De Zitting Jasper W. beweert: ik was aan het zwaaien, niet aan het slaan. De andere verdachte weet: op maandagochtend had ik anders gereageerd. En het slachtoffer zegt: de mishandeling heeft mijn leven veranderd.
Jasper W. (30) is iemand die doorgaans „gewoon veel gebruikmaakt van zijn handen”, zegt hij tegen de politierechter. Op een groot scherm in de rechtbank van Amsterdam worden korrelige zwart-witbeelden getoond van een situatie op en rond de buitentrap van een studentenhuis.
Binnen is een feest aan de gang, af en toe spuugt het huis een feestganger uit. W. komt ook naar buiten. Op de trap zitten wat mensen.
Wat de aanwezigen in de rechtbank Jasper W. vervolgens op dat scherm zien doen, is zwaaien en niet slaan, zegt hij zelf.
Een van de mensen die op die onscherpe beelden op de trap zitten, is het slachtoffer: een twintiger die aangifte deed, waarna deze zaak in de rechtbank belandde.
Het slachtoffer, met goudbruin haar en een donkerblauwe polo, had die avond veel gedronken. Hij herinnert zich niets van het voorval. Zeker is wel dat hij een lichte hersenbeschadiging en een gebroken enkel opliep, wat zijn leven een negatieve draai heeft gegeven. Van de vriendin die naast hem op het trapje zat, hoorde hij pas later dat Jasper W. hem zou hebben geduwd.
W., die een beige pak met ruitjes draagt, herinnert het zich heel anders. „Ze zaten op de trap en ze lieten me er niet langs. Toen verloor ik mijn evenwicht en struikelde ik.”
W. vond de twintiger agressief reageren: „En ik was ook behoorlijk geïrriteerd. Toen begon ik naar hem te wijzen, te zwaaien en te schreeuwen.” Daar bleef het bij, zegt hij.
Daarna komt W.’s goede vriend Tom B. (31) in beeld. B. heeft vandaag, gestoken in een donkerblauw pak, ook plaatsgenomen in het verdachtenbankje. Hij stond op een Uber te wachten toen de consternatie bij de trap begon. Op de beelden zie je hem, getooid in een donkere jas, naar het rumoer toelopen. Even later zie je dat hij een flinke rechtse uitdeelt aan de twintiger waarmee W. de ‘aanvaring’ had – daar is B. heel eerlijk over.
Maar volgens B. begon het slachtoffer met slaan, wat op de beelden niet goed te zien is. „Ik liep erheen om de boel te sussen, maar voor ik het wist kreeg ik een klap in mijn gezicht.”
Zoiets, zegt hij, had hij nooit eerder meegemaakt en hij schrok dan ook enorm. „Ik had meteen weg moeten lopen. Op een maandagochtend had ik waarschijnlijk heel anders gereageerd.”
Kort daarna verdwijnen Jasper W. en Tom B. uit beeld. Die laatste: „Zijn vrienden hebben zich om hem [de twintiger] bekommerd.”
Al met al is het een ingewikkelde zaak, omdat het slachtoffer zich de avond niet meer herinnert, maar de gebeurtenis wel nog steeds voelt. Hij rent lange afstanden, maar door die nacht kon hij daar niet op hetzelfde niveau mee doorgaan. „De mishandeling heeft mijn leven veranderd”, zegt hij. „Maandenlang was ik ongelukkig, somber en negatief.” Hij heeft nog steeds veel pijn. „Elke stap voel ik in mijn enkel.” Zijn advocaat vraagt om een schadevergoeding.
Wat zou een gevangenisstraf voor de verdachten betekenen, wil de officier van justitie weten. Voor W. onder meer dat zijn carrière als padelspeler zou ophouden, dat hij zijn huurhuis op zou moeten zeggen. „Gevangenisstraf zou desastreus zijn”, zegt Tom B. Zijn leven is nu „goed”. Een baan als financieel adviseur, een koophuis waarin hij samen met twee katten woont. Een veroordeling zou alles op z’n kop kunnen zetten.
De officier verdenkt Jasper W. en Tom B. van het plegen van „openlijk geweld”. „Geweld dat samen wordt gepleegd, onder het toeziend oog van anderen.” Omdat Jasper W. in 2021 ook al eens is veroordeeld voor openlijk geweld, eist ze tegen hem een gevangenisstraf van een maand, waarvan twee weken voorwaardelijk. Daarbovenop wil ze een taakstraf van honderdvijftig uur. Omdat Tom B. een blanco strafblad heeft, eist ze tegen hem een taakstraf van twee weken en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken – die moet hij uitzitten als hij opnieuw de fout in gaat.
De officier van justitie noemt wat die nacht in Amsterdam is gebeurd „het zoveelste voorbeeld” van excessief uitgaansgeweld. „Ogenschijnlijk normale jongens die door het lint gaan met te veel alcohol op. Aan verdachten en de maatschappij moet het signaal worden afgegeven dat dit niet wordt getolereerd.”
De politierechter kijkt naar de verdachten. „Wat ik ga zeggen gaat ú leuk vinden.” Haar blik verschuift naar het slachtoffer. „En u niet.” Ze vindt dat openlijke geweldpleging niet bewezen kan worden.
„Wat nodig is voor een bewezen verklaring, is dat de verdachten in vereniging geweld hebben gepleegd. En dat met opzet deden. Maar ik kan niet vaststellen dat op de trap is geduwd en ik kan niet zien dat beide verdachten bezig waren met belagen. We kunnen vaststellen dat een flinke klap is gegeven door de heer B., maar voor een veroordeling van openlijke geweldpleging heb ik meer nodig. Daarom spreek ik u beiden vrij.”
De twee hoeven ook geen schadevergoeding te betalen.
Naasten van het slachtoffer die achter in de rechtszaal zitten, maken afkeurende geluiden. Een van hen klapt in zijn handen. „Welkom in Nederland”, roept hij.
In deze rubriek beschrijven verslaggevers elke week een rechtszaak.
Source: NRC