Er was een zomer waarin we niet met vakantie gingen, niet naar het huurboerderijtje in Friesland, zoals we gewend waren. We deden dagjes uit. Zo noemden mijn ouders dat: dagjes uit. Verder bleven we thuis, want daar had mijn moeder de „beschikking over een wasmachine”, zoals mijn vader zei, en dat was „geen luxe met zes kinderen”. Ik heb het over 1973. Een van die dagjes uit was naar de Zaanse Schans en dat beviel mijn ouders zo goed dat we er wel tien keer zijn geweest. ’s Avonds aten we er ook, pannenkoeken in De Hoop op d’Swarte Walvis, want dan hoefde mijn moeder niet te koken en „zij had ook recht op rust”.
Tien keer? Laat het drie keer zijn geweest, maar vaak genoeg om het beeld van de Zaanse Schans in mijn geheugen te griffen als iets fijns. Al zal dat ook komen door de zwart-witfoto waarop ik hand in hand met mijn zusje Rinskje van bijna drie – stoer jasje, stevige stappertjes – langs die kleine houten huisjes loop. Die was vrijblijvend gemaakt door een professionele fotograaf en mijn ouders kochten hem ondanks de prijs. Ik ben veertien en draag een tuinbroek. De straatstenen glimmen van de regen. Achter ons één ander mens.
Laatst ben ik er weer eens gaan kijken en ja, natuurlijk puilde de stoptrein vanaf het CS in Amsterdam uit van de toeristen en liep ik in een dikke drom Amerikanen, Aziaten, Arabieren en Italianen – opmerkelijk veel Italianen – over de brug die de oevers van de Zaan verbindt. O, die molens! O, die gevels! Je hoeft geen vreemde talen te verstaan om te horen wat er gezegd werd. Verder was alles nog zoals ik het van vroeger kende en ik liep meteen door naar De Hoop op d’Swarte Walvis, want ik had wel zin in zo’n pannenkoek.
Fully booked.
„Echt?”, vroeg ik aan de serveerster die bij de deur de wacht hield. Ze glimlachte en gaf me een plaats op het hooguit voor de helft gevulde terras, waar verder niemand Nederlands sprak. „We zijn met z’n drieën vandaag”, zei ze terwijl ze me de menukaart gaf. „En iedereen vraagt zoveel aandacht.”
Geen pannenkoeken. Friet met kaas en truffel. Tosti met pulled chicken, cheddar en mayonaise. Kroketten met Zaanse mosterd. Ik bestelde friet met niks en sloop naar de eetzaal binnen, voorheen de woonkamer van de weeskinderen die hier eeuwenlang werden ondergebracht. Hun vaders: verdronken op zee. Hun moeders: gestorven in het kraambed. En anders: cholera, tyfus, tbc. Alle tafels waren leeg, waardoor het me geen moeite kostte om dat gezin van vroeger weer voor me te zien, zoals we daar zaten zonder iets te zeggen, de helft van ons omgedraaid op onze stoelen, zodat we alle acht onze blik strak op de deur van de keuken gericht konden houden. Kwam de bestelling er al aan? Als de borden ein-de-lijk voor ons stonden vouwden we de handen en sloten we de ogen en bad mijn vader hardop, zeg maar luidkeels, het Onzevader.
En o, lieve mensen, opeens zie ik in die eetzaal de schouw boven de kachel weer, tot aan het plafond bedekt met in Zaans rood beschilderde tegels. Alle Bijbelverhalen uit het Oude Testament staan erop afgebeeld, echt allemaal. Voor de weeskinderen moet het een stripboek zijn geweest, voor ons was het een quiz. In het midden staat een soldaat die zijn zwaard heft om de ondersteboven bungelende baby in zijn andere hand doormidden te klieven. Wie wist wat hier werd verteld? Wie weet het nu nog?
Source: NRC