Met de komst van de Passerelle in Zwolle, een volledig houten loopbrug, gaat houtbouw een nieuwe fase in. Van kleinschalige pioniersprojecten tot grotere bouwwerken: wat is er nodig om de houtbouwrevolutie door te zetten?
schrijft voor de Volkskrant over architectuur, landschapsontwerp en stedenbouw.
Een brug die tegelijk een park is, compleet met bomen, zitbankjes en een waterpartij. Daar bestaan er meer van: denk aan The High Line in New York of de Paleisbrug bij station Den Bosch. ‘Maar wat we hier hebben gerealiseerd is uniek’, zegt Niels Munnik, projectleider Spoorzone bij de gemeente Zwolle, over de Passerelle bij station Zwolle, die op 5 september opent: een 130 meter lange, 10 meter brede langzaamverkeersbrug, die in een slingerende beweging over het spoor voert.
Het unieke zit ’m in de constructie. Die is niet zoals bij de andere bruggen van beton of staal, maar opgebouwd uit gigantische houten liggers, die een dik pakket aarde dragen waarin planten wortelen. Ook de liftconstructies, zitbanken en brugleuningen zijn van hout. ‘In totaal zo’n 1.500 m3, waarin 1 miljoen kilo CO2 zit opgeslagen’, vertelt Munnik trots.
Dat laatste is niet onbelangrijk, als je weet dat de bouwsector verantwoordelijk is voor 40 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot. Volgens het Klimaatakkoord dat Nederland in 2019 ondertekende, moet de sector in 2050 circulair en klimaatneutraal zijn, wat betekent dat de uitstoot netto nul is. Houtbouw kan hieraan een belangrijke bijdrage leveren, doordat CO2 in hout wordt vastgelegd, terwijl bij de productie van staal en beton juist veel CO2 vrijkomt.
‘Met dit ontwerp leveren we 74 procent minder CO2-uitstoot ten opzichte van een stalen brug’, aldus Munnik.
De Passerelle is er een in een reeks grote houtbouwprojecten die recent zijn opgeleverd. In Duivendrecht verrees het gigantische hybride-houten kantoorcomplex Mediavaert, in Tilburg ’s lands eerste met hout geconstrueerde universiteitsgebouw, in Rotterdam de houten flats Valckensteyn en Sawa. Ook in Amsterdam, Den Haag, Rosmalen en Haarlem schieten houten woningbouwcomplexen uit de grond.
Betekent dit dat de houtbouwrevolutie, waarover al jaren wordt gesproken, nu eindelijk doorzet?
Feit is dat er veel op het gebied van houtbouw gebeurd is sinds 2019, toen het VPRO-programma Tegenlicht de veelbesproken documentaire Houtbouwers uitzond. Daarin onderzochten de makers of en hoe bouwen met kruislaaghout – een nieuw soort constructiehout, gemaakt van kruislings verlijmde houtlamellen – de woningnood en klimaatverandering in een klap zou kunnen oplossen. Ze spraken met architecten annex houtbouwpioniers Bjarne Mastenbroek en Marco Vermeulen. Mastenbroek had met houten modules Hotel Jakarta in Amsterdam gebouwd, Vermeulen een houten inspiratiepaviljoen voor de Dutch Design Week in Eindhoven.
Maar om te tonen hoe je substantiële houtbouwmeters maakt, moest de filmploeg naar Londen, waar de Britse architect Andrew Waugh vertelde hoe hij sinds 2008 met kruislaaghout zo’n twintig houten hoogbouwcomplexen realiseerde.
Nederland heeft ‘een schaalsprong op het gebied van houtbouw nodig’, stelde Mastenbroek toen. ‘Het is een kwestie van tijd’, meende Vermeulen.
Inmiddels staan er in Nederland ruim 35 grote houten gebouwen, in 2026 zijn dat er negentig. Mastenbroek bouwde meerdere houten woongebouwen, Vermeulen tekent momenteel aan twee multifunctionele torens in Eindhoven; met een hoogte van 133 meter en omvang van 65 duizend m2 wordt dat ‘het grootste hybride-houten gebouw ter wereld’. Het aandeel van houtbouw nam bij de woningcorporaties toe van 4 procent in 2022 naar 8 in 2023. Volgens onderzoek van de bouwsector zal in 2026 zo’n 13 procent van alle nieuwbouwwoningen in hout gebouwd worden.
Hoe is de opbloei in de houtbouw te verklaren en: wat is er nodig om deze beweging verder te brengen? Een zevenstappenplan.
Het plan voor de Passerelle in Zwolle komt niet uit het niets. In 2017 maakte ontwerpbureau Karres en Brands een visie voor het stationsgebied, dat van een monofunctionele kantorenwijk moet veranderen in een levendige, groene wijk. Om te beginnen is het stationsplein verbouwd: waar reizigers vroeger op ronkende bussen stuitten, zitten ze nu tussen bomen en kletterend water.
Toen de gemeente in 2020 besloot om aan de andere kant van het station vierduizend woningen te bouwen, met een voetgangersbrug over het spoor voor de ontsluiting, werden de duurzame ambities opgeschroefd. De nieuwe brug moest niet alleen uitnodigend en groen ogen, maar ook duurzaam zijn qua materiaalgebruik.
Om te bepalen of strenge duurzaamheidseisen zouden leiden tot een houten brug, deed de gemeente een marktverkenning. Maar de aannemers kwamen allemaal met plannen voor een stalen brug; ze hadden onvoldoende kennis van houtbouw. Munnik: ‘Toen hebben we gezegd: we gaan het ontwerp zelf realiseren. Want we wisten dat er in Duitsland wel houten bruggen worden gebouwd.’
Samen met Karres en Brands, ingenieursbureau IPV Delft, een Duits ingenieursbureau en spoorbeheerder Prorail vormde de gemeente een consortium, onder leiding van architect Jasper Nijveldt. Ze bezochten houtbouwprojecten en -fabrieken in Duitsland, waarbij ook de gemeentelijke onderhoudsafdeling meekeek. Die was huiverig over het gebruik van hout in het vochtige Nederlandse klimaat. ‘Om regen weg te houden bij het hout hebben we de constructie onder het brugdek geplaatst, en lopen de liggers naar binnen af’, wijst Nijveldt op de getande randen.
Bewoner Joke Drost, die vanuit haar woning op de Passerelle uitkijkt, is enthousiast over het eindresultaat. ‘Het hout, de bomen, het ziet er mooi uit. Al ben ik vooral blij met de brug als verbinding.’
Ook in andere steden is er animo voor houtbouw. In 2021 ondertekende Amsterdam samen met veertien omringende gemeentes, vele vastgoedbeleggers, projectontwikkelaars, bouwbedrijven en kennisinstellingen het Convenant Houtbouw Metropoolregio Amsterdam. Daarin stond dat 20 procent van de woningbouw in 2025 een houtconstructie moest hebben. Directe aanleiding was de covidpandemie, vertelt programmaleider Bob van der Zande. ‘Wethouders dachten: dit wordt een bouwcrisis. Met duurzame innovatie wilden zij de woningproductie aanjagen.’ Tegelijk ontstond door de lockdowns meer aandacht voor een gezonde en duurzame woonomgeving.
Het aandeel met hout geconstrueerde woningen is in vier jaar gegroeid van 0,5 procent naar 5 procent. Dat lijkt weinig, maar van der Zande wijst erop dat de planning van bouwprojecten gemiddeld zeven jaar duurt. Naast de 1.100 gerealiseerde houtbouwwoningen zijn er momenteel 3.800 woningen in aanbouw of vergund, en 10 duizend in de verkenningsfase. Binnen vijf jaar willen de betrokken partijen alsnog een aandeel van 20 procent houtbouw behalen.
Van der Zande: ‘Het grote verschil dat je nu al ziet, is dat het niet meer gaat om afzonderlijke houten gebouwen, maar hele gebiedsontwikkelingen in houtbouw.’
Een van die ontwikkelingen is een wijk van 750 woningen in de nieuwe Nelson Mandelabuurt in Amsterdam-Zuidoost. Afgelopen lente is daar vlakbij al een groot houtbouwproject opgeleverd: het prijswinnende complex Switi, door HOH Architecten ontworpen in opdracht van projectontwikkelaar BPD. Het omvat 24 rijwoningen en een toren met 45 (koop)appartementen, die met zijn strakke belijning en donkere bamboe gevels een blikvanger is.
