterven.

Serie Schud de democratie op

Democratische instituties liggen onder vuur, vertrouwen in politici is historisch laag. Op welke manieren kan de democratie weer floreren? Het bruist in Nederland van ideeën over hoe het wél kan.

Burgerparlement: Tijd voor een Derde KamerDenkers en doeners: Ideeën voor een florerende democratieLiberale democratie: Populisme is een symptoom van de crisis, niet de aanjagerNatuur: We moeten leren luisteren naar de natuurVeerkracht: Laat de middenpartijen ons weerbaar makenSocioloog: ‘Zonder zorgzaamheid is er geen samenleving’Vergezichten: Puur pragmatische politiek is een illusie

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Amerika

Wat kunnen we verwachten van weer vier jaar Trump?

Source: NRC

Previous

Next