Bij elk lichtpuntje denken progessieven dat de ‘golf’ van het populisme nu echt voorbij is, en bij elke tegenvaller dat de autocratie gewonnen heeft. In werkelijkheid zitten we vast in een ideologische loopgravenoorlog tussen twee grote, stevige politieke kampen.
Recente berichten uit Oost-Europa stemmen hoopvol wat betreft de liberale democratie. In Hongarije trotseerde de grootste Gay Pride-parade die het land ooit had gezien het verbod dat de autoritaire leider, premier Viktor Orbán, had uitgevaardigd. In het naburige Servië houden de massale studentenprotesten tegen Orbáns bondgenoot, president Aleksandar Vučić, aan.
Voorzichtigheid blijft echter geboden. Binnen hetzelfde Oost-Europa zijn er net zo betekenisvolle tekenen van democratisch verval. Neem Polen, waar de overwinning van de extreemrechtse Karol Nawrocki in de presidentsverkiezingen van afgelopen juni de hoop op echte democratische vernieuwing de kop heeft ingedrukt.
Over de auteur
Maciej Kisilowski is universitair hoofddocent Recht en Strategie aan de Central European University. Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Hoe moeten we deze tegenstrijdigheden duiden? Commentatoren verschaffen weinig duidelijkheid, heen en weer geslingerd tussen triomfalisme en fatalisme. Zo zag historicus Timothy Snyder in de protesten in Servië ‘nieuwe hoop voor democratisering’, duidde filosoof Slavoj Žižek ze als een poging om ‘de omstandigheden te scheppen voor nieuw beleid’ en omschreef Nicu Ștefănuță – een van de vicevoorzitters van het Europees parlement – de Pride in Boedapest als iets wat ging ‘over wat voor Europa we willen bouwen en beschermen’.
Toch, wat betreft Polen kwam socioloog Krzysztof Katkowski in Jacobin met de volgende typische reactie: de overwinning van Nawrocki wijst op een ‘diepere crisis binnen de liberale orde van na 1989 (…) die steeds verder wordt ondermijnd door radicale alternatieven’.
Al deze commentaren duiden op zich staande gebeurtenissen als tekenen van bredere trends van ons collectief verlangen naar een verbindend verhaal dat het huidige politieke moment verklaart. Progressieven kijken natuurlijk reikhalzend uit naar elke aanwijzing dat de populistische ‘golf’ aan het terugtrekken is, want ze houden vast aan de progressieve hoop dat de boog van de geschiedenis richting gerechtigheid buigt.
Wanneer de feiten echter dit optimistische verhaal onderuithalen, zijn deze liberalen snel geneigd tot wanhoop over hun democratieën die aan de rand van de afgrond zouden staan. De redenen daarvoor zijn gewoonlijk het feit dat elites onbekwaam zijn gebleken en dat grote delen van het electoraat gemanipuleerd zijn of zich hebben laten kennen als ‘sneue types’.
Toch vangen noch triomfalisme, noch fatalisme de werkelijke dynamiek. Een zorgvuldiger analyse laat zien dat de boog van de geschiedenis helemaal nergens naartoe buigt; hij zit vast. We zitten vast in een ideologische loopgravenoorlog tussen twee grote, stevige politieke kampen. In land na land vormt de machtsbasis van liberale democratische politiek evengoed wat geleerden het ‘reservoir’ aan steun voor autoritair rechts hebben genoemd.
In landen als Polen is dit beleid van uitputting al tientallen jaren aan de gang. Als de liberale burgemeester van Warschau Rafal Trzaskowski de presidentsverkiezingen had gewonnen, zou hij het meest progressieve staatshoofd van Polen zijn geworden sinds 1989. In plaats daarvan hebben de Polen de meest conservatieve president in hun postcommunistische geschiedenis gekregen.
Dit is niet alleen maar ‘polarisatie’, want die term impliceert symmetrisch extremisme. Het echte probleem ligt erin dat het platform van rechts – dat daadwerkelijk veel steun onder het volk geniet – vaak verontrustend irrationeel is: meer winning van fossiele brandstoffen terwijl er een klimaatramp dreigt; anti-vaccinatieretoriek ten tijde van pandemieën; anti-immigratiehysterie terwijl de bevolking afneemt; economisch isolationisme (bijvoorbeeld Brexit) als reactie op toenemende wereldwijde concurrentie. Progressieven hebben er moeite mee om zich niet stevig tegen deze ideeën te verzetten, zelfs als dat de ideologische kloof vergroot.
