Home

Demonstraties, arrestaties, angst en stress: een jaar aan de Columbia-universiteit onder president Trump

Noëlle de Leeuw studeerde journalistiek aan Columbia in New York. Haar droomstudie – totdat Donald Trump werd verkozen tot president van de Verenigde Staten en Columbia een politiek slagveld werd. Een verslag van een bewogen studiejaar.

Het was een donderdagochtend, in de eerste week van maart. In haar handen had mijn hoogleraar een brief die ze eerder die dag had ontvangen. ‘Ik wil dat jullie dit allemaal opschrijven’, zei ze.

En ze las voor: als je op de campus een interactie hebt met agenten van ICE, de Amerikaanse politiedienst die immigratie handhaaft, dan moet je naar legitimatie vragen. Willen ze toegang tot een gebouw? Het antwoord is nee. Je laat nooit een ICE-agent naar binnen. In plaats daarvan vraag je ze te wachten, terwijl je Public Safety belt, een interne beveiligingsdienst die altijd op de campus aanwezig is. Je vertelt de agenten dat je niet bevoegd bent om iemand toegang te verlenen tot welk gebouw dan ook. Je bent niet verplicht een dagvaarding aan te nemen; je vertegenwoordigt de universiteit niet. Je bent slechts een student.

Ik was in augustus 2024 naar New York vertrokken voor een masteropleiding aan de School voor Journalistiek van de Columbia-universiteit. In mijn zak had ik een visum en meerdere studiebeurzen, in mijn hoofd romantische fantasieën over dagen die ik schrijvend zou doorbrengen aan de Upper West Side, dartelend van deadline naar deadline in een cafeïnedelirium.

Noëlle de Leeuw is – net afgestudeerd! – schrijver en journalist. Ze schreef eerder voor onder andere De Groene Amsterdammer, Het Parool, The New York Times en The Washington Post.

Natuurlijk wist ik wat voor tijd Columbia achter de rug had. Na maandenlange onrust hadden pro-Palestijnse studentenactivisten in april een tentenkamp opgezet op het grasveld op de campus. De president van de universiteit, Minouche Shafik, belde de politie. De boel escaleerde. Meer dan honderd studenten werden gearresteerd, en twee weken lang was de campus een broedplek van activisme en protest.

Het waaide over naar Amsterdam, waar ik vanuit het kantoor waar ik werkte – aan de Amstel, achter het Rembrandtplein – de commotie en sirenes vanuit de Oudemanhuispoort hoorde.

Dus ik wist wat er speelde. De eerste lesdag in New York – na de introductiedagen, de informatiesessies en de voorstelrondjes – ging meteen gepaard met de eerste demonstratie. Rode verf droop langs Alma Mater, het symbolische standbeeld op de trappen voor de Low Library. Een medewerker met een hogedrukspuit volgde, en het was bijna alsof er niks was gebeurd.

Met de gebeurtenissen van afgelopen lente op het netvlies probeerde het bestuur een balans te vinden tussen demonstratievrijheid en het beperken van ontwrichting. Studenten binnen de hekken, activisten buiten de hekken. Borden, pamfletten en protestleuzen – protest vormde het decor van het academische wereldtoneel.

Aan weerszijden van Columbia waren de hekken gesloten; in witte tenten zagen beveiligers er 24 uur per dag op toe dat onbevoegden de campus niet betraden. De kersverse interim-president, Katrina Armstrong, die was aangesteld nadat Shafik op 14 augustus haar ontslag had aangekondigd, liet ons in een mail weten dat het ‘een kwestie van weken, niet maanden’ zou zijn voordat de campus weer volledig open en toegankelijk zou zijn.

Gedurende mijn volledige studie zat de campus van Columbia op slot.

Blauwe bubbel

Als je denkt dat New York een blauwe bubbel is, dan ken je de Upper West Side nog niet. Ik woonde in postcodegebied 10025, nét onder Columbia. Het is de buurt met de meeste Democratische donateurs van de hele stad. De partij had zich aan het einde van de zomer achter Kamala Harris geschaard, en voorzichtig ging er hoopvol optimisme rond in 10025. De campagnes waren in volle gang, even leek het nek-aan-nek te gaan, en ik volgde het op de voet.

Langzaam sijpelde de hoop weg, de sfeer in 10025 sloeg om naar wanhoop en paniek. Op de dag van de verkiezingen belandde ik ’s avonds laat halsoverkop op Times Square. Op van de zenuwen liep ik om een uur of elf over het plein, een laptoptas om mijn schouder en een camera om mijn nek. Op de billboards om me heen flitsten de verkiezingsuitslagen voorbij, één voor één kleurden de staten rood.

Maar ook de straten: naast de horden toeristen en de Elmo-pakken zag ik overal feestvierende mensen met rode Maga-petjes.

Even na middernacht kwam ik uitgeput thuis. En ik werd wakker met president elect Donald Trump.

Vlak voordat ik naar Amsterdam ging voor de feestdagen, raadde een van mijn hoogleraren mij en mijn internationale medestudenten aan om voor de inauguratie weer in het land te zijn. Want je wist maar nooit.

Angstaanjagend en krankzinnig

In januari was ik op onderzoeksreis voor mijn scriptie in een klein plaatsje in New Mexico. Ik stapte in de auto om mijn reis terug naar New York te beginnen, toen Trump, met één hand op de Bijbel, de ambtseed aflegde. Sinds die dag flitst het nieuws in sneltreinvaart langs. Er ging een streep door alles wat naar diversiteit rook, cultuur, en de publieke mediaomroepen. De banden met Europa stonden onder spanning, om nog maar te zwijgen van Oekraïne. Elke dag was er breaking news, groter, angstaanjagender en krankzinniger dan de dag ervoor.

En het hoger onderwijs lag onder vuur. In februari begon het ministerie van Justitie een onderzoek naar de Columbia-universiteit, nadat Trump had beloofd antisemitisme hard aan te pakken. De president van de VS ging achter het hoger onderwijs aan, met Columbia als eerste en grootste doelwit.

Ondertussen zag ik op sociale media dagelijks beelden uit Gaza. Bloed en vernietiging, levenloze kinderlichaampjes en ouders die schreeuwden van verdriet. Ik scrolde erlangs, tussen de plaatjes van brunch, lachende vrienden en kopjes koffie. En het protest op Columbia woekerde door.

Mijn master duurde slechts één studiejaar, wat betekent dat er geen tijd was om op adem te komen. De artikelen moesten gewoon worden geschreven, de deadlines gehaald, de honderden pagina’s per week gelezen.

Zo zat ik op woensdag 5 maart in de Butler Library, de universiteitsbibliotheek, aan mijn scriptie te werken. Aan de overkant van de straat, aan Barnard College, een college van Columbia, liepen de gemoederen al een week lang hoog op. Ook vandaag werd er gedemonstreerd. Terwijl ik achter mijn laptop probeerde de woorden tot zinnen te maken en de zinnen tot alinea’s, bleef mijn telefoon maar trillen. Er was een bommelding op Barnard.

Ik zat er praktisch tegenover, ongeroerd achter mijn laptop, en niemand van het bestuur van de universiteit had alarm geslagen. Geen mailtje, geen omroep, geen evacuatie.

‘Ik zit op een campus met een actieve bommelding’, appte ik stoïcijns naar een studiegenoot, ‘en ik weet er niet eens wat van af.’ Ik voelde dat er iets niet klopte.

Wat aan de hand bleek te zijn, was dat pro-Palestijnse demonstranten eerder op de dag een gebouw hadden bezet. Na een paar uur had het bestuur van Barnard geroepen dat er een bom ter plaatse was, in een poging angst te zaaien en zodoende het terrein te ontdoen van activisten. De NYPD kon komen veldruimen. Negen studenten werden gearresteerd. Er was nooit een bom aanwezig geweest.

In die eerste week van maart leek het einde zoek. Columbia dreigde zijn overheidssubsidie te verliezen. De psychologen op de campus draaiden overuren. Tijdens de les maakte een van mijn hoogleraren een politieke opmerking die andersgezinden – Trump? het bestuur van Columbia? – misschien liever niet zouden willen horen.

Hij keek ludiek om zich heen, alsof hij op zoek was naar verborgen microfoons die de lessen zouden afluisteren.

Mijn familie riep me op naar huis te komen. ‘Maak je studie af en maak dat je wegkomt’, werd me verteld, bang voor wat er onder deze overheid kon gebeuren met een buitenlandse journalist.

Die vrijdag, op 7 maart, trok Trump de federale subsidie aan Columbia in, 400 miljoen dollar. De vermeende reden was dat de universiteit er niet in slaagde Joodse studenten te beschermen. Het hek was van de dam, voor zover dat niet al zo was, en het bestuur van Columbia was in paniek. Niemand kon zeggen wat er precies zou sneuvelen door deze klap.

Het zou ten koste gaan van medisch onderzoek, riep de een. Daar gaan de studiebeurzen, riep de ander. Niemand weet het, zei men, maar onderzoek naar kinderziekten was hoe dan ook de pineut. Ik liet het even voor wat het was – ik had die avond een deadline, en probeerde door te tikken.

Verslagen

De volgende dag was ik doodop. Vroeg in de ochtend was ik onderweg naar Chelsea, een hoogleraar had ons thuis uitgenodigd voor een brunch, waarna we de kunstgalerieën in de buurt zouden afstruinen.

Afwezig keek ik om me heen in dit appartement, elke muur bezaaid met boeken. Ik nam nog maar een kop koffie. Terwijl we de laatste happen van onze gebakjes namen, vertelde iemand dat ICE gisteravond voor de deur van studentenwoningen had gestaan, op zoek naar internationale studenten.

Ik voelde me verslagen. De avond ervoor, om elf uur, had ik de instructies van wat te doen bij ICE nog in mijn telefoon gezet, voor het geval dat. Ik slenterde door de straten van Chelsea, naast een studiegenoot uit Oekraïne. Het was koud op straat.

‘Het lijkt Rusland wel’, zei ze tegen me.

Ik sloeg mijn handen voor mijn gezicht. Toen ik ze weghaalde, zag ze dat de tranen op m’n wangen stonden. Ze sloeg een arm om me heen. ‘Hier’, zei ze, terwijl ze haar kartonnen beker aanbood, ‘neem nog een slok koffie.’

Die avond was het raak. Een Columbia-student werd opgepakt door ICE. De student was in een studentenwoning van Columbia, en zou uit zijn appartement zijn gesleurd door de immigratiedienst.

In de dagen erna werd het duidelijk dat het om Mahmoud Khalil ging, een onlangs afgestudeerde masterstudent met een greencard. Hij was een prominent gezicht tijdens de protesten van een jaar eerder. Niemand wist waar Khalil heen was gebracht, zelfs zijn eigen advocaten konden hem niet bereiken. Trump kondigde aan dat vele soortgelijke arrestaties zouden volgen.

Kleine stukjes van het verhaal kwamen beetje bij beetje naar buiten. Hij had een vrouw, die acht maanden zwanger was. Ze probeerde hem op te zoeken in New Jersey, maar daar was hij niet. Hij zat in een detentiecentrum in Louisiana. Hij zou worden gedeporteerd.

Bescherming

De dinsdag erna was de buurt, de stad, het land in rep en roer om de arrestatie van Khalil. Zo’n duizend demonstranten hielden een mars naar Union Square; op Columbia brandde het protest los. Ik bleef die dag op de campus, waar de School voor Journalistiek een bijeenkomst had georganiseerd. Angst hing in de lucht toen de studenten zich verzamelden in de Pulitzer Hall. De decaan van de school, Jelani Cobb, en een pleitbezorger van het Eerste Amendement stonden klaar om de situatie nader toe te lichten, ons van instructies en advies te voorzien, en onze vragen te beantwoorden.

Ik schreef over kunst en cultuur, had nooit over de demonstraties geschreven en had zelden politieke berichten op sociale media geplaatst. Ik kon nooit een doelwit zijn, toch? Maar ik was omgeven door politiek verslaggevers, een deel van hen uit het Midden-Oosten, die een digitaal kruimelspoor achterlieten van protestverslaggeving en politieke statements.

Sommige studenten waren er niet bij in de Pulitzer Hall. Ze vonden het eng en volgden de bijeenkomst via de telefoon. Een student stond op. Hij had een vraag van een bevriende studiegenoot die vanuit huis meeluisterde. Hij las het bericht op van zijn telefoon: ‘Wat doen jullie om mij te beschermen?’

De vraag echode door de zaal. Jelani Cobb stapte naar voren en boog zich over de katheder. ‘Níémand kan je beschermen’, riep Cobb.

Hij verhief zijn stem, alsof hij ineens volledig van het script afweek: ‘Dit zijn gevaarlijke tijden. Dit is een gevaarlijk beroep. Elk jaar komen we als journalisten samen, en elk jaar zijn we een aantal collega’s verloren.’

Cobb stond achter zijn studenten, altijd en volledig, maar ook aan wat de School voor Journalistiek voor zijn studenten kon doen zat een limiet. Dit was groter dan de Columbia-universiteit. Dit was Washington, dit was de regering-Trump, en die hield zich niet in.

Vluchten

De volgende dag stond Columbia groot op de digitale voorpagina van The New York Times, met een artikel waarin de bijeenkomst van de dag ervoor werd beschreven. Alsof het nieuws was dat zich ver weg afspeelde, las ik mijn eigen ervaringen terug.

Ik had altijd verhalen gehoord van New Yorkers die zo nu en dan de stad moesten ontvluchten; aan de chaos ontsnappen en de rust omarmen. Die vrijdag begon spring break – een week vrij – en wij probeerden niet aan New York te ontsnappen, maar aan Columbia. We moesten daar weg.

Om half negen ’s ochtends verzamelde mijn vriendengroep zich voor de hekken. Een helikopter cirkelde boven de campus, aan de overkant van de straat stond de pers al klaar, en later die dag zouden op deze plek meer dan honderd demonstranten staan.

Wij namen de benen en reden naar de natuur van Maine. Tussen het schrijven door gingen we hiken in de natuur. We kookten samen, keken The White Lotus op de bank en dansten de avonden weg. We hadden het allemaal nodig.

En ondertussen publiceerde de regering-Trump een lijst met eisen waar Columbia aan moest voldoen om de subsidie terug te krijgen. Diezelfde dag vluchtte een PhD-kandidaat aan Columbia het land uit; ze deporteerde zichzelf voordat ICE het kon doen. Het ministerie van Justitie kondigde aan te onderzoeken of Columbia-studenten terroristen waren.

Eenmaal terug in New York was ik met drie andere Columbia-studenten aan het bijkletsen tijdens de lunch, toen een van hen haar telefoon erbij pakte. We hadden mail van Katrina Armstrong, de interim-president. Terwijl ze de e-mail las, keken we muisstil naar haar gezicht. We vingen flarden op terwijl ze de tekst scande, bij elk stukje nieuwe informatie ging een golf aan afkeuring over tafel. Columbia had zich overgegeven aan Trump.

Het duurde dagen voordat ik elke letter met eigen ogen had gelezen, alsof ik het nog even op afstand hield. De overgave hield onder andere in dat de wetenschappen van het Midden-Oosten, Zuid-Azië en Afrika onder toezicht werden geplaatst. Ook zouden er 36 ‘speciale agenten’ worden aangesteld op de campus, die de bevoegdheid hadden studenten te verwijderen dan wel te arresteren. Iedereen binnen de hekken noemde het beestje echter bij de naam: ICE-agenten.

Een week later gooide ook Katrina Armstrong de handdoek in de ring. Een nieuwe interim-president werd aangesteld: Claire Shipman.

Misselijkmakend

‘Hoe is het in New York, No?’, appte een vriendin in Nederland. ‘Heb je nog veel van Trump gemerkt daar?’

Tja. Wat zeg je dan? Dat had ik vaker met vrienden die me vroegen naar m’n New Yorkse avontuur. Hoe leg je in een appje uit met wat voor crisis Columbia te maken had? Dat Palestijnse medestudenten wekenlang niet op de campus waren geweest uit angst voor de aanwezige ICE-agenten? Dat de demonstranten zich buiten aan de hekken ketenden?

Halverwege april werd een tweede Columbia-student gegrepen door ICE. Mohsen Mahdawi, een Palestijnse studentenactivist, werd zonder arrestatiebevel opgepakt. Nog meer olie op het vuur. Iedereen was al woedend dat Mahmoud Khalil niet bij de geboorte van zijn zoon mocht zijn; dat hij nooit enige steun van zijn universiteit had ontvangen.

Aan het einde van de maand werd Mohsen Mahdawi, na twee weken opgesloten te hebben gezeten in een detentiecentrum in Vermont, vrijgelaten op borgtocht. Bij zijn vrijlating stak hij zijn armen in de lucht, twee vingers aan elke hand omhoog voor de vrede.

In de eerste week van mei had ik griep. Op de zesde verdieping van de Butler Library werkte ik naar de laatste deadlines toe, toen mijn misselijkheid de overhand nam. Ik ga naar huis, dacht ik. Ik printte nog snel wat, om het op de derde verdieping vast te nieten.

De derde verdieping is de voornaamste, meest imposante verdieping van Butler, met een studieruimte met royale kroonluchters. Ik stapte uit de lift, toen Public Safety schreeuwde het gebouw te verlaten. De beveiligers barricadeerden de doorgang met fauteuils, en ik hoorde gebons en geschreeuw uit de studieruimte komen. Beroerd liep ik naar beneden in de stroom medestudenten, maar vroeg bij de hoofdingang toch nog even wat er precies aan de hand was. ‘Er is een protest op de derde verdieping’, zei de beveiliger. Ik wurmde mezelf door horden studenten bij de ingang, die hun spullen hadden achtergelaten en niet meer naar binnen mochten.

Vanuit huis volgde ik hoe de middag en avond zich ontwikkelden. Er gingen filmpjes rond van beveiligers die de studentenactivisten hardhandig tegen de grond duwden. Later op de dag belde Claire Shipman de politie. Zo’n tachtig demonstranten werden gearresteerd. Meer dan 65 studenten werden geschorst.

Een gevoel van overwinning

We zaten in de laatste weken van het studiejaar. Op een maandagmiddag keek ik vanuit een kleine, idyllische bibliotheek uit over de campus: groen, in volle bloei, een warme gloed van de lente. Ik liep naar buiten en liet de zon op m’n gezicht vallen.

Met de meeste lessen van het jaar inmiddels achter de rug was het rustig op de campus. Er was weinig studentenverkeer, niemand demonstreerde. Het was vredig, bijna onherkenbaar, en het zag er prachtig uit.

In een lichtblauwe toga liep ik op woensdag 21 mei richting campus. Het was de dag van de afstudeerceremonie. De lucht was een ongastvrije tint donkergrijs, en later in de ochtend zouden honderden demonstranten zich verzamelen buiten de hekken; alumni verbrandden hun diploma’s op straat.

Maar om half negen ’s ochtends hing er ietwat zenuwachtige vreugde in de lucht tussen de duizenden afgestudeerden die zich langzaam richting een zijingang bewogen. Toen ik mezelf eenmaal in de slordige rij had gemanoeuvreerd, zag ik naast me een gezicht dat ik vaak had gezien – in het nieuws, op protestpamfletten, op sociale media: Mohsen Mahdawi.

Hij had een lach van oor tot oor, vol enthousiasme over de grandeur van de ceremonie. Misschien was het ook het gevoel van overwinning dat hij het met eigen ogen kon zien. Zijn optimisme was aanstekelijk.

‘Was je hier vorig jaar’, vroeg Mahdawi, ‘tijdens het protestkamp?’

Nee, dat was voor mijn tijd, legde ik uit.

‘Wat daar gebeurde’, zei Mahdawi, ‘dat was moed. Dat was hóóp.’

Ik keek hem aan. Hij kon hier zijn vandaag, in een stropdas die bij zijn blauwe toga kleurde, op vrije voeten. Hij vertelde dat hij volgend jaar zijn master gaat doen, gewoon aan Columbia, met een focus op conflictbemiddeling. Een moment later scheidden onze wegen zich, bij de beveiligingscontrole bij de ingang. Ik opende mijn tas. De inhoud werd geïnspecteerd. En Mohsen Mahdawi, met een opgeheven hoofd en een rechte rug, liep door de hekken van Columbia.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next