Onderzoekers van Kamp Amersfoort hebben ontdekt dat de enige baby die daar in gevangenschap is geboren, de oorlog heeft overleefd. De nu 82-jarige Joodse man raakte blijvend gehandicapt na mishandeling door de nazi’s.
is wetenschapsredacteur van de Volkskrant en schrijft geregeld over de Tweede Wereldoorlog.
De baby had zijn eigen kampkaart: ruim een week na de geboorte van de kleine Raymond Kesnig stempelde een naziambtenaar in Kamp Amersfoort Häftlingnummer 574 bovenaan het registratiedocument. ‘Religie: joods. Beroep: geen.’ Tien dagen later ging Raymond met zijn ouders op transport, naar Westerbork, en daarna door naar Bergen-Belsen.
Raymond is het enige kind dat in gevangenschap in Kamp Amersfoort werd geboren. Of hij de oorlog had overleefd en hoe het hem was vergaan, bleef ruim tachtig jaar onduidelijk. Totdat onderzoekers van Kamp Amersfoort hem na vier jaar zoeken wisten op te sporen. Hij bleek getekend door de oorlog: in Bergen-Belsen was hij door een kampbewaarder uit de armen van zijn moeder getrokken en weggesmeten, met blijvende doofheid tot gevolg.
Verreweg de meeste kinderen die tijdens de Tweede Wereldoorlog in een concentratiekamp werden geboren, overleefden de oorlog niet. In Kamp Westerbork, het doorgangskamp voor Joden, kwamen 239 baby’s ter wereld, mailt conservator Guido Abuys desgevraagd. Onder hen vier, mogelijk vijf niet-Joodse kinderen. Veertig van hen haalden de bevrijding, de meeste anderen werden vermoord in de vernietigingskampen waar ze met hun ouders naartoe werden gedeporteerd.
In Kamp Vught zagen zeker drie kinderen het levenslicht, laat historicus Lennert Savenije weten. Onder hen één Joods kind, een veel te vroeg geboren jongetje, dat uiteindelijk in Sobibor werd vermoord. In Auschwitz-Birkenau zijn minstens zevenhonderd kinderen geboren, van wie slechts een enkeling overleefde.
In Kamp Amersfoort zaten tijdens de oorlog meer dan 47 duizend gevangenen opgesloten. Dat waren vooral verzetsmensen en dwangarbeiders, maar het concentratiekamp hield ook enkele duizenden Joden vast. In het kamp zaten slechts zevenhonderd vrouwen en bovendien gingen de meeste gevangenen snel op transport naar andere nazikampen. Dat kan verklaren waarom er in gevangenschap maar één baby is geboren, zegt Floris van Dijk, hoofd onderzoek van Nationaal Monument Kamp Amersfoort.
De 20-jarige, hoogzwangere Esther Kesnig-Van Loggem kwam met haar man Hartog en vier familieleden op 17 mei 1943 in Kamp Amersfoort aan. Ze waren opgepakt in Amsterdam, waar Hartog een kapperszaak bestierde. Toen Esther vier dagen na aankomst beviel, brachten bewakers haar op het allerlaatste moment naar het nabijgelegen ziekenhuis. Het kamp had zelf geen kliniek.
Esther en Hartog wisten hun zoontje in leven te houden, in weerwil van de ontberingen en de mishandelingen in de kampen. Het gezin overleefde ternauwernood het allerlaatste transport vanuit Bergen-Belsen, in april 1945. Die treinreis, die bekend is komen te staan als het Verloren Transport, eindigde na een zwerftocht van dertien dagen in Duits niemandsland. De opa van Raymond stierf in de trein, net als 550 medepassagiers. Zijn oma was in Bergen-Belsen al omgekomen.
Raymond Kesnig kwam na omzwervingen over de hele wereld in België terecht. Daar zochten Van Dijk en medeonderzoeker René Veldhuizen hem onlangs op. Met hulp van een gebarentolk wisten ze zijn treurige familiegeschiedenis te reconstrueren. Kesnig bleek niets te weten over de eerste weken van zijn leven, hij had altijd gedacht dat hij in Kamp Westerbork was geboren. Zijn eigen kampkaart bracht na 82 jaar duidelijkheid.
Luister hieronder naar onze wetenschapspodcast Ondertussen in de kosmos. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Wilt u belangrijke informatie delen?
Mail naar tips@volkskrant.nl of kijk op onze tippagina.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant