Home

Tini (85) belt met Rita (87) en Rita met Wilja (82) want straks is één van hen gevallen en is hulp nodig, vlug

Veiligheid Schrikbeeld van alleenwonende, kwetsbare ouderen: binnenshuis vallen en niet meer kunnen opkrabbelen – dan kan het lelijk met je aflopen. Een aantal ouderen in Mijdrecht belt elkaar om die reden elke ochtend. Een klassieke telefooncirkel. „Goedemorgen! Alles oké bij jou?”

Tweede beller Rita.

Ja, ze zag het voorbijkomen op tv vorige week, de vondst door de politie van een persoon in Zuid-Holland die tijden dood thuis lag. Het lichaam was inmiddels, zo meldde de politie, een „compleet skelet”. Vreselijk dit soort verhalen, zegt Tini (85) uit Mijdrecht, en je hoort ze nog best vaak ook, al is deze vondst wel héél extreem – daar is nou weer niet bang voor. Maar inderdaad, ze woont wel alleen, haar partner overleed in 2017, ze heeft geen kinderen en voelt zich kwetsbaarder na een val in 2023 „tussen de schuifdeuren van de Albert Heijn”. Gevolg: twee ingezakte rugwervels en veel pijn. En sinds kort loopt ze met een rollator. Wat nou als ze thuis ten val komt? Haar wenteltrap is steil en de buren hebben drukke, werkende levens en trouwens, met de warmte heeft ze vaak de gordijnen dicht. Ja, ze heeft een vriendin die een paar straten verderop woont, die komt elke zondagmiddag op de thee, maar ze kan natuurlijk ook vallen als die vriendin op vakantie is.

Kortom, ze is „heel blij” dat ze sinds twee maanden in een ‘telefooncirkel’ zit met andere ouderen uit Mijdrecht en omgeving. A belt met B en B met C en zo verder tot de cirkel rond is en gecheckt is dat het met iedereen goed gaat. En dat elke ochtend. Neemt iemand niet op, dan wordt een van diens ‘sleutelpersonen’ gebeld: iemand die dichtbij woont en in het bezit is van de huissleutel en meteen poolshoogte kan nemen.

Van de Kop van Noord-Holland tot Pijnacker-Nootdorp en van Emmen tot de Heuvelrug: overal in Nederland zijn er zulke cirkels van elkaar telefonerende ouderen, al dan niet opgestart door hulporganisaties als het Rode Kruis en Humanitas. Het totale aantal is echter moeilijk te preciseren: cirkels kunnen net zo goed geïnitieerd zijn door vriendengroepen of goede kennissen.

Tini (85) is de eerste beller want Frank (79) ligt eruit met een staaroperatie. Tini belt met Rita.

Rita (87), oud-docent Frans, woont alleen in haar huis uit 1978, tevens het jaar dat ze erin trok. Tini (85) belt Rita en Rita belt Wilja (82).

Wilja (82) zit al jaren bij deze telefooncirkel en als ze belt zit ze op haar „stekkie” op de beige bank. Zij belt met Thea (85).

Thea (85) is het langstzittende lid van de cirkel die ze zag groeien en krimpen, soms doordat iemand overleed. Thea belt met Tini en de cirkel is rond.

Tini kwam bij de cirkel via Rita (87), ze kennen elkaar van een plaatselijk vrouwennetwerk. Nu spreken ze elkaar elke ochtend want na Tini komt Rita. NRC luisterde mee tijdens hun telefoongesprek en ging daarna ook langs bij de andere leden van de cirkel. Een bescheiden groepje is het: na een aantal overlijdensgevallen en verhuizingen naar verpleeghuizen zijn er sinds de lente nog maar vijf leden over. Zó weinig, dat het legertje vrijwilligers dat de cirkel aanstuurde onder de hoede van een plaatselijke zorgorganisatie, zich terugtrok. Waarna het overgebleven groepje besloot gewoon door te gaan met bellen en de vrijwilligerstaken op zich te nemen: ze starten en sluiten de telefooncirkel nu zelf en bellen met een sleutelpersoon van degene die niet opneemt.

Deze week zijn ze zelfs maar met z’n vieren want Frank (79) ligt er een paar dagen uit na een staaroperatie. Hij is de enige man en de jongste van het stel. Alle vijf hopen ze, net als zovele ouderen in Nederland, zo lang mogelijk zelfstandig thuis te blijven wonen. Maar dan graag wel zonder dagenlang met een gebroken heup of been uitgestrekt op de vloer te liggen. Hun achternamen zijn bij de redactie bekend maar blijven achterwege: gezien hun vaste telefoons zouden hun adressen dan traceerbaar zijn.

De afgesproken tijd

Bij afwezigheid van Frank start Tini deze ochtend de cirkel op. Dat deed ze niet eerder. Ze wil de afgesproken opstarttijd van 08:15 niet missen, zit een half uur tevoren klaar aan de kleine eettafel in haar doorzonwoning en doodt de tijd met een puzzel uit een boekje. Om 08:13 vindt ze het welletjes.

„Goedemorgen. Tíni?”, klinkt het wat onzeker aan de andere kant van de lijn.

„Ja goedemorgen Rita, daar ben ik hè. Iets eerder dan normaal, paar minuutjes eerder denk ik hè?”

„Ja is dat zo? Dat heb ik niet gemerkt.”

