Er lag werk, want als zzp’er heb ik nooit vakantie (vooral niet als anderen dat wel hebben), maar ik deed niets en vierde de zomer.
Ik ging naar een camping aan de kust waar een van mijn vriendinnen elk jaar een paar weken leeft. Onder stadsgenoten is het een bekende plek, iedereen kent wel iemand die er staat en gaat er graag op bezoek. Zelf was ik daar nog nooit geweest, niet omdat ik iets tegen campings heb, maar ik werd niet eerder uitgenodigd. Toch was ik nieuwsgierig, en voelde ik me enigszins buitengesloten. Het is voor mij als groepsmens onprettig dat er groepjes bestaan waar ik niet bijhoor.
Vanaf het station reed de hele zomer een gratis bus naar het strand, die ook stopte bij de camping. Door mijn nerveuze aard had ik moeite met het concept ‘gratis bus’ (wat is er eigenlijk ooit écht gratis?) dus hield ik mijn ov-kaart in mijn hand, maar er bleek inderdaad geen apparaat te zijn om hem in te steken. Ter compensatie begroette ik de chauffeur extra vriendelijk, maar die leek daar niet gevoelig voor.
Het was slechts een kort ritje. Ik bedankte de chauffeur nog maar eens, en stapte uit de bus.
Langzaam liep ik in de richting waar ik de camping vermoedde en snoof de kruidige bosgeur op. Dat het in de stad stinkt is me nooit opgevallen, maar hier was ademen een genot.
De vriendin kwam me halen bij de receptie. We dronken koffie aan een lange tafel voor haar vierkante jarenzeventigcaravan. Haar kampeerplek zag er gezellig uit, met lichtjes, kussens en dingetjes. Daarna gaf de vriendin me een rondleiding over de camping, waar ze al twintig jaar kwam.
‘Hier is de fitnessruimte (!) en daar het wc-gebouw’, wees ze.
‘Deze plek was van een lief ouder stel, maar die hebben het uiteindelijk voor veel geld verkocht aan protserige types.’ Er stond inderdaad een glimmend monster van een designcaravan.
Waar je op een camping een winkeltje met hoogstens drie schappen verwacht, bleek hier een enorme super te zijn.
‘Ze verkopen zelfs havermelk.’
Even verderop wees ze somber naar iets wat de Bites Takeway heette: ‘Dat was vroeger een gewone snackbar.’
Op het fraai geletterde bord zag ik dat ze bijvoorbeeld poké bowls verkochten, die vind ik persoonlijk lekkerder dan frikandellen, maar ik snapte het sentiment.
Ze vertelde dat het terrein vroeger van een rijke dame was die het ter beschikking stelde van armlastige stadskneusjes. Thans werd het bevolkt door blakende stedelingen die bulkten van het geld. Het parkeerterrein stond vol Tesla’s. Slechts bij een enkele caravan verraadden mottige tuinkabouters en kanten gordijntjes dat er iemand verbleef van een eerdere lichting.
Gentrificatie is overal, dus ook op campings. En natuurlijk zou het bizar zijn om in deze tijd zo’n prachtige plek te bewaren voor mensen met een klein budget, maar het tegengestelde is al helemaal oneerlijk.
’s Middags gingen we naar het strand. De zon brandde, dus ik legde mijn handdoek neer en rende naar het water, om onmiddellijk terug te keren toen ik vanuit de ongebruikelijk heldere Noordzee werd aangestaard door een blauwe kwal met het formaat van een halve voetbal. Hij had geen ogen, maar ik vond het toch dreigend. Op links kwam een kleinere bruinige kwal aangesjeesd.
‘Waaaah’, gilde ik.
Natuur is eigenlijk te overweldigend voor een stadskneusje zoals ik.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant