Home

Kopen is niet superieur aan huren

Halverwege juli lanceert de VVD als eerste partij haar woonplannen in aanloop naar de verkiezingen. Hun visie op wonen heeft de ondertitel ‘Kiezen voor betaalbare koopwoningen voor werkend Nederland’ gekregen.

Wat volgt is een lange lijst maatregelen die de koopwoningmarkt moeten stimuleren. De VVD wil starters meer geld laten lenen om een woning te kopen. Daarnaast moet het weer mogelijk worden belastingvrij te schenken (en sparen) voor de aankoop van een woning, en sociale huurders moeten een wettelijk recht krijgen hun woning over te kopen. En uiteraard moet de hypotheekrenteaftrek worden ‘beschermd’.

Rabobank-econoom Nic Vrieselaar vatte de plannen in het AD samen als „een mix van slechte ingrediënten van veertig jaar woonbeleid in één”. Andere experts waren evenzo kritisch. Het voorgestelde pakket maatregelen gooit simpelweg meer olie op het vuur. Ze zorgen voor hogere huizenprijzen en doen er niks aan om het woningaanbod en de betaalbaarheid structureel te verbeteren.

De voorstellen zijn kenmerkend voor wat Richard Ronald, hoogleraar wonen aan de Universiteit van Amsterdam, de ideologie van woningbezit noemt. Dit is het ingesleten geloof dat kopen superieur is aan huren. Woningbezit zou bijdragen aan verantwoordelijke, zelfstandige en nette burgers waar de overheid weinig omkijken naar heeft.

Hoewel er wetenschappelijk veel valt af te dingen op deze aannames, laat lang niet alleen de VVD zich leiden door deze ideologie. Het vormt al decennia de basis voor veel woonbeleid en ons denken over wonen.

De woningmarkt is zo verworden tot een vliegwiel van ongelijkheid. Degenen die het zich konden veroorloven een woning te kopen, omdat ze genoeg verdienen of uit een vermogend gezin komen, genieten van allerlei voordelen. Huurders lopen achter de feiten aan.

In 2023 had de doorsnee huiseigenaar in Nederland een totaal vermogen van 327.000 euro, 86 keer zo veel als de kleine 4.000 euro waar de doorsnee huurder het mee moest doen. Een aanzienlijk deel van deze ongelijkheid zit ’m in de scherp gestegen woningwaardes. Huiseigenaren hebben hun overwaarde zien exploderen zonder daar iets voor te hebben gedaan. En tegelijkertijd wonen zij ook nog eens in grotere, mooiere en gezondere woningen.

Voor de duidelijkheid: deze ongelijkheid is niet vanzelfsprekend, maar het directe gevolg van beleid. Waar de politiek de koopwoning idealiseerde, stimuleerde en subsidieerde, zette het de bijl in de sociale huursector.

In ere herstellen

Maar een paar jaar geleden leek het er even op dat de ideologie van woningbezit aan het wankelen werd gebracht. De grootschalige woonprotesten van eind 2021 benadrukten de onacceptabele ongelijkheid tussen koop en huur. En toen het kabinet Rutte-IV begin 2022 aantrad, kwam er met Hugo de Jonge (CDA) weer een minister voor Volkshuisvesting.

De Jonge trok door het land met de belofte de rijke Nederlandse traditie van volkshuisvesting weer in ere te herstellen. Onder zijn bewind zou de bouw van betaalbare, sociale huurwoningen flink worden opgeschroefd.

Zijn opvolger Mona Keijzer (BBB) heeft zelfs weer een eigen ministerie. Ook zij benadrukt, weliswaar met aanzienlijk minder enthousiasme, de urgentie de „grondwettelijke taak voor de volkshuisvesting” waar te maken.

Het klinkt goed. Volkshuisvesting is terug van weggeweest, en moet dienen als tegengif voor onze koopobsessie. Betaalbaar huren zonder winstoogmerk als aantrekkelijk alternatief voor de doorgedraaide koopwoningmarkt.

Wie echter verder kijkt dan deze volkshuisvestelijke retoriek, ziet dat er weinig van terechtkomt. Ook met de huidige plannen zal de sociale huursector in Nederland blijven krimpen, met groeiende wachtlijsten en wanhopige woningzoekenden als gevolg. Regeringspartijen weten dit dondersgoed. Zij wekken weliswaar de suggestie dat ze de wooncrisis serieus nemen, maar houden met hun beleid de woonongelijkheid onverminderd in stand.

Zo wordt de sociale huursector nog steeds uitgehold. De afgelopen tien jaar verdwenen er onderaan de streep 55.000 corporatiewoningen met een sociale huur. Ter vergelijking: in diezelfde periode kwamen er meer dan 400.000 koopwoningen bij. Dat sluit naadloos aan op de dominante ontwikkeling van de afgelopen decennia: het aandeel sociale huur liep al terug van zo’n 40 procent in 1990 tot 28 procent vandaag de dag.

Een belangrijk onderdeel van de oplossing is om simpelweg veel meer sociale huurwoningen te bouwen. Maar dat wil vooralsnog voor geen meter lukken. Het afgelopen decennium bouwden woningcorporaties jaarlijks slechts zo’n 15.000 nieuwe woningen, ondanks terugkerende plannen om dat aantal op te schroeven naar zo’n 30.000. Dat zijn targets die woningcorporaties voorheen met twee vingers in de neus wisten te behalen.

Ook in de prestatieafspraken die Mona Keijzer vorig jaar maakte met de woningcorporaties staat opgetekend dat zij tussen 2025 en 2035 272.000 nieuwe sociale woningen zullen bouwen. Aangezien eerdere beloftes ook niet werden waargemaakt, is het nog maar zeer de vraag of het nu wel zal lukken. Maar zelfs als dat wel gebeurt, is de volkshuisvesting niet terug van weggeweest. Volgens de afspraken zullen woningcorporaties de komende tien jaar namelijk ook nog eens ruim 140.000 sociale woningen slopen of verkopen. Per saldo zal de groei van de sociale huursector daardoor een stuk lager uitvallen dan de bouwplannen doen vermoeden.

De huidige plannen zorgen simpelweg voor een verdere uitholling van de volkshuisvesting. Het percentage sociale huur zal steeds verder zakken richting de 25 procent.

Onbetaalbaar

Een belangrijk knelpunt is dat veel woningcorporaties niet genoeg financiële middelen hebben om hun kerntaken bij te benen. Meer woningen bouwen, de huren laag houden en goed onderhoud plegen: het telt op tot een fors en verlieslatend kostenplaatje.

Dit voorjaar werd dit maar al te duidelijk. Het kabinet kwam, op aandringen van Geert Wilders, met het plan om de huren twee jaar lang te bevriezen. De bevriezing zou de betaalbaarheid ontegenzeggelijk verbeteren, maar zou tegelijkertijd betekenen dat er nauwelijks nog geld overbleef. De corporaties zouden niet alleen miljarden aan huurinkomsten mislopen, maar als gevolg nog eens vele miljarden minder kunnen lenen. De nieuwbouw zou instorten. Toen Wilders vervolgens uit het kabinet stapte, veegde Keijzer de huurbevriezing direct van tafel.

Woningcorporaties moeten als gevolg van deze knellende financiële kaders lastige keuzes maken tussen nieuwbouw, onderhoud en prijs. En dat levert geregeld misstanden op. Denk aan jarenlange wachtlijsten, te hoge woonlasten of de honderdduizenden schimmelwoningen in hun bezit.

Wil de politiek daadwerkelijk de volkshuisvesting versterken, dan is het noodzakelijk hier ook in te investeren. Maar demissionair minister Mona Keijzer is hier simpelweg niet toe bereid. Zo gaf zij aan dat gemeenten die meer dan 30 procent sociaal willen bouwen niet bij haar aan hoeven te kloppen voor meer geld.

Daarentegen is zij wél bereid jaarlijks miljarden euro’s in de koopwoningmarkt te blijven pompen. Die miljarden houden de woningtekorten in stand, drijven de prijzen op en jagen de ongelijkheid aan. Het afschaffen van de hypotheekrenteaftrek zou jaarlijks 11 miljard euro besparen, en het evenredig belasten van de overwaarde op de woning zelfs 37 miljard euro. Niet voor niets is Nederland volgens OESO kampioen woningbezit subsidiëren.

De partijen die de afgelopen jaren aan de knoppen hebben gezeten, is er veel aan gelegen dat dat zo blijft. Vorig jaar verruimde het Kabinet-Schoof de hypotheekrenteaftrek zelfs nog voor mensen met een hoger inkomen. Nu het afschaffen van de aftrek een verkiezingsthema lijkt te worden, bijt rechts van zich af. BBB wil dat „politici en beleidsmakers hun handen afhouden van de eigen koopwoning” en ook de PVV is stellig dat er niet aan de aftrek zal worden getornd. De VVD ziet plannen van GroenLinks-PvdA om de hypotheekrenteaftrek af te bouwen zelfs als een regelrechte bedreiging voor het land.

Hiermee putten zij uit de publieke weerstand tegen dit soort plannen. Bijna 60 procent van alle huishoudens heeft een koophuis, en vormt daarmee een invloedrijke electorale meerderheid. Zij willen hun belastingvoordelen behouden. Rechtse kranten en talkshows maken volop gebruik van dit sentiment en geven alle ruimte aan lobbyisten en opiniemakers om de voorstellen verdacht te maken als „totalitair links” of uit jaloezie geboren. Dat niet bepaald linkse instituten als De Nederlandsche Bank en het IMF exact hetzelfde voorstellen, doet er blijkbaar maar weinig toe.

Het laat zien hoe sterk de houdgreep van de ideologie van woningbezit is. De ongelijkheid tussen kopers en huurders is niet alleen economisch, het gaat ook om een ongelijke verdeling van politieke en culturele macht.

Grootconsumenten

De scheidslijn tussen kopers en huurders is daarmee een heel reële, maar ook een politiek lastige. Ze roept veel weerstand op.

Een alternatief is te kijken naar de verschillen tussen huizenbezitters onderling. Uiteindelijk gaat het namelijk om een betrekkelijk kleine groep huizenbezitters die veruit het meest profiteert. De totale overwaarde in Nederland bedraagt maar liefst 1.350 miljard euro. Daarvan is 35 procent in handen van de rijkste 10 procent in Nederland, en 59 procent in handen van de rijkste 20 procent. Het zijn deze rijkste huiseigenaren met de grootste en duurste huizen die het meeste voordeel halen uit alle subsidies op woningbezit. Ook de doorsnee huiseigenaar profiteert ervan als deze ongelijke behandeling wordt aangepakt, en er met dat geld nuttigere dingen worden gedaan.

Of we kunnen kijken naar de overconsumptie van woonruimte. Bijna een kwart van alle huiseigenaren (1,1 miljoen huishoudens) woont op meer dan 90 vierkante meter per persoon, ver boven het landelijk gemiddelde. Deze uiterst inefficiënte verdeling van schaarse woonruimte is een direct gevolg van alle voordelen op woningbezit. Hiermee stoppen stelt deze grootconsumenten voor een keuze: kleiner gaan wonen (waardoor er meer woonruimte beschikbaar komt), of eindelijk hun eerlijke bijdrage gaan betalen.

De wooncrisis oplossen is niet eenvoudig, maar het beleid van de afgelopen jaren gaat sowieso niet helpen. Dit beleid weigerde te investeren in de volkshuisvesting en hield met miljardensubsidies de woonongelijkheid in stand, en ook deze verkiezingen staan weer veel partijen te popelen om simpelweg meer olie op het vuur te gooien. Wie de wooncrisis echt wil aanpakken, kan er niet omheen de ongelijke behandeling van kopers en huurders aan te pakken.

Source: NRC

Previous

Next