De opdrachtgever wilde met het project laten zien dat het mogelijk is om een groot project (op de fundering na) volledig met biobased materialen te realiseren. De wanden, vloeren en de stabiliteitskern zijn van kruislaaghout gemaakt, de trappen van bamboe, de gevelisolatie van houtvezels. De binnenwanden zijn, omwille van geluids- en brandeisen, bekleed met gipsplaten.
‘De kunst van houtbouw is om vanuit het materiaal te denken’, zegt architect Jarrik Ouburg. ‘In Nederland zijn we gewend om te bouwen met beton, woningafmetingen en bouwmethodes zijn daarop afgestemd. Maar ontwerpen met hout is echt iets anders. Zo kun je vloeren van kruislaaghout niet laten uitsteken om balkons te maken, zoals met beton vaak wordt gedaan. Daarom heeft het gebouw geen hangende balkons, maar loggia’s’, wijst Ouburg op de buitenruimtes.
Het kruislaaghout, afkomstig uit Duitsland, is in een Limburgse fabriek verwerkt tot gevel-, vloer- en wandelementen. Ouburg maakt de vergelijking met een Ikea-bouwpakket, dat per vrachtwagen is aangevoerd en in vier maanden tijd in elkaar is geschroefd.
De architect hoopt dat het project navolging krijgt. ‘We kunnen het bouwsysteem in andere projecten toepassen of de toren in zijn geheel nog een keer bouwen. Dan gaat de investering in kennis en experiment renderen, en kun je een schaalsprong maken die impact heeft.’
Dat laatste is wat architect Tim Vermeend beoogt met het mede door hem opgerichte ontwikkelbedrijf The Urban Woods, dat seriematige hoogbouw in hout realiseert. Het eerste project verrijst momenteel in Delft: een 31 meter hoge toren met honderd (middenhuur)appartementen, gedeelde voorzieningen en bomen op de balkons en het dak.
Met zijn architectenbureau Urban Climate Architects is Vermeend al vijftien jaar bezig met duurzaam bouwen. ‘We plaatsten energiezuinige installaties, zonnepanelen, maar werkten wel met beton.’ Na het zien van de Tegenlicht-documentaire zocht hij contact met architect Waugh om te leren over kruislaaghout, en bezocht houtbedrijven in Duitsland. Met de opgedane ervaring realiseerde hij twaalf houten appartementen in Delft en een wooncomplex voor het Leger des Heils Rotterdam.
Het was investeerder Sebastian Monteban die Vermeend erop wees dat hij ‘eenlingen’ bouwde. ‘Hij zei: als je deze aanpak verder wilt brengen, moet je een merk bouwen.’ Samen bedachten ze het woonconcept The Urban Woods: complexen met (middenhuur)appartementen die gebouwd worden met een Kapla-achtig bouwsysteem van houten kolommen en wanden. De komende vijf jaar gaan ze hiermee ook projecten realiseren in Deventer, Groningen en Amsterdam.
Innovatie is daarbij belangrijk, zegt Vermeends collega Glenn Caprino tijdens een rondleiding over de – opvallend schone en stille – bouwplaats in Delft. ‘Aanvankelijk werden constructies met massief houten platen gebouwd, hier maken we een raster van gelamineerde kolommen en balken dat we invullen met lichte houtvezelplaten. Dat scheelt gewicht, materiaal en geld.’
In de metershoge entreehal wijst Caprino op een ogenschijnlijk gewone houten wand. ‘Die is gemaakt van gerecycled afvalhout. Het is een nieuw product dat wij samen met TNO hebben ontwikkeld. We testen het hier en gaan er volgend jaar ons eigen kantoor in Delft mee bouwen.’
Meer ontwerpers met duurzame idealen begonnen – bij gebrek aan opdrachtgevers die om houtbouw vragen – de afgelopen jaren een eigen houtbouwonderneming. Zo ontwikkelt architect Jurrian Knijtijzer met zijn bedrijf Finch Buildings sinds 2014 houten modules. Daarmee heeft hij inmiddels veertien projecten gerealiseerd, van een torentje met 22 startersappartementen in Amsterdam-Noord tot een complex met 158 huurwoningen in Haarlem. ‘Dat is minder dan ik tien jaar geleden verwachtte’, zegt Knijtijzer. ‘Al besef ik dat we meer hebben gedaan dan bouwen: die projecten hebben ook bijgedragen aan de acceptatie van houtbouw.’
Grote bouwbedrijven als BAM en Dura Vermeer begonnen ook houtbouwafdelingen en -fabrieken. De TU Delft stelde in 2023 een houtbouwprofessor aan. Afgelopen juni werd voor het eerst de Dag van de Houtbouw georganiseerd. Het liep storm op de bouwplaats van The Urban Woods, vertelt Vermeend. ‘Met vakgenoten die willen weten hoe hoogbouw met hout werkt, maar ook mensen op zoek naar een duurzame woning.’
De architect ziet ook een toenemende interesse in houtbouw bij beleggers, die anticiperen op nieuwe regelgeving. De Europese Unie gaat vanaf 2030 strengere eisen stellen aan de ‘klimaatimpact’ van nieuw te bouwen woningen, van energie- tot materiaalgebruik.
‘Technisch is houtbouw niet zo ingewikkeld, het kritische deel is de business case’, stelt architect Jan Nauta van Studio Nauta. Hij won in 2018 de prestigieuze Abe Bonnemaprijs met een uit hout opgetrokken buitenhuis in Friesland, en ontwerpt nu wijken met honderden houten woningen in Amsterdam-Zuidoost, Gouda en Zwolle.
De architect ziet dat houtbouw gemiddeld iets duurder is dan bouwen met beton en staal, industrieën die al helemaal zijn doorontwikkeld en veel groter in omvang. Nauta: ‘Een circulaire businesscase kan helpen om dat prijsverschil te vereffenen. Als je de doelen uit het Klimaatakkoord vertaalt naar bouwmaterialen die minder CO2-uitstoot veroorzaken, wordt het lastiger om beton en staal te gebruiken.’
Punt is dat de materiaalgebonden CO2-uitstoot (nog) niet wordt meegenomen in duurzaamheidsberekeningen. Bovendien wordt bij de berekening van de milieuscore van materialen ervan uitgegaan dat hout na veertig jaar in de verbrandingsoven verdwijnt, terwijl beton wordt gerecycled als granulaat. Daardoor komt beton als duurzamer uit de bus. Deze regelgeving moet aangepast worden, vindt Nauta, want hout kun je prima hergebruiken.
Ondertussen kunnen groene subsidies en leningen helpen om het prijsverschil te overbruggen. Veelbelovend is de recente introductie van certificaten voor CO2-opslag die de klimaatstichting Climate Cleanup uitgeeft. CO2-opslag in gebouwen wordt daarmee geld waard. Op de vastgoedbeurs Provada werd in juni voor het eerst zo’n certificaat uit biobased woningbouw geveild.
In vervolg op de Passerelle is in Zwolle het volgende grote houtbouwproject alweer in de maak: de nieuwe Noordentree van het station, die de gemeente samen met Prorail en NS gaat realiseren. Deze keer vroegen ze voor de aanbesteding vier architectenbureaus met ervaring op het gebied van biobased bouwen. Studio Nauta won met het ontwerp voor een monumentale stationshal met een draagconstructie van hout en stampleem. De gevel wordt gemaakt van aluminium, afkomstig uit de oude entreeluifel.
‘Duurzaam bouwen begint met zo min mogelijk bouwen en zo veel mogelijk hergebruik’, legt Nauta uit. ‘Ik heb mijn opdrachtgever allereerst gewezen op wat er aan bouwmateriaal voorhanden was, van de luifel tot de oude perronkappen, die we verplaatsen. Vervolgens is het zaak om een minimum aan nieuwe materialen te gebruiken, die het milieu zo min mogelijk belasten. En ja, dan kom je uit bij hout en gewassen als hennep en vlas.’
Nauta: ‘Wat ik bedoel te zeggen, is dat houtbouw geen doel is, maar een middel om te bouwen aan een betere leefomgeving.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant