Dankzij een kabinet dat het motto ‘geen daden maar woorden’ met verve uitdroeg, dreigt Nederland onbestuurbaar te worden. Na veertien maanden Drs.P-politiek, waarbij de coalitie tijdens haar dodenrit eerst de PVV zag wegvallen en daarna het NSC, heeft volgens RTL liefst 93 procent van de burgers geen vertrouwen meer in de politiek, en slechts 4 procent nog wel. Voor aantreden van het kabinet in juli 2024 was dat nog 70 om 30 procent. Door voortschrijdend inzicht in de werkwijze van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en aanpalende departementen behoor ik zelf sinds kort ook tot die 93 procent.
Toch zagen nominaal premier Schoof (ex-IND) plus de partijleiders Yesilgöz (VVD) en Van der Plas (BBB) na het vertrek van NSC niets in een noodverband. Ze modderen liever door tot er met sint-juttemis een nieuw kabinet is geformeerd. Ze hebben de regering daarom uitgebreid met (merendeels) onervaren doch loyale partijgenoten. Yesilgöz heeft hun zelfs nog een extra boodschap meegegeven. Via RTL liet ze weten dat ze na de verkiezingen van 29 oktober niet wil samenwerken met GL/PvdA.
Hoewel je de huidige VVD-leider niet op haar woord moet geloven – ze is qua politieke expressie wat wispelturig – wordt de ministeriabele oppositie toch geconfronteerd met een dilemma. Moeten Timmermans, Bontenbal en Jetten het land drijvend houden door juist wel te willen samenwerken met de restanten van Schoof of kunnen ze beter voluit campagne gaan voeren?
Een „nietsontziende strijd” is volgens voormalig D66-strateeg Roy Kramer geboden, anders gaat „de democratie aan kleine moraliteit ten onder”. Maar helpt polarisatie tegen de vervreemding in de samenleving? Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau is er iets wezenlijkers veranderd. De low-trust society rukt op. Vroeger hadden lager geschoolden weinig vertrouwen in de politiek, nu „overheerst in alle opleidingsgroepen de onvrede over politiek”, aldus het SCP. Het getier in de Kamer, waartoe zelfs VVD’er Van der Burg zich verlaagt, is daarvan een uiting.
Het alternatief is minder aantrekkelijk. De ministeriabele oppositie van GL/PvdA, CDA en D66 heeft op dit moment 39 zetels in de Kamer. Maar samen met NSC – doet die club nog iets nuttigs – kunnen deze drie partijen voorkomen dat de bestuurlijke continuïteit komende maanden spaak loopt. De kans op ongelukken is groot, mede omdat Van der Plas denkt dat het kabinet met 32 miezerige zetels ook op politieke hoofdlijnen „aan de bak” mag blijven.
Het meest elementaire risico betreft de verkiezingen zelf. De politieke verantwoordelijkheid voor de organisatie ligt nu onverhoeds in handen van een BBB-minister van Binnenlandse Zaken, die slechts twee jaar ervaring heeft als gedeputeerde voor landbouw en veeteelt. Er zijn ook andere cruciale gevaren waarbij de oppositie in het geweer moet durven treden. Denk aan een rompbegroting voor 2026 die geen grote politieke keuzes bevat maar wel voorkomt dat de overheid zelf in het ongerede raakt. Of aan onverhoopte crisissituaties, al dan niet verbonden met Ruslands oorlog tegen het ‘collectieve Westen’ en dus ook tegen Nederland.
Bijkomend voordeel is dat Timmermans, Bontenbal en Jetten zo terloops een alternatief bieden voor na 29 oktober. Volgens de laatste Peilingwijzer zouden hun partijen kunnen rekenen op 56 tot 67 zetels. Dat is niet alleen een solide basis voor een meerderheidscoalitie met een VVD zonder Yesilgöz; dit perspectief biedt GL/PvdA, CDA en D66 ook nu reeds een positie ten opzichte van het quasi-kabinet van Schoof.
Die feitelijke en virtuele macht kan worden gebruikt om te voorkomen dat Nederland verder wegzakt naar het low-trust-niveau van Griekenland of Amerika.
Source: NRC