Home

Jonathan Coe heeft veel lol gehad tijdens het schrijven van zijn hopeloze polemiek tegen de bevoorrechte klasse

Jonathan Coe In zijn vijftiende roman laat deze gevierde Britse schrijver zijn fantasie los op de huidige politieke situatie in zijn land. Grappen en grollen zijn er in overvloed. Maar dan wel te veel.

Wie de afgelopen jaren in een Britse trein heeft gereisd herinnert zich wellicht het antimisdaad-riedeltje dat tegenwoordig elke paar minuten omgeroepen wordt: ‘See it. Say it. Sorted.’ In Jonathan Coe’s Het bewijs van mijn onschuld onderbreekt deze irritante mantra niet alleen de gedachten van elk personage dat het OV gebruikt, het wordt een van de manieren waarop Coe zijn boek structuur probeert te geven. De drie delen waaruit de roman bestaat heten: ‘Gezien’, ‘Gezegd’, ‘Gefikst’, en inderdaad, aan het eind ziet het ernaar uit dat de moord waar alles om draait is opgelost, gefikst. Het is leuk gevonden, zoals veel in het boek leuk gevonden is – we hebben hier duidelijk te maken met een schrijver die erg veel lol heeft gehad tijdens het schrijven. Iets te veel lol misschien, want alle grapjes, woordspelingen, dubbelzinnigheden en slimme metaspelletjes beginnen op den duur te vervelen en gaan ten koste van een waarachtig, invoelbaar verhaal.

Coe staat bekend om zijn satirische ‘state of the nation’-boeken. Zijn grote doorbraak, What A Carve Up! (1994), was een cynische anti-Thatcher vertelling, Middle England (2018) ging over de Brexit, en ook in Het bewijs van mijn onschuld, Coe’s vijftiende roman, is de politieke situatie van het Verenigd Koninkrijk de motor die Coe’s verbeelding in gang zet.

Het verhaal speelt zich af tijdens de ambtsperiode van Liz Truss, met 49 dagen de kortst zittende Britse premier ooit. Tegen deze achtergrond maken we kennis met Phyl, een net afgestudeerde, smartphone-verslaafde, Friends bingende gen Z’er. Ze werkt op een nulurencontract bij een deprimerende sushiketen, woont weer bij haar ouders en verveelt zich. Als Phyl in de etalage van een boekwinkel een uitstalling met ‘cosy crime’ boeken ziet, van die knusse moordverhalen waarin het niemand kan schelen dat er iemand gewelddadig naar de andere wereld is geholpen, besluit ze ook zoiets te schrijven „en snel wat poen te verdienen”. Want, denkt ze, „hoe moeilijk kon het zijn?”

Het lot is haar welgezind: nauwelijks heeft Phyl deze gedachte geformuleerd of een oude studievriend van haar moeder wordt vermoord. Deze man was een linkse blogger die bijhield hoe de Britse conservatieven steeds verder naar rechts opschuiven en stond op het punt een rechts-extremistische samenzwering te onthullen.

Wat volgt is een wild relaas in verschillende literaire stijlen dat nooit echt tot leven komt. De dialogen zijn houterig, personages praten allemaal precies hetzelfde – jong en oud, snob of niet, allemaal zeggen ze dingen als „fokking” en „effe” (misschien ook een defect van de vertaling, maar daar zal het zeker niet alleen aan liggen) – waardoor niemand een eigen stem krijgt. Het plot hangt van toevalligheden aan elkaar en overtuigt niet.

De Engelse titel luidt The Proof of My Innocence, waarbij ‘proof’ niet alleen ‘bewijs’ betekent, maar ook verwijst naar de drukproef van My Innocence, een roman geschreven door een obscure rechtse schrijver. Deze proef gaat een centrale rol in het mysterie spelen, maar omdat u ondanks deze recensie misschien toch het boek zal willen lezen zal ik hier niet verklappen hoe, want als je al weet hoe het eindigt is er echt helemaal niks meer aan.

Als Het bewijs van mijn onschuld een polemiek is – tegen het hebberige vrijemarktdenken van de rijken en bevoorrechten, tegen de genadeloze kapitalistische machine die rücksichtslos burgers tot meel maalt – dan is het een polemiek zonder hoop. „The best lack all conviction”, dicht William Butler Yeats in ‘The Second Coming’, „while the worst are full of passionate intensity”. Zo is het hier ook: de verdorven conservatieven smeden likkebaardend hun snode rechtse plannen terwijl de progressieven nauwelijks de energie hebben om behoorlijk te wanhopen. In de meedogenloze survival of the fittest-wereld waarin Phyl volwassen wordt is geen ruimte voor haar, klaagt ze: „Alles wat mij tot mij maakt is daar ongeschikt voor. Mijn passiviteit. Mijn idealisme. Mijn onschuld.” In haar ouders zit al niet veel meer pit. „Premiers komen en gaan”, luidt de onverschillige reactie van haar vader op het vooruitzicht van Truss als leider. Links is zwak, fatalistisch. De lui op rechts zijn karikaturaal slecht, hebben nog net geen gekloven hoefjes. („De armsten onder ons’, zegt iemand onbewogen, ‘zijn niet voor niks arm… EIGEN… SCHULD… DIKKE… BULT’”). Hun stemmen klinken „ijzig”; als ze lachen is dat met „een holle, gemaakte lach” – hierbij moest ik denken aan Draco Malfoy uit Harry Potter, ook zo’n onsubtiele slechterik. In een kinderboek is zoiets leuk; in een politieke roman verwacht je wat meer nuance.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next