Jan Ullrich is de enige Duitser die de Tour de France won. Hij werd in eigen land een superster, maar het heldendom viel hem zwaar. Van doping, alcohol en drugs tot mishandeling van een prostituee: der Jan deed het allemaal. Toch heeft hij nu een eigen museum.
Terwijl vier mannen van middelbare leeftijd aandachtig een racefiets uit 1993 bekijken, probeert een van hen namens de rest uit te leggen dat de tijd echt alle wonden heelt. Ja, zegt Franz Josef Gurski, zélfs als het gaat om de gevallen wielerheld Jan Ullrich, wiens fietsen ze vanmiddag bewonderen.
‘Hij wordt in Duitsland weer gerespecteerd. En dit keer op een normale manier, niet zo gehypet. Weet je, Duitse media hebben Ullrich keihard laten vallen, hebben hem zelfs opgejaagd, nadat ze hem eerder de hemel in hadden geprezen. Of zoals we hier zeggen: himmelhoch jauchzend, zu Tode betrübt.’
Gurski en zijn vrienden komen uit het Ruhrgebied en zijn op fietsvakantie. Vandaag hebben ze ieder 7,50 euro betaald om in het Jan Ullrich Cycling Museum in Bad Dürrheim, een kuuroord tussen het Zwarte Woud en de Schwäbische Alb, de sportieve loopbaan van ‘Ulle’ te herbeleven.
Het museum werd vorig jaar als pop-uptentoonstelling geopend, vooral om te kijken of er wel genoeg aanloop van bezoekers zou zijn. Want wie normaal gesproken naar Bad Dürrheim afreist, doet dat voor het hoogstgelegen zoutwaterbad van Europa, of voor een van de vele gezondheidsklinieken in de stad.
Volgens een woordvoerder van de gemeente zijn er sinds die feestelijke opening op 31 mei ‘duizenden’ bezoekers geweest, veelal enthousiast en van verschillende nationaliteiten. ‘Van Zwitserland tot Nederland, daar zijn we bijzonder tevreden over.’ Voorlopig blijft de tentoonstelling dus gewoon geopend.
De eerste aanblik van het museum is weinig inspirerend. Het bevindt zich in het zalmroze gekleurde cultureel centrum van de stad, ingeklemd tussen de parkeerplaats van het busstation en de Rathausplatz. Ook de openingstijden doen wat karig aan: alleen op vrijdag, zaterdag en zondag gaan de deuren open.
Video wordt geladen...
Maar eenmaal binnen, na over een op de grond geschilderde strook asfalt met aanmoedigingen als Los geht’s te hebben gelopen, kan de wielerfan zijn hart ophalen. In een zaal met houten balken in het hoge plafond staan alle fietsen waarmee Ullrich grote prijzen won fraai uitgelicht op chronologische volgorde, vergezeld van helmen, versleten fietsschoenen, koerspetjes, originele truien en medailles.
En er zijn fietsen met een bijzondere betekenis. Zoals de baanfiets uit 1983 waarmee Ullrich als tiener in Oost-Duitsland reed, een blauw gekleurde stalen Diamant. Of de Panasonic waarmee hij in 1993 trainde, toen hij als 19-jarige het wereldkampioenschap bij de amateurs won en in één klap doorbrak in het internationale wielerpeloton.
Gurski en zijn fietsvrienden kijken met grote ogen naar de zware stalen frames en de allesbehalve aerodynamische vormgeving van het oude materiaal. Dan wijzen ze naar een foto van het Tourpodium van 1997, met een stralende 23-jarige Ullrich op de hoogste trede, geflankeerd door de Fransman Richard Virenque en de Italiaan Marco Pantani.
Het leven van Ullrich zou na die dag in Parijs nooit meer hetzelfde zijn, zijn onthaal in Bonn werd zelfs live uitgezonden op televisie. Duitsland, geen traditioneel wielerland, was geobsedeerd door de gele trui van der Jan.
Nog niet zo lang geleden bezochten de wielerliefhebbers ook het museum van Marco Pantani, in de Italiaanse kustplaats Cesenatico. Gurski: ‘Bijzonder hoor. Net als Ullrich een aan lager wal geraakte held met een eigen museum. Met hem is het een stuk slechter afgelopen.’
Pantani kwam zijn schorsing na een positieve dopingtest in 1999 nooit meer te boven en werd in 2004 dood aangetroffen in een hotelkamer, na een overdosis cocaïne. De winnaar van zowel de Giro d’Italia als de Tour de France van 1998 was pas 34 jaar.
Lange tijd leek het alsof Ullrich hetzelfde lot beschoren was, nadat hij in 2006 niet van start mocht gaan in de Tour de France vanwege zijn betrokkenheid bij de bloeddopingaffaire rond de Spaanse arts Eufemiano Fuentes. Ullrich was 32 jaar oud en veranderde van favoriet voor de eindzege van de Tour in ordinair opgejaagd wild.
Hij bleef in alle toonaarden zwijgen over doping, op advies van zijn advocaten en omdat hij geen verrader wilde zijn. Dat hield hij zes jaar vol, totdat hij in 2012 tegenover het sporttribunaal CAS bekende bloeddoping te hebben gebruikt. Een jaar later sprak hij in een interview met het Duitse tijdschrift Focus nogmaals over het nemen van verboden middelen. Hij had vanaf het begin van zijn carrière te horen gekregen dat talent alleen niet genoeg zou zijn om te winnen, doping hoorde daar simpelweg bij.
Het ontkennen en daarna bekennen van dopinggebruik, met alle gevolgen van dien, bleek een toxische cocktail voor Ullrich. Hij ontspoorde volledig. Soms dronk hij twee flessen whisky op een dag, hij nam cocaïne in grote hoeveelheden, brak onder invloed in bij zijn buren op Mallorca, rookte in één dag naar eigen zeggen ‘als persoonlijke uitdaging’ meer dan zevenhonderd sigaretten. In 2018 werd hij opgepakt vanwege het mishandelen van een prostituee.
Nu is hij 51 jaar, afgekickt en behandeld voor zijn verslavingen. In eigen regie heeft hij uitgebreid gebiecht over al zijn misstappen. Op beeld in de vierdelige documentairereeks Der Gejagte (De opgejaagde) van Amazon Prime uit 2023 en in het boek Himmel, hölle – und zurück ins leben (Hemel, hel – en terug in het leven) uit 2024.
In de Tour de France is hij weer te zien als analist bij Eurosport. Met Rick Zabel, oud-profrenner en zoon van zijn voormalige ploeggenoot Erik Zabel, heeft hij een wekelijkse podcast, Ulle & Rick.
‘Ullrich heeft open en eerlijk over zijn fouten verteld. Ook over het vaderschap, hoe hij daarin tekortschoot, en hoe zwaar hij dat vond. Hij toonde zich heel menselijk, dat heb ik gewaardeerd’, zegt Caecilia Wegner. Ze is vandaag in het museum met haar man en haar zoontje, dat vooral interesse heeft in alles wat glimt in de enorme prijzenkast. Favoriet lijkt de bokaal met een gouden Coca-Cola-fles, die Ullrich kreeg na zijn winst in de afsluitende tijdrit in Saint-Etienne in de voor hem levensveranderende Tour van 1997.
Wegner was 15 toen Ullrich, lang, rossig en met die ene zilveren ring in zijn linkeroor, die Tour won. Ze lacht om de herinnering. ‘Hij was mijn jeugdidool!’ De teleurstelling over zijn dopinggebruik was daarom best flink, moet ze toegeven. ‘Inmiddels weten we dat bijna iedereen toen doping gebruikte.’
De verhalen over alle misdragingen raakten haar evenzo. Maar Ullrich bleef en blijft haar fascineren. ‘Niet vanwege die sensatieverhalen. Maar om de sportman die hij was. En door zijn verhaal. Een jongen uit Oost-Duitsland, opgegroeid in een eenvoudig gezin, die op jonge leeftijd een ster werd. Dat sprak me erg aan.’
Op verschillende muren in het museum kijkt een jonge Ullrich vanaf zwart-witfoto’s onschuldig de ruimte in. Vanaf een uitvergrote pasfoto, of wanneer hij weer eens als winnaar gehuldigd werd in een jeugdcategorie. Ullrich was klein voor zijn leeftijd, een spriet in vergelijking met zijn tegenstanders. Alleen met zijn talent stak hij boven de anderen uit.
Video wordt geladen...
Samen met zijn broers Stefan en Thomas groeide hij op in Rostock, toen nog onderdeel van de DDR. Zijn moeder stond er alleen voor, zijn vader had het gezin verlaten toen de broers nog jong waren. Fietsen was belangrijker dan wat dan ook, dus toen Jan net als zijn broer Stefan naar een Kinder- und Jugendsportschule in Berlijn mocht, stapte hij meteen bij zijn moeder in de Trabant.
Bij sportvereniging Dynamo Berlin werden zijn talenten als renner verder ontwikkeld volgens DDR-regime. De drie ergometers die staan opgesteld in het museum, waarmee de waardes van Ullrich en zijn klasgenoten werden gemeten, herinneren met hun spartaanse uiterlijk aan een sobere tijd.
Benny Wunderle, samen met zijn partner in wielertenue gestoken omdat ze na hun bezoek aan het museum zelf een toertocht gaan maken, kan zich ‘een beetje’ voorstellen dat Ullrich na zijn gedwongen vertrek uit de wielersport in een diep dal terechtkwam.
‘Je hele kindertijd doe je niets anders dan fietsen, je gaat niet eens naar een normale school, en vervolgens word je profrenner. Je kent en weet niets anders dan de fiets. En dan stopt het ineens. Wat doe je dan?’ Zijn vrouw Katja vult aan: ‘En ja, als je dan terugkomt na die ellende te hebben doorstaan, dan is dat een mooi verhaal.’
Maar de echte aantrekkingskracht van Ullrich, die er blijkbaar ondanks alles nog steeds is, zit volgens Wunderle in dat enorme talent van hem. De manier waarop hij met die lange benen met een groot verzet kon blijven malen, maakte indruk. ‘Hij was écht uniek. En ondertussen was hij verlegen, bescheiden. Hij sloeg zichzelf nooit op de borst, zei nooit: ik ga hier eens even winnen.’
Hij knikt naar het beeld uit 2000 aan de muur voor hem, waarop Lance Armstrong in zijn gele trui en Ullrich in zijn Duitse kampioenstrui samen poseren. Het jaar waarin de Duitser als tweede eindigde in de Tour, achter de Amerikaan; het bleek de eerste van in totaal drie keer dat hij zijn meerdere in hem moest erkennen.
‘Ullrich was geen macho zoals Armstrong, of zoals jullie Mathieu van der Poel. Hij zou bij mij in het dorp kunnen wonen, en een vriend van me kunnen zijn.’
In 2021 vertelde Ullrich in de podcast van Armstrong dat hij clean was. En dat de aandacht die zijn voormalige rivaal hem had geschonken toen hij drie jaar daarvoor op de bodem zat, daaraan had meegeholpen. De twee noemen zichzelf tegenwoordig vrienden; toen afgelopen jaar het eerste Jan Ullrich Cycling Festival werd georganiseerd in Bad Dürrheim, was Armstrong dan ook van de partij. De vijfhonderd deelnemers aan de toertocht konden hun geluk niet op en juichten de twee toe.
Tijdens hun wielerloopbaan verschilden ze als dag en nacht. Armstrong was de bijna maniakale perfectionist, Ullrich het soms gemakzuchtige wonderkind. Waar Armstrong zei ook op tweede kerstdag te trainen, ging het bij Ullrich naast de fiets vaak mis. Al op zijn 19de moest hij eens vier weken zijn rijbewijs inleveren, omdat hij met zijn eerste auto te hard had gereden.
Later werd de winter zijn vijand, waarin hij steevast kilo’s aankwam door te veel te eten en te drinken. Omdat hij vond dat hij het verdiend had, of om te ontspannen. Zelfs in de winter voor zijn Tourzege van 1997 was hij veel te zwaar.
Er kwam in 1999 een ‘oppassysteem’ voor Ullrich, waarbij hij 24 uur per dag onder controle stond en gemotiveerd werd door een team van ploegleiders, artsen, en verzorgers.
Het systeem bleek niet waterdicht, zeker niet als zijn knieproblemen opspeelden. In 2002 werd hij in Freiburg aangehouden omdat hij met zijn Porsche een ongeluk had veroorzaakt na een paar flessen wijn te hebben gedronken. Daarnaast testte hij positief op amfetamine, nadat hij in de discotheek een paar pillen had geslikt.
In verschillende interviews zegt hij zelf over die uitspattingen dat het een erfenis lijkt van zijn vader Werner, die een alcoholprobleem had en daarnaast agressief kon zijn. Toen Jan Ullrich als klein kind een tijdje in zijn bed plaste, kreeg hij een keer zo’n harde klap van zijn vader dat hij met zijn hoofd tegen een kast knalde en gehecht moest worden.
Werner Ullrich gaf daarentegen ook zijn sportieve talent door. Net als zijn zoons had hij als kind bij Dynamo Berlin gezeten, maar dan als getalenteerd schaatser. Hij vestigde in zijn jeugd verschillende DDR-records. Toch kwam hij nooit verder dan dat, omdat hij net iets te vaak trainingen miste. De reden? Gebrek aan discipline.
Als renner vond Ullrich alternatieve vaderfiguren, die hem discipline wilden bijbrengen. Trainers Peter Sager en Peter Becker in zijn beginjaren, manager Wolfgang Strohband toen hij prof werd, ploegleider Rudy Pevenage: stuk voor stuk oudere mannen die hem op vaderlijke wijze begeleidden. Ook naar doping, zou later blijken. Zo was de codenaam die dopingarts Fuentes voor Ullrich gebruikte in het dossier Operación Puerto Hijo de Rudicio (Zoon van de kleine Rudy).
Jan Ullrich wilde nooit een held zijn. Dat hij in 1997 van de ene op de andere dag dezelfde status kreeg als tennisser Boris Becker, Formule 1-coureur Michael Schumacher en voetballer Franz Beckenbauer, vond hij maar overdreven.
Zijn omgeving, en eigenlijk heel Duitsland, dacht daar anders over – tot op de dag van vandaag. In koersen wordt zijn naam nog steeds met witte verf op beklimmingen gekalkt door zijn fanclub, de Jan Ullrich Ultras. En ja, dan is er dus al een jaar dit museum, dat de deuren maar open blijft houden.
Michael Stichling heeft net voor zijn gezin toegangskaartjes gekocht. Hij is een van die loyale fans, zegt hij vol trots. ‘Ik was helemaal wild van Jan Ullrich. Nog altijd. In zijn laatste boek vertelt hij over zijn worstelingen, en dat vind ik zo knap. Hoe hij opkrabbelde na die verslavingen is echte strijdlust, dezelfde vechtlust die hij op de fiets had.’
Pas aan het einde van de rondgang langs de carrière van Ullrich zal de familie Stichling een kleine anderhalve meter tentoonstelling zien over dat diepe dal. Inclusief reclame voor de Amazon-docureeks. Niemand die zich hier druk maakt over de ietwat scheve verhoudingen. Stichling verwoordt het als volgt: ‘Ik ben hier om herinneringen op te halen.’
En te delen. Naast hem staan zijn twee dochters. ‘Met een van hen kijk ik sinds dit jaar samen de Tour op tv. Dat vind ik mooi.’
Als Jan Ullrich door zijn eigen museum loopt, voelt dat voor hem bijna als een ‘onwerkelijke ervaring’. ‘En ik voel dankbaarheid. Voor de mensen die me gesteund hebben, de fans die achter me staan, voor het leven zelf. Ik heb een tweede kans gekregen.’
Hoewel hij tijdens zijn loopbaan in het 90 kilometer verderop gelegen Merdingen woonde, is zijn museum te vinden in Bad Dürrheim, waar verschillende keren het Duits kampioenschap op de weg werd georganiseerd. Ullrich won er zelf in 2001. Het museum is volgens Ullrich het bewijs van de onvoorspelbaarheid van het leven. ‘Mijn dromen als kind in Rostock waren simpel: ik wilde gewoon fietsen. Profrenner worden, de Tour de France winnen of zelfs een museum? Dat ging mijn voorstellingsvermogen te boven.’
Dat bezoekers zijn museum weten te vinden, bevestigt dat hij na al die jaren ondanks alles nog steeds populair is. Ullrich: ‘Ik ben niet perfect, dat ben ik nooit geweest. Maar misschien herkennen mensen zich daarin. We worstelen en vallen allemaal weleens. Mijn verhaal laat zien dat je ook weer op kunt staan. En ja, ik ben een vechter, op de fiets en in het leven. Toch is vechten alleen niet genoeg. Je moet soms toegeven dat je zwak bent. Die kracht én die kwetsbaarheid, dat trekt mensen denk ik aan.’
Nu hij 51 is, met een museum bovendien, zijn de doelen voor de tweede helft van zijn leven simpel. ‘Gezond blijven, er voor mijn familie zijn en in balans genieten van het leven. Fietsen zal altijd onderdeel van mij zijn, maar nu wil ik mijn ervaringen delen, iets terugdoen voor de sport. Anderen inspireren nooit op te geven, in de sport of in het leven; als dat lukt, zal ik intens gelukkig zijn.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant