Economie VS Onder Donald Trump bemoeit de Amerikaanse overheid zich nadrukkelijker dan ooit met de vrije markt. De Amerikaanse president neemt daarmee een grote gok.
De Republikeinse president Ronald Reagan, hier publiek toesprekend in 1986, geloofde oprecht dat de economie van de VS het beste af zou zijn met zo min mogelijk staatsbemoeienis.
Er was een tijd, pas een half mensenleven geleden, dat Amerikaanse presidenten van Republikeinse komaf de overheid het liefst afschilderden als Het Ultieme Kwaad. De overheid diende klein te zijn, zich niet of nauwelijks te bemoeien met de vrije markt en al helemaal niet met de levens van Amerikaanse burgers.
Beroemd in dat verband is de persconferentie die toenmalig Republikeins president Ronald Reagan op 12 augustus 1986 hield bij een bezoek aan landbouwstaat Illinois. Reagan zei: „Ik heb altijd gevonden dat de negen meest angstaanjagende woorden in de Engelse taal zijn: ‘Ik ben van de overheid, ik kom hier helpen.’”
Reagan was bloedserieus: de problemen waar Amerikaanse boeren tegenaan liepen, waren veroorzaakt door protectionistische maatregelen van de overheid. Hij geloofde oprecht in de libertaire ideologie dat de VS het beste af zouden zijn met zo min mogelijk regels, zo min mogelijk staatsbemoeienis. Vrijheid om te ondernemen was het adagium dat hij, samen met de Britse premier Margaret Thatcher overigens, succesvol uitrolde over de hele wereld. Het werd de basis voor het neoliberale tijdperk, de periode van het schier ongelimiteerde kapitalisme, dat verliezers kent, maar ook grote winnaars en dat de VS een ongekende welvaart bracht. Het werkte zo goed dat ook Democratische opvolgers van Reagan (zoals Bill Clinton) de neoliberale agenda in stand lieten.
Krap vier decennia later is de situatie totaal omgekeerd. De Amerikaanse overheid onder de Republikein Donald Trump bemoeit zich nadrukkelijker dan ooit met de vrije markt en de lijst interventies groeit met de dag. Een week geleden nam de Amerikaanse overheid voor 8,9 miljard dollar (7,6 miljard euro) een aandeel van 10 procent in chipmaker Intel. Het kwam Trump op een politiek gezien verrassende adhesiebetuiging te staan van zelfbenoemd socialist Bernie Sanders.
Ruim twee weken terug eiste Trump 15 procent van de Chinese omzet van chipmakers Nvidia en AMD op voor de staatskas. En daar blijft het niet bij: de Amerikaanse overheid keurde de eerder door zijn voorganger Biden geblokkeerde overname van US Steel door het Japanse Nippon Steel goed, maar nam tegelijkertijd een zogeheten gouden aandeel in het staalbedrijf, wat haar enorme zeggenschap en een vetorecht oplevert. En vorige maand nam de staat voor 400 miljoen dollar een belang van 15 procent in MP Materials, een mijnbedrijf in Nevada dat zeldzame aardmetalen delft en bewerkt. De koers van dat bedrijf verdrievoudigde sindsdien, beleggers waarderen de interventie blijkbaar.
Onder president Trump, Republikein zoals Ronald Reagan, bemoeit de Amerikaanse overheid zich nadrukkelijker dan ooit met de vrije markt. Foto Jacquelyn Martin/AP
Trumps minister van Handel Howard Lutnick zei begin deze week dat er nog meer kan volgen. Zo kon de overheid volgens hem een aandeel nemen in defensiebedrijf Lockheed Martin, „omdat dit bedrijf in essentie toch al deel uitmaakt van de Amerikaanse overheid”. Lockheed leunt voor het grootste deel van zijn omzet op overheidsopdrachten.
De inmenging van Trump gaat verder dan alleen zijn deelnemingen in het bedrijfsleven. Hij sleepte media voor de rechter, chanteerde advocatenkantoren en banken en eiste dat supermarktketen Walmart zijn prijzen niet verhoogde, ondanks de hogere inkoopkosten door Trumps importheffingen). Ook riep hij Coca-Cola op hun recept te veranderen en heeft hij onwelgevallige bestuurders van het arbeidsmarktstatistiekbureau, het Amerikaanse RIVM en zelfs van de centrale bank de wacht aan gezegd.
Wat opvalt: het bedrijfsleven in de VS is oorverdovend stil over deze ongekende ingreep in de vrije markt. Waar in Trumps eerste termijn bestuursvoorzitters zich openlijk verzetten tegen zijn beleid op het gebied van migratie en handel, zwijgen ze nu collectief. Wie zich uitspreekt, kan immers de steun van het Witte Huis verliezen. Sterker nog, de Financial Times-columist Gillian Tett bezocht laatst een seminar van het marine-opleidingsinstituut Naval War College en hoorde hoe bedrijven aan het lobbyen waren om dezelfde steun te krijgen als MP Materials kreeg. Alstublieft, meneer de president, bemoei je met ons. De redenering is blijkbaar: liever een betrokken president dan eentje die tegenover je staat.
Inmenging van een overheid in de economie, zelfs in een extreem liberale economie als de Amerikaanse, is van alle tijden. En er zijn goede redenen om de markt niet geheel aan zichzelf over te laten. Traditioneel is staatsveiligheid een belangrijke reden voor een overheid om bepaalde industrieën te beschermen. Dat gebeurt in de defensie-industrie, maar ook in de tech-sector. Het zou naïef zijn om bijvoorbeeld het autocratische China van president Xi Jinping een cruciale rol te gunnen in de Amerikaanse (of Europese) hightech-infrastructuur.
Andere belangrijke motivatie voor overheidsbemoeienis is strategische autonomie. Gas- en olievoorraden en bepaalde grondstoffen kunnen zo belangrijk zijn voor een land dat het via overheidsingrepen wil voorkomen te afhankelijk te worden van buitenlandse leveranciers.
Ook andere Amerikaanse presidenten grepen in op de vrije markt. De Democraat Barack Obama trok tientallen miljarden uit om de financiële sector in 2008 van de ondergang te redden toen banken na de hypotheekcrisis op omvallen stonden. Ook steunde hij andere industrieën die het moeilijk hadden door de recessie die daarop volgde. En Trumps directe voorganger Joe Biden, ook een Democraat, zette post-Covid een enorm programma van 400 miljard dollar op poten om de inflatie te beteugelen en via subsidies bedrijven te verleiden in de VS te investeren.
Het grote verschil met Trump nu is dat die interventies democratisch controleerbaar waren (ze kregen goedkeuring van het Amerikaanse Congres) en gestoeld waren op (min of meer) coherent en controleerbaar beleid. Zo wisten bedrijven bij Bidens pakket aan welke voorwaarden ze moesten voldoen om subsidie te kunnen krijgen.
Nu is dat veel minder helder. Larry Summers, econoom en oud-minister van Financiën, zei deze week tegen The Wall Street Journal dat het belang in Intel misschien vanuit strategisch oogpunt verklaarbaar was, maar dat het deel uitmaakte van een verontrustend patroon van economische willekeur. Dat is niet zonder risico’s, aldus Summers: „Als de overheid steun verleent aan particuliere bedrijven die problemen hebben, kan het gepast zijn om afspraken te maken over hoe die steun wordt terugbetaald, ten gunste van de belastingbetaler”, zei hij. Maar wat Trump doet, is de werking van de particuliere sector frustreren in plaats van markten onafhankelijk te laten functioneren. „Ik denk niet dat dit ‘deal-kapitalisme’, waarbij de overheid haar invloed op bedrijven gebruikt om hen geld of aandelen af te persen, een gezonde economische strategie is”, aldus Summers met gevoel voor understatement in de WSJ.
Summers’ ‘dealkapitalisme’ is een van de meer vriendelijke termen waarmee het beleid van Trump c.s. wordt gekarakteriseerd. Economen breken zich het hoofd over hoe ze deze nieuwe vorm van staatsinmenging in de vrije markt moeten dopen. Het riekt naar het hybride Chinese model van „socialisme met Chinese eigenschappen”, maar dan wel vanaf de andere – kapitalistische – kant geredeneerd. In de Angelsaksische pers doen termen als staatskapitalisme, kapitalisme met Amerikaanse eigenschappen, socialisme (r) en patriotisch kapitalisme de ronde. Of zelfs, wie Trumps dreigementen zwaarder laat wegen, afperskapitalisme.
Het maakt de president zelf niks uit: „Ik sluit elke dag deals zoals die met Intel als dat goed is voor het land”, schreef hij op Truth Social. Trump als Investor in Chief, de man van The Art of The Deal die op geheel eigen wijze de economie en de werkelijkheid naar zijn hand zet.
Belangrijker nog dan de vraag hoe het beestje heet, is de vraag wat Trump ermee wil. Dienen de ingrepen in de vrije markt inderdaad de Amerikaanse economie? Zijn de deelnemingen in bedrijven echt bedoeld om de nationale en economische veiligheid van de VS te waarborgen?
Economisch onderzoek heeft talloze malen aangetoond dat een overheid niet per se beter in staat is om ondernemingen aan te sturