Home

Jan Blokker: ‘Mijn vader begreep de moderne tijd heel goed, maar wat hij ervan zag, beviel hem niet’

Jan Blokker junior | biograaf Schrijver had Jan Blokker willen worden. Maar hij had de ‘grote roman van de twintigste eeuw’ niet in de pen. Hij koos voor de krant en drukte als journalist, essayist en columnist zijn stempel op de Nederlandse samenleving. Zijn zoon en biograaf Jan junior schetst een gelaagd levensverhaal. „De Fortuynrevolte was tegen mensen zoals hij gericht.”

Jan Blokker junior: „Het leven van mijn vader is een spiegel van de naoorlogse ontwikkelingen in de cinema, de televisie, de kranten.”

De oude Jan Blokker (1927-2010) was journalist, columnist, filmrecensent en scenarioschrijver. In 1958 maakte hij met regisseur Bert Haanstra de speelfilm Fanfare, die met 2,6 miljoen bezoekers een ongekend succes was. In 1963 deed hij mee aan het eerste satirische tv-programma Zo is het toevallig ook nog ’s een keer, waarin gespot werd met koningshuis en religie – het land was te klein. Hij was eindredacteur bij de VPRO en zat in de hoofdredactie van de Volkskrant.

Maar vóór dat alles, zegt zijn zoon en biograaf Jan Blokker junior (1952), had de oude Blokker schrijver willen zijn, een groot literair schrijver. En in zijn jonge jaren leek het erop dat hij dat zou waarmaken.

In 1950 schreef hij na een reisje naar de Auvergne de novelle Séjour – jonge man wordt verliefd op het kamermeisje in een Franse herberg, zij treurt nog om een door de Duitsers gefusilleerde verzetsheld – en daar won hij de Reina Prinsen Geerligsprijs mee. Die was drie jaar eerder uitgereikt aan Gerard Kornelis van het Reve voor De avonden. En in 1951 zou Harry Mulisch hem krijgen voor archibald strohalm.

Jan Blokker junior zegt, vorige week in een Amsterdams restaurant, dat zijn vader nog lang heeft gewerkt aan wat hij zijn ‘grote roman van de twintigste eeuw’ noemde. Die is er nooit gekomen. Hij schreef historische boeken – Het vooroudergevoel (2005), samen met zijn zoons Jan en Bas, was een bestseller – maar nooit meer fictie. Jan Blokker junior: „Pas vele jaren later zou hij erkennen dat hij geen Reve, geen Mulisch en geen Willem Frederik Hermans was.”

En volgens hem was dat jouw schuld.

„Hij koesterde het verhaal dat zijn literaire droom vervlogen was omdat ‘zijn meisje’ zwanger raakte en er ‘brood op de plank’ moest komen. Dat meisje was mijn moeder” – Anneke Haanappel, nog geen achttien toen – „en ze was zwanger van mij. Daarom, zei mijn vader, had hij in het voorjaar van 1952 een baan aangenomen bij Het Parool en was hij opeens een getrouwde man met een baan.”

Mulisch pestte hem ermee.

„Die noemde het gebrek aan talent. Hermans pestte hem er ook mee. En mijn vader was het met hen eens. Daar deed hij zich tekort mee, vind ik. Hij wilde een hoek in die niet bij hem paste, wat ik bij mijn leerlingen ook nogal eens zag.” Jan Blokker junior was leraar geschiedenis op het Vossius Gymnasium in Amsterdam en rector van een school in Hoorn, de OSG West-Friesland. „Mijn vader kon verschrikkelijk goed schrijven, maar voor een roman had hij het geduld niet. Hij was, zoals hij zei, een ‘mannetje van de krant’.” Zo heet de biografie ook: Mannetje van de krant. Die verschijnt deze week.

Je kwam er bij je onderzoek achter dat hij die baan bij Het Parool al in september 1951 geaccepteerd had.

„Een halfjaar voor mijn moeder zwanger van mij raakte. Dus dat verhaal van hem, dat lag toch een beetje anders. Hij was binnengehaald als de winnaar van de Reina Prinsen Geerligsprijs en na korte tijd moet hij gedacht hebben: hier hoor ik. Het Parool was een grote krant toen, in 1941 opgericht als verzetskrant, sociaal-democratisch van signatuur. Er werkten mensen als Simon Carmiggelt en Annie M.G. Schmidt en andere vooraanstaande journalisten, van wie de namen nu vergeten zijn. De vrijgevochten en gezagsóntrouwe geest die er heerste, de mores die hij er leerde – het paste bij wie hij was en waar hij tot zijn dood voor zou blijven staan. Een journalist moet autonoom zijn, onafhankelijk. Wat zijn de feiten? Kloppen ze?

„Van meet af aan heeft hij heel veel geschreven, hij kon doen wat hij wilde. Zijn stijl en aanpak waren vernieuwend en dat werd ook opgemerkt. In 1954 liet hij zich overhalen om bij het Algemeen Handelsblad te komen werken. Het verslavende moet voor hem zijn geweest dat zijn stukken altijd de volgende dag in de krant stonden.”

Jan Blokker junior: „Ik heb zijn archief meegenomen naar Frankrijk en ben aan het werk gegaan. De vloer lag vol met foto’s, stukken, talloze interviews.” Foto Frank Ruiter

Had hij geluk dat hij bij de eerste generatie hoorde die na de oorlog volwassen werd?

„Zeker. Voor een kleine voorhoede van jonge mensen lag alles open, alles bruiste. Het leidde tot een explosie van creativiteit. Mijn vader was overal bij. Hij pakte alle kansen. Zonder de oorlog was hij niet geworden wie hij was.”

Waarom wilde je zijn biografie schrijven?

„Ik was het niet van plan. Na zijn dood dacht ik: iemand moet het doen. Zijn leven is een spiegel van de naoorlogse ontwikkelingen in de cinema, de televisie, de kranten. Niemand deed het en toen ben ik er toch aan begonnen, via een omweg. In zijn computer vonden mijn broer Bas” – redacteur bij NRC – „en ik drieduizend woorden van het boek dat hij nog had willen schrijven, over zijn vader, onze opa. Het moest een cultuurgeschiedenis worden van een Amsterdams burgergezin tussen de twee wereldoorlogen. Hij kwam er niet uit. Hij had ook geen tijd meer. Hij was vreselijk benauwd” – de oude Blokker had na een leven lang drie pakjes Caballero per dag longkanker gekregen – „en hij moest om de dag zijn column voor de krant schrijven.

„Bas en ik bedachten dat wij dan dat boek over onze grootvader zouden schrijven, maar uiteindelijk ben ik het alleen gaan doen. Het werd pas wat vanaf het moment dat mijn vader het verhaal binnenkwam. Ik heb zijn archief meegenomen naar mijn huis in Frankrijk en ben aan het werk gegaan. De vloer van mijn kamer lag vol met zijn foto’s, zijn stukken, de talloze interviews met hem.”

Zelden, zegt hij, heeft hij zich zo nabij zijn vader gevoeld als in die jaren. En ja, het was lastig om de balans te vinden tussen de betrokkenheid van de zoon en het afstandelijke van de biograaf. „Moet je uitweiden over de jaren zestig? In hoeverre er een revolutie gaande was? Wat daarvan de oorzaken waren? Het heeft lang geduurd voor ik begreep dat ik niet de alwetende historicus moest uithangen en het bij mijn vader moest houden. En bij mijn moeder.”

Die voorhoede waar je vader bij hoorde was links en progressief, maar thuis…

„… was hij conventioneel. Vrouwenemancipatie heeft hem nooit geïnteresseerd. En áls ze hem interesseerde, was hij ertegen. Hij had nooit kunnen doen wat hij gedaan heeft als mijn moeder er niet was geweest om alles wat hij liet vallen achter zijn kont op te rapen. Toch was ze niet zijn sloof. Hij respecteerde haar mening en de collega’s van mijn vader die bij ons thuis kwamen – film- en documentairemakers, scenarioschrijvers, journalisten – deden dat ook. Als zij zei dat ze iets goed vond, dan was het goed.

„In mijn jeugd trokken mijn ouders ieder voorjaar naar Zuid-Frankrijk, naar het filmfestival van Cannes, en daar maakten ze dan een vakantie van vijf weken van. Ik denk dat het de gelukkigste perioden van hun leven waren. Op hun oude dag spraken ze er vol nostalgie over.”

Ze lieten jullie thuis achter.

„Met onze tante, mijn vaders oudste zus. Iedere dag werd er voor ieder van ons minstens één door mijn vader volgeschreven ansichtkaart bezorgd. Ze kwamen terug met cadeautjes en ’s avonds aan tafel vertelden ze over de beroemde acteurs en actrices die ze ontmoet hadden, de films die ze gezien hadden.”

Je vader, schrijf je, had wel verhoudingen met andere vrouwen.

„Hij had affaires, ja, daar was hij open over. Hij meende dat hij er recht op had. Mijn moeder zal ‘laat maar’ gedacht hebben, hij kwam altijd weer bij haar terug. Maar soms ging hij te ver en dat leidde tot verschrikkelijke ruzies.

„Ik herinner me dat mijn moeder mijn twee zusjes en mij – Bas was nog niet geboren – meenam naar het pas geopende Hiltonhotel op de Apollolaan en ons liet zwaaien naar papa, die ergens daar boven op het balkon stond. Hij bracht een dag en een nacht in het hotel door om een reportage ‘van binnenuit’ te schrijven – met zijn maîtresse, een actrice. Die relatie heeft een jaar of drie geduurd. Ze schijnen zelfs een makelaar in de arm te hebben genomen om een huis te kopen. Mijn opa schreef in zijn dagboek dat zijn jongste zoon weer eens ‘achter de juffertjes aan’ liep. Hij moest maar geloven dat zoiets bij ‘grote geesten’ hoorde. Het zat mijn opa niet lekker. Er waren vrouwen, schreef hij, die zich ‘met zeker raffinement’ een man in haar netten wisten te vangen en zich ‘als een vampier’ aan hem vasthechtten.”

Jij leed aan hoofdpijn in die tijd.

„Ik deed alsof. Als het geschreeuw ’s avonds te erg werd, kwam ik mijn bed uit en zei dat ik hoofdpijn had, dan hielden ze tenminste op. Op het laatst brachten ze me naar een neuroloog. Jaren later vond ik een brief van hem aan onze huisarts: geen ‘neurologische verklaring’ voor mijn klachten, ‘de moeder’ had hem meegedeeld dat het huwelijksleven ‘bijzonder ongunstig’ was. De kinderen waren bang, schreef hij ook, dat de moeder het huis zou verlaten. De vader deed dat ‘elke avond en nacht’.

„Later was hun huwelijk lange perioden vredig, harmonieus. Die nuance wil ik wel maken. Dan dronk mijn vader niet en was hij charmant en vrolijk. Hij bedacht gekke dingen, reisjes. Hij deed spelletjes met ons. Hij heeft zich altijd heel betrokken getoond bij Bas en mij, bij school. Niet zozeer bij de meisjes, nee. Bas en ik moesten carrière maken, voor de meisjes vond hij dat toch minder belangrijk.”

In zijn laatste jaren had je vader het moeilijk met de opkomst van het populisme.

„Hij noemde Pim Fortuyn een nieuwe Mussolini. En dat zei hij niet zomaar. Hij staafde dat met argumenten die hij ontleende aan de geschiedenis. Tot zijn verdriet zag hij dat Fortuyn en alles waar die voor stond steeds meer invloed kreeg, ook in zijn eigen krant. Mijn vader werd verweten dat hij de moderne tijd niet begreep, dat hij er niet meer bij hoorde. Hij was linkse elite, erger kon niet – nog steeds niet trouwens. De Fortuynrevolte was tegen mensen zoals hij gericht. Mijn vader begreep de moderne tijd heel goed, maar wat hij ervan zag, beviel hem niet. Voor zijn dood zei hij: let maar op, er komt een kabinet met de PVV.”

In 2006 ging hij na meer dan dertig jaar weg bij de Volkskrant.

„En werd hij columnist bij nrc.next, dat net was opgericht. Het verhaal was dat de Volkskrant hem eruit had gewerkt. Dat heeft hij altijd tegengesproken. Het was zijn eigen keuze, zei hij. Zelf zie ik er wel een politieke eh, nou ja, afrekening is een groot woord, maar het was duidelijk dat sommigen bij de krant hem niet meer moesten. Zijn wekelijkse historische column, die in mijn ogen onverminderd goed was, zou tweewekelijks worden, dan kwam er meer plaats voor jong talent. Ik snap dat nog steeds niet. Die man was oud, hij had longkanker, had hem met rust gelaten. Hoelang zou het nog geduurd hebben? Toen hij zei dat hij wegging, wilde de hoofdredacteur het besluit meteen weer terugdraaien. Maar het was al te laat.”

Jan Blokker senior. Foto Vincent Mentzel / NRCH

Source: NRC

Previous

Next