Femicide
Bloemen op de plek in Gouda waar eind juli Joeweela de Gelder werd vermoord door haar ex-partner. Foto Robin Utrecht
Eind juni besteedde de Spaanse krant El País in het hoofdredactioneel commentaar aandacht aan femicide. Uitgebreid werd stilgestaan bij gedetailleerde data die hierover door de Spaanse overheid worden verzameld en de resultaten van wetenschappelijk onderzoek over femicides in Spanje. Sinds de invoering van de wet ter bestrijding en voorkoming van partnergeweld tegen vrouwen in 2004, besteden Spaanse media continu aandacht aan dit fenomeen.
Ellen Gijselaar is universitair docent strafrecht aan de Universiteit Leiden
Mojan Samadi is universitair docent strafrecht aan de Universiteit Leiden
De invoering van die wet ging gepaard met een maatschappelijk debat over de eigen machismo-cultuur en de erkenning dat gendergerelateerd geweld tegen vrouwen juist vanwege die cultuur bestaat. De wet biedt de grondslag voor een integrale aanpak van partnergeweld, waaronder de invoering van gespecialiseerde rechtbanken die belast zijn met zowel de familierechtelijke als de strafrechtelijke afdoening van partnergeweld-zaken, de invoering van een speciaal nummer (016) dat niet op de telefoonrekening verschijnt, publieke campagnes en onderwijs over gendergelijkheid en geweld tegen vrouwen. Maar ook de intensivering van de samenwerking tussen de verschillende instanties, verschillende beschermingsmaatregelen voor slachtoffers op basis van een speciaal risicotaxatie-instrument voor partnergeweld, en tot slot een minutieuze registratie van cijfers over dit type geweld.
Hoe anders is dat in Nederland, waar het publieke debat wordt gedomineerd door de vraag wat het precieze aantal vrouwen is dat gedood wordt door een (ex-)partner en of daarin al dan niet een lichte daling te zien is.
Dat is om meerdere redenen misplaatst. In de eerste plaats omdat we, in weerwil van mensenrechtelijke verplichtingen, de cijfers nog altijd niet op orde hebben. De inschrijving in de burgerlijke stand is voor het CBS leidend voor het vaststellen van de relatie tussen slachtoffer en dader, terwijl niet alle partners, laat staan ex-partners, op hetzelfde adres staan ingeschreven. Daarnaast blijkt uit cijfers uit landen waar de statistiek beter bijgehouden wordt, dat in dergelijke zaken vaak sprake is van moord gevolgd door zelfmoord of zelfmoord van het slachtoffer vanwege jarenlange blootstelling aan partnergeweld. Zelfs moord die eruitziet als zelfmoord en ten onrechte (en te snel) als zodanig wordt behandeld, komt voor. Al deze veelvoorkomende fenomenen vertekenen de (opsporings)cijfers.
In de tweede plaats wordt ten onrechte uitgegaan van een eenduidige lezing van de cijfers. De lange termijn-trend van criminaliteit laat inderdaad een daling zien. En hoewel ook moord en doodslag over de gehele linie afnemen, blijft vrouwenmoord in intieme relaties nagenoeg gelijk. En meer in algemene zin geldt voor gendergerelateerd geweld tegen vrouwen dat de daling niet in gelijke tred meegaat met de daling van andere criminaliteit. Dat is des te opvallender omdat het hier al gaat om criminaliteit die notoir ondergerapporteerd is. Het ‘onveiligheidsgevoel’ van vrouwen is niet zozeer een kwestie van gevoel, maar een feit.
Ten derde, de cijfers maskeren het leed dat schuilgaat achter dit type geweld. Het gaat om alledaags geweld dat zich achter de voordeur afspeelt en lange tijd is beschouwd als een privékwestie. Dat werkt nog altijd door in de justitiële reactie. Partnergeweld kenmerkt zich door de onzichtbaarheid ervan, het voortdurende karakter, schaamte van en onbegrip voor het slachtoffer.
Het reduceren van de discussie tot droge cijfers haalt ook de blik weg van waar die zou moeten zijn. Femicide verwijst naar dodelijk gendergerelateerd geweld tegen vrouwen (en is dus breder dan partnerdoding). Het benadrukt het genderelement (fem is afgeleid van het Latijnse femina) en maakt duidelijk dat geweld tegen vrouwen doorgaans in een andere context plaatsvindt dan geweld tegen mannen en samenhangt met genderongelijkheid. Die relatie betekent niet dat vrouwelijk slachtofferschap erger of belangrijker is dan mannelijk slachtofferschap, maar wel dat dit type criminaliteit een bepaalde oorzaak heeft en dus een eigen aanpak behoeft. Dankzij het zelfingenomen zelfbeeld in (bestuurlijk) Nederland – misogynie is kennelijk vooral een probleem van andere culturen – wordt dit probleem onvoldoende geadresseerd in wetgeving en beleid.
Het bestrijden van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, en daarmee dus ook femicide, is echter allesbehalve vrijblijvend: het is een harde mensenrechtelijke verplichting die stevig is ingebed in internationale verdragen, zoals het in 2016 in Nederland in werking getreden Verdrag van Istanbul en de vorig jaar door het Europees Parlement aangenomen Richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.
Die verplichtingen zijn duidelijk zichtbaar in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en gaan veel verder dan de plicht tot adequate strafbaarstelling, opsporing en vervolging. Recent nog wees het Hof er in de tragische zaak N.D./Zwitserland op dat staten een verplichting hebben om burgers te beschermen tegen geweld. Toen N.D. een relatie begon met X, wist zij niet dat hij was veroordeeld voor moord en verkrachting, en dat er een vrij alarmerend psychiatrisch rapport was opgesteld. N.D. werd al snel zowel telefonisch als per sms lastiggevallen, en de huisarts informeerde de politie die daarop telefonisch contact opnam met N.D.. Kort na de relatiebreuk werd zij slachtoffer van seksueel en bijna dodelijk geweld.
Het Hof oordeelde dat de Zwitserse autoriteiten hun verplichtingen tot adequate bescherming van het slachtoffer niet waren nagekomen (ondanks dat ene telefoontje). Na een melding moet direct een risicoanalyse worden uitgevoerd, met internationaal erkende en evidence-based instrumenten. Autoriteiten behoren bovendien niet af te wachten, maar moeten zelf passende beschermingsmaatregelen nemen. Zij moeten zelfs extra waakzaam zijn. Daarvoor is voldoende capaciteit noodzakelijk.
Het Hof oordeelde ook dat de onderlinge coördinatie en communicatie binnen de overheid tekort schoot. Niet altijd hoeven de privacybelangen van verdachten bij informatie-uitwisseling de overhand te hebben. Tekenend is dat het Hof uitgebreid ingaat op een sinds 2017 in Zwitserland geldende wettelijke regeling die, indien noodzakelijk, het delen van informatie met autoriteiten en derden mogelijk maakt. De zaak roept associaties op met de tragische femicide op Joeweela en is een duidelijke spiegel voor het Nederlandse systeem.
We kunnen en moeten dus meer verwachten van de overheid dan nu. Zo ontbreekt in Nederland nog altijd een strafbaarstelling van dwingende controle, een belangrijke voorspeller voor femicide. Ook hapert de samenwerking tussen de verschillende (hulpverlenings)instanties en krijgt de ernst van het geweld nog niet altijd de plek in de rechtszaal die het zou moeten hebben.
Het is bovenal goed te beseffen dat de aanpak van gendergerelateerd geweld een kwestie is van een lange adem. Ondanks de vele maatregelen is ook in Spanje dit probleem nog altijd niet uitgeroeid (al laten de lange termijn-cijfers wel een daling zien). Bovendien gaat echte verandering verder dan wetgeving en beleid, zij vergt een cultuurverandering in de samenleving. Een samenleving waarin mannen die zeggen dat vrouwen ‘ja bedoelen als ze nee zeggen’, vervolgens niet met overweldigend veel stemmen in het parlement eindigen. Niet voor niets is de doelstelling van het Verdrag van Istanbul „to change the hearts and minds of individuals by calling on all members of society, in particular men and boys, to change their attitudes”.
Source: NRC