Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam ging vorige jaar tijdelijk open tijdens de renovatie, waar stichting Droom en Daad 80 miljoen euro aan bijdraagt. Foto Robin Utrecht
In de inleiding van een onderzoeksstuk over de filantropische stichting Droom en Daad, die in Rotterdam geld uitgeeft aan cultuur, schreef NRC (12/7): „Met het particuliere miljoenenfonds hebben Van der Vorm en Pijbes in Rotterdam als venture philanthropists een intransparant monopolie verworven , met – zo zal blijken – ook nadelige maatschappelijke gevolgen”.
Theo Schuyt is hoogleraar filantropie aan de VU Amsterdam.
De gemeente Rotterdam geeft jaarlijks 92 miljoen uit aan cultuur, en dan zijn de bijdragen van de filantropische Stichting Droom en Daad in 2023 van bijna 50 miljoen en in 2024 van ruim 26 miljoen zeer welkom. En er zijn in Rotterdam wel meer filantropische fondsen, zoals het bekende Volkskracht, het Laurensfonds of het Elise Mathilde fonds.
Dit artikel komt als geroepen. Het brengt haarscherp de gezichtspunten van de verschillende betrokkenen in kaart; van het college van B&W, van hoge ambtenaren, raadsleden, begunstigde culturele instellingen, gepasseerde culturele initiatieven en deskundigen. De positieve reactie van gemeentezijde is heel goed te begrijpen, maar hetzelfde geldt voor de reactie van de kritische raadsleden. De kritische geluiden betreffen het gebrek aan openheid en voorkeursbehandeling bij de verkoop van gemeentelijk onroerend goed.
Daarmee brengt het artikel een discussie op gang die nodig gevoerd moet worden, over hoe de gemeente Rotterdam – en alle gemeenten in Nederland – met maatschappelijk initiatief omgaan. Wat zijn inderdaad de voordelen, maar ook; wat zijn de valkuilen? Dit thema moet op alle overheidsagenda’s, en zeker op de gemeentelijke. Want gemeenten zien het zogeheten ravijnjaar op zich afkomen en er dienen zich bezuinigingen aan – ongeacht de uitkomst van de landelijke verkiezingen. Deze Rotterdamse casus is bij uitstek geschikt om van te leren.
Te beginnen met de beeldvorming. Met in NRC termen als „het grote geld” en „het vastgoedimperium” wordt de toon gezet. In het artikel staat hierover: „Luxemburg is een van de landen waar de familie Van der Vorm al decennia de in Nederland vergaarde miljoenenwinsten buiten het zicht van de Belastingdienst onderbrengt in brievenbusfirma’s.” Maar dat is niet de Stichting Droom en Daad. Dat is een ANBI, een Algemeen Nut Beogende Instelling. Als ANBI wordt de Stichting gecontroleerd en daarnaast heeft de Belastingdienst een aparte afdeling „zeer vermogende particulieren” waar deze groep speciaal wordt gevolgd, met name ook wanneer zij filantropische doelen opzetten en/of financieren. Laat Nederland blij zijn met vermogenden die terug willen geven.
Overigens staan de vermogenden altijd in de schijnwerpers, terwijl in Nederland het de gewone huishoudens zijn die geven, zoals blijkt uit het onderzoek Geven in Nederland: rond de twee miljard jaarlijks. Hetzelfde bedrag doen bedrijven. Ook fondsen geven honderden miljoenen. Nalatenschappen zijn booming. De goededoelenloterijen geven jaarlijks circa een half miljard steun aan vele maatschappelijke initiatieven en instellingen. Met de zes miljoen vrijwilligers erbij gerekend mag Nederland zich een maatschappelijk betrokken land noemen. Filantropie, maatschappelijk initiatief is een belangrijke pijler van onze maatschappij.
Dat vond een van de vorige kabinetten ook. In 2011 werd het convenant Ruimte voor Geven tussen het kabinet en de sector filantropie gesloten. De overweging was dat zowel overheid als de filantropische sector het publieke belang dienen, en omdat de filantropische sector steeds professioneler is geworden, zijn „de noodzaak en kansen toegenomen om als partners inzake het publieke belang op te trekken”.
De casus Rotterdam leert allereerst dat er meer dan ooit behoefte is aan een geactualiseerde beleidsvisie van de Rijksoverheid op hoe overheden zich tot filantropie c.q. maatschappelijk initiatief verhouden. Dit voorkomt dat wethouders, burgemeesters en ambtenaren niet of ontwijkend op vragen hoeven te antwoorden. Hetzelfde geldt voor filantropen of voor vertegenwoordigers van filantropische fondsen, zoals in dit geval Wim Pijbes.
In het NRC-artikel klonk kritiek over gebrek aan openheid rond Droom en Daad, en voorkeursbehandeling. Hoe kunnen deze problemen worden voorkomen, of verkleind? Fondsen en het georganiseerde maatschappelijk initiatief opereren wezenlijk anders dan gemeentebesturen, die verantwoording afleggen aan de raad. Fondsen hebben vrij besteedbaar geld, kunnen snel acteren en hoeven aan niemand verantwoording af te leggen zolang ze binnen de wet blijven. Bij ANBI’s, zoals Droom en Daad hebben zij de plicht het algemeen belang te dienen, zich via een website bekend te maken en de afspraak met de Belastingdienst na te komen een redelijk deel van het vermogen uit te keren.
Overheids- en filantropische organisaties komen elkaar steeds vaker tegen. Ze verschillen echter met betrekking tot waarden, methoden en draagvlak. Hier kan een ‘publiek contract’ of convenant een middel zijn om barrières weg te nemen. Beide partijen kunnen elkaar beloven een open houding aan te nemen bij het nastreven van publieke doelen en elkaars onafhankelijkheid te aanvaarden op basis van wederzijds respect en eerlijkheid. Zulke overeenkomsten leveren niet alleen voordelen op voor beide partijen, maar helpen ook om overregulering en bureaucratie te voorkomen.
Contracten brengen nieuwe dynamiek in relaties en openen deuren naar frisse ideeën en innovatie. Daarnaast is een contract flexibel, heeft het een bepaalde geldigheidsduur, roept het extra focus en energie op en biedt het bovenal legitimiteit aan de betrokken partijen. Transparantie en verantwoordingsplicht zijn kernelementen bij publieke contracten.
Tot slot terug naar het gevaar van „philanthrocapitalism” en „venture philanthropy” waar ook in het NRC-artikel voor wordt gewaarschuwd. De Nederlandse filantropie is geen kopie van die uit de Verenigde Staten. Integendeel. Hier zijn de gewone burgers en huishoudens de grote gevers. Wat betreft „venture philanthropy” kan gekeken worden naar Brussel, naar de Europese Commissie, die in de periode 2008 – 2018 onderzoek liet uitvoeren naar de rol van fondsenwerving voor universiteiten en de bijdragen van foundations ter versterking van de Europese kenniseconomie. Het rapport dat daaruit voortkwam, Driving progress for Research and Innovation in Europe (2018) werd samengesteld door de expert Group Foundations, Venture Philanthropy and Social Investments. Dat ‘venture’ wil zeggen dat beleggers ten behoeve van het algemeen belang genoegen nemen met minder rendement en zelfs het risico nemen van zero-rendement. Veel kansrijke innovaties – wetenschappelijk, economisch, cultureel of maatschappelijk – hebben wel startfinanciering, maar zitten te springen om dergelijke ventures om de valley of death (ze komen nooit tot uitvoering) te voorkomen. De Stichting Droom en Daad mag deze venture titel met ere dragen.
Het laatste nieuws en de beste stukken over de mooiste havenstad die er is
Source: NRC