„Ja vandaag ben ik….” zegt Tini, „Frank is uitgeschakeld hè?”

„O ja op die manier. Alles oké?”

„Ja met jou ook?”

„Jajajaja”.

Ze wisselen wat feiten uit over hun vrouwenclub („de 25ste is de algemene vergadering, daar ga ik naartoe”) en dan is het gesprek gauw klaar.

Vanaf het hoofd van haar eettafel kijkt Rita uit op de trap die haar huiskamer in draait. Ze noemt de trap „eng”, er zit een knik op het eind waarlangs ze een extra leuning liet monteren. Rita, oud-docent Frans, Zeeuwse wortels, woont alleen in dit huis uit 1978, het jaar dat ze erin trok. Haar partner uit een latrelatie overleed vier jaar geleden. Kinderen heeft ze niet en haar dichtstbijzijnde zus woont in Apeldoorn. Een vriendin uit Amstelveen zat in een telefooncirkel, zo kwam Rita op het idee en sloot ze zich aan bij eentje in haar gemeente. „Het geeft een veilig gevoel”, zegt ze. „En je bent minder afhankelijk van mantelzorgers of buren.”

Onder een drinkglas in haar keuken heeft ze een wit velletje geschoven waarop ze met zwarte stift groot de naam heeft genoteerd van degene die zij moet bellen: ‘Wilja.’ Zelf nam Rita één ochtend de telefoon niet op, een zondag was het, „ik was het vergeten of ik had het niet gehoord ofzo”. Haar sleutelpersonen werden opgebeld – buren rechts, buurvrouw links, een vriendin verderop. Niemand nam op. De coördinatrice, die was er toen nog, stond op het punt de politie te bellen, maar toen gaf Rita een teken van leven.

De telefoon gaat twee keer over, dan is er contact.

„Goedemorgen, Rita!” Wilja’s stem klinkt rokerig.

„Goedemorgen Wilja. Alles oké bij jou?”

„Ja hoor, alles is hier oké”.

Wilja (82) zit op haar „stekkie” op de beige bank tegenover de tv die ze aanzet zodra ze ’s ochtends de woonkamer inloopt, „anders is het zo stil.” Het geluidsbehang wordt verder opgeluisterd door twee vogeltjes in een kooi naast het raam. „Agapornissen”, zegt Wilja. „Dwergpapegaaien. Ik laat ze elke dag losvliegen. Maar het zijn twee boeven want de eerste twee uur gaan ze niet terug de kooi in.”

Ze zit in de cirkel sinds 2019. Ze woonde toen net in Mijdrecht na een paar jaar in Zeeland en een leven in Utrecht, Amsterdam en Lelystad, werkend in een sigarenwinkel, een drogisterij, een stomerij. Ze wilde terug naar de regio Utrecht, vond deze woning in een appartementencomplex, kende niemand en hoorde bij toeval over de telefooncirkel.

De telefoon van Rita.

De telefoon van Thea.

Wilja heeft een zoon in Venlo en een zoon verloren. Haar man stierf in 1984 en een relatie erna maakte haar „een beetje bang voor mannen”. Ze heeft een nieuwe hartklep, veel rugpijn, een hoge bloeddruk en een rollator. Anderhalf jaar terug zette ze „een verkeerde stap” en lag ze languit. Met haar mobiel – „die draag ik altijd bij me, dat is mijn veiligheid” – belde ze de buurvrouw. „Ik kroop naar de bank en Josefien gaf me een zetje.”

Na het gesprekje met Rita belt Wilja met Thea en zegt: „Je gaat zeker zwemmen hè?” Maar het zwemmen – een kwartiertje vrij en dan met de fysio – begint volgende week pas. Thea (85) voert haar telefoongesprekken in een zwartleren fauteuil met oppompbare rug in de hoek van een licht, opgeruimd appartement. Sprekend met Wilja hoort ze op de achtergrond „af en toe haar vogeltjes”, zegt ze. Thea is het langstzittende lid van de cirkel, „sinds tien jaar denk ik”. Ze sloot zich aan na een bezoek aan een vriendin in een revalidatiecentrum. „Zie je die vrouw daar?”, zei de vriendin tegen Thea over een vrouw verderop met gespalkte armen. „Die heeft víér dagenlang thuis in de gang gelegen.”

Thea is weduwe sinds achttien jaar. Haar twee zoons wonen dichtbij maar ze werken en zijn vroeg de deur uit. Ze is bang om te vallen. „Ik kom niet zelf meer overeind.”

Lang ging de cirkel verder met een telefoontje van Thea aan Sophia. „We kregen echt een band.” Maar aan haar dunne stem hoorde Thea dat het niet goed ging. „Ik heb op een keer een bloemetje langsgebracht. Toen was ze al ziek.” Ze overleed een paar jaar terug.

Nu belt Thea met Frank. Maar vandaag dus met Tini, die ze kent „al van twintig jaar terug denk ik” want Thea zit ook bij het lokale vrouwennetwerk. „Maar ik heb Tini misschien al sinds net voor de corona niet meer gezien.”

„Hoe gaat het met je?”, vraagt ze vanuit haar fauteuil aan Tini die aan de kleine eettafel haar gepuzzel onderbreekt. Waarna de twee hun lijstjes uitwisselen van lichamelijke mankementen. En met een „nou, gezellig!” en „tot morgen!” maken ze de cirkel rond.

Source: NRC

Previous

Next