Als we kijken naar wat alle optimistische verhaallijnen gemeen hebben, is het dat ze opduiken in landen waar autoritaire leiders er aantoonbaar niet in zijn geslaagd om iets voor de bevolking te bereiken. Een uitkomst die je kunt verwachten bij een politieke beweging waarvan de fundamentele overtuigingen geen logische samenhang vertonen.
Hongarije is een goed voorbeeld. Het land wordt geplaagd door stagflatie omdat private investeerders geen vertrouwen hebben in een systeem dat praktisch geen onafhankelijke instellingen duldt. Ondanks het stimuleren van pro-geboortebeleid is het geboortecijfer gekelderd tot een niveau dat lager ligt dan dat in veel van de West-Europese landen die door Orbán zo geminacht worden.
Ook Servië voelt zich steeds meer uit de pas lopen met zijn buurlanden Kroatië en Slovenië – allebei lid van de Europese Unie en van de eurozone. De autoritaire Servische regering heeft haar beloften niet kunnen waarmaken en het land lijdt nu onder hoge werkeloosheid (vooral onder jongeren), wijdverbreide corruptie en logge staatsbemoeienis.
Tot voor kort hebben politieke leiders voornamelijk gereageerd op populisme met de belofte van een terugkeer naar de oude liberale consensus. Zulke strategieën, geworteld in het binaire narratief van liberale triomf of ondergang, schieten echter overal tekort – van Polen en het Verenigd Koninkrijk tot de Verenigde Staten onder Joe Biden.
In deze context is met name Hongarije interessant geworden omdat er daar een nieuwe oppositieleider is met een andere boodschap. Twee jaar geleden was Péter Magyar nog een insider van het regime, net gescheiden van Orbáns minister van Justitie. Na een reeks schandalen rond zijn ex-echtgenote besloot hij echter tot de oprichting van wat inmiddels een buitengewoon populaire oppositiebeweging is.
Hoewel Magyar heeft gebroken met Orbáns autoritaire ‘maffiastaat’, hangt hij nog steeds veel van de conservatieve waarden aan waar Orbán voor staat. Hij was dan ook opzichtig afwezig bij de Boedapest Pride en gaf alleen als sarcastisch commentaar dat Orbán ‘de koning van de Pride in Europa’ was omdat hij het verbod had uitgevaardigd dat juist tot een massale opkomst had geleid. Dat was een strategische keuze. Hoewel de opkomst indrukwekkend was, vertegenwoordigen de 200 duizend deelnemers nog geen 4 procent van het Hongaarse electoraat en toonde een recente opiniepeiling aan dat 47 procent van de Hongaren – waarvan 53 procent zwevende kiezers – tegen de optocht was.
Mocht Magyar volgend jaar de algemene verkiezingen winnen, dan zal zijn beleid waarschijnlijk meer gemeen hebben met dat van de populistische premier van Italië Giorgia Meloni dan met dat van tobbende liberale leiders als de Britse premier Keir Starmer of de Poolse premier Donald Tusk. Zo worden we wellicht getuigen van de opkomst van een ‘extreemrechtse elite’. De exponenten daarvan zullen wellicht proberen om de meest schadelijke geopolitieke, economische en milieueffecten van populistisch beleid zoveel mogelijk te beperken, terwijl ze nog steeds op geloofwaardige wijze tegemoet blijven komen aan de diepgewortelde eigen-volk-eerst en anti-intellectuele sentimenten van de hedendaagse conservatieve kiezer.
Als er al een uitweg is uit deze democratische patstelling, zal die waarschijnlijk niet voortkomen uit een beslissende overwinning van hetzij het liberale, hetzij het autoritaire kamp. In plaats daarvan zou het resultaat een ongemakkelijke wapenstilstand kunnen zijn – een poging om de ideologische loopgravenoorlog te ‘bevriezen’ door evenwichtig tegemoet te komen aan de eisen van beide zijden.
Copyright: Project Syndicate, 2025
Vertaling: Leo Reijnen
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant