Ik was op een borrel van een ex-collega. Ze heeft een corporaal verleden, dus waren er heel veel vrienden, allemaal corporate, uit die tijd aanwezig. Mijn indruk is dat je – eenmaal in die wereld – eigenlijk nooit meer van die lui af komt, zelfs niet als je op een ledenborrel je broek naar beneden trekt, met je kontje zwaait en „ik ben een piepklein duifje” begint te krijten. „Typisch Annelou”, zullen ze tegen elkaar zeggen en er zal een vertegenwoordiger vooruitgeschoven worden om je op te zoeken in de ggz-instelling waar je in de periode daarna verblijft. Eenmaal teruggekeerd in de wereld word je door je clubgenoten liefkozend „gekkie” genoemd, en worden je trillende handen tijdens het reüniediner genegeerd. Ze lopen met je mee tot aan de dood, of je nou wil of niet.
Daar valt heus wel iets voor te zeggen, voornamelijk dat een corpslid een bang groepsdier is dat liefst als een robotstofzuiger in kleine kringetjes ronddart, of tevreden stationair in een hoek zit te brommen, maar denkt dat hij door zijn levenskeuze een leeuw aan de top van de voedselpiramide is.
Aan de andere kant: linkse lieden zijn onderling natuurlijk ook verschrikkelijk tribaal – en regelmatig net zo doodsaai – maar rollen elkaar helaas met plezier in een tapijt als ze daar de kans voor krijgen.
Maar dan de manier waarop corpsleden met buitenstaanders omgaan. Ik stond bij de borrel aan de bar toen een clubvriendin van mijn collega, inmiddels werkzaam als investment banker, een praatje aanknoopte. „Jij schrijft toch voor NRC?” vroeg ze. „Lijkt me wel pittig, zo, de hele tijd die… (ze leek een beetje te kokhalzen) …creativiteit.”
Haar mond bleef lachen, maar met kille ogen monsterde ze me, alsof ze eigenlijk verwachtte dat ik met mijn graaivingertjes iets vies met kurk zou gaan doen.
In het daaropvolgende gesprek bleef ze even beleefd als impertinent. Het ging over geld, koophuizen, deze ingewikkelde tijd, contracten, maar ieder onderwerp werd ingestoken alsof ze met een buitenaards wezen stond te praten: eentje die niets van de realiteit begreep en haar tijd ongetwijfeld vulde met viezig hedonisme.
Ik ging van de weeromstuit proberen haar ervan te overtuigen dat mijn werk toch echt iets anders behelst dan vrij kleien of vozen met de acteurs van Dertigers.
Ze zei dat ze nog wel een vriendje op kantoor had die ook graag schreef en of hij niet eens koffie met me kon drinken. Ik zei: „Stuur maar langs, maar ik krijg veel van dat soort verzoeken, dus het kan even duren!” Ze bood me haar hulp aan „als ik er niet uitkwam met de kleine lettertjes” en ik zei dat ik daar een agent voor had.
Ze vroeg me of ik straks de trein naar huis zou nemen, want zij kon natuurlijk ook een taxi voor me bestellen zodat ik nog even kon blijven hangen, echt geen moeite. Ik zei dat me dat heel leuk leek, maar dat ik morgen „ergens moest spreken”. We namen hartelijk afscheid, zij terug naar haar eeuwige vriendinnen, ik naar buiten, zodat ik de trein nog kon halen.
Op de weg terug fantaseerde ik dat ik haar, afgemeten, op haar blinde vlek met betrekking tot andere levens zou wijzen en op haar luie gebrek aan interesse in alles wat ons bestaan moeilijk en mooi maakt. Alles wat we ook terugvinden in ons dagelijks bestuur van glimlachende ploerten die tussen hun tanden door „kutwijf” sissen naar een collega die niet gezellig meedoet.
Maar ja. Mijn overlevingsinstinct voelt dat we nog wel een poosje aan deze mensen overgeleverd zijn, zij niet aan ons. En zij houden stevig vast. Aan elkaar, en aan de macht.
Sarah Sluimer schrijft elke week een column. Ze is de auteur van boeken, essays en toneelstukken.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC