is huisarts en opiniemaker bij de Volkskrant.
‘En hoe gaat het nu met de seks?’, vraag ik voorzichtig aan het oudere echtpaar tegenover me. ‘Tja,’ zegt hij, een oud-politicus, ‘soms lukt het nog wel, maar dan is het erg kort en niet bepaald krachtig.’ Hij kijkt schuin naar zijn vrouw, die glimlachend zijn hand pakt en er even in knijpt. Dan verschijnt er een twinkeling in zijn ogen en voegt hij er droogjes aan toe: ‘Wij noemen dat standje demissionair.’
Een betere samenvatting van de huidige Haagse bestuurscultuur is nauwelijks denkbaar: erg kort en niet bepaald krachtig. Kijk naar het ministerie van Volksgezondheid, dat in krap een half jaar al twee ministers zag vertrekken. Eerst Fleur Agema, die na jaren van vurige oppositieretoriek in de Kamer als bewindspersoon vertrok met op X een verhuisdoos-selfie met de geruststellende tekst: ‘Met de zorg komt het wel goed.’
O ja?
Daarna haar opvolger Daniëlle Jansen, die uit veel steviger houten gesneden leek en in wie ik persoonlijk veel meer vertrouwen had, maar die samen met haar NSC-collega’s na amper drie maanden ook de handdoek in de ring gooide. Bizar en beschamend ook, gezien het belastinggeld dat we betalen voor goede volksvertegenwoordiging.
Het resultaat is dat juist het ministerie dat, meer dan welk ander, stabiliteit en richting nodig heeft, stuurloos ronddobbert zonder kapitein aan het roer, terwijl de problemen zich opstapelen. Honderdduizenden Nederlanders kunnen zich niet meer inschrijven bij een huisarts en raken zo hun toegang tot basiszorg kwijt. Apotheken kampen inmiddels structureel met medicijntekorten. In de ziekenhuizen lopen de wachtlijsten op, worden operaties uitgesteld en valt personeel massaal uit door de hoge werkdruk. De wijkverpleging trekt openlijk aan de noodrem: er zijn simpelweg te weinig mensen om de vraag aan te kunnen.
En in de geestelijke gezondheidszorg is wachten niet langer een fase van het traject, maar het traject zelf: een intake duurt maanden, een behandeling laat vaak meer dan een jaar op zich wachten.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Wat mij zorgen baart, is het afbrokkelen van het vertrouwen in de zorg en de toenemende tweedeling tussen arm en rijk. Wie het zich kan veroorloven, zoekt zijn toevlucht steeds vaker buiten het publieke systeem: zelftests en bodyscans, snelle diagnoses in privéklinieken of operaties in het buitenland. Daar is plek, tijd en duidelijkheid.
Wie dat niet kan betalen, wacht. Of haakt af. Daarmee brokkelt de solidariteit af waarop ons zorgstelsel ooit gebouwd was en vallen juist de meest kwetsbare patiënten tussen wal en schip. Voor hen komt zorg te laat of helemaal niet, waardoor problemen verergeren en uiteindelijk nóg meer inzet vragen.
Het wrange: dit is geen nieuws. Al twintig jaar verschijnt het ene na het andere rapport met dezelfde boodschap: investeer in de eerstelijnszorg, organiseer zorg dichter bij mensen, zet in op preventie, verminder bureaucratie, verbeter arbeidsomstandigheden, maak gezondheid een pijler van breed beleid, van huisvesting tot onderwijs.
Juist daarom is het voortdurende wisselen van ministers zo rampzalig. Iedere nieuwe bestuurder begint opnieuw: eigen prioriteiten, eigen adviseurs, eigen accenten. Beleidslijnen worden herschreven, rapporten opnieuw besteld, maanden verstrijken en de enige constante winnaars zijn de consultancybureaus. Ondertussen proberen zorgprofessionals dagelijks het systeem overeind te houden. Terwijl Den Haag geen continuïteit kent, moeten wij die in ons werk juist wél leveren. Stel je voor: in de zes jaar die ik nu huisarts ben, zag ik al zeven ministers van Volksgezondheid komen en gaan.
Wat nodig is, is een koers die kabinetten overstijgt met een langetermijnvisie die duidelijk maakt wat wél kan en wat niet meer. Dat vraagt realisme: het vermogen om te erkennen waar de grenzen liggen van capaciteit, geld en menskracht. Het vraagt betrokkenheid: het besef dat beleidskeuzes direct effect hebben op de levens van patiënten en de dagelijkse praktijk van zorgverleners. En het vraagt moed: de bereidheid om bij te sturen, om impopulaire keuzes te maken en door te zetten wanneer het moeilijk wordt. Daarbij is kennis van zaken cruciaal, maar ook lef om dat inzicht om te zetten in daadkrachtig beleid.
Zolang die combinatie ontbreekt blijven we gevangen in korte, krachteloze episodes die weinig oplossen, maar wel veel energie en vertrouwen kosten. Regeerstandje demissionair: daarmee komt niemand aan zijn trekken.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns