Op de laatste zaterdag van augustus werd ik in de buurt van de Haarlemmer Houttuinen in Amsterdam aangesproken door een oudere man in korte broek met een pet omgekeerd op zijn hoofd.
‘Arnon’, zei hij nogal commanderend. Zou ik weer iemand niet herkend hebben? Ik duwde een kinderwagen voort, mijn zoon had ingestemd met de wandeling mits hij rondgereden werd. Vooruit, in het weekend denkt men aan zijn rug.
De man zei: ‘Wij kennen elkaar niet, maar ik ben Vlad, filmmaker. Mag ik een stukje met je oplopen?’ Hij sprak met een accent dat ik niet kon thuisbrengen; vanwege dat Vlad vermoedde ik met een Rus te maken te hebben. In zijn hand droeg hij overigens een fles jonge jenever.
‘Ik heb Rietveld gedaan in de jaren negentig’, zei hij, ‘ik ben nu bezig met een film over beroemde Amsterdammers.’ Meteen kreeg ik het lichtelijk benauwd, maar hij vervolgde: ‘Spinoza, Rembrandt, Socrates, Woody Allen.’ Ware tolerantie betekent uiteraard dat mensen ook postuum of zonder hun medeweten Amsterdammer kunnen worden.
‘Ik wilde jou vragen Woody Allen te spelen.’ Als ik iets niet wilde was het Woody Allen spelen, hoewel ik graag andere mensen speel. Volgens psychoanalyticus Adam Phillips valt er één ding te weten over jezelf: je bent niet degene die je beweert te zijn.
‘Leuk’, zei ik en versnelde mijn pas, Vlad deed dat ook, al begon hij te hijgen.
‘Ik ga op bezoek bij een ex, ex nummer vijf’, zei hij, ‘vandaar dat ik die fles bij me heb.’ Nu werd het interessant, maar ik had een kind bij me. Vlad liep nog altijd naast me. ‘Ik dacht dat het bij drie zou stoppen’, zei hij weemoedig. Ik stond voor mijn huis.
‘Woont ex nummer vijf toevallig hier?’, vroeg ik. Vlad moest toegeven dat dat niet het geval was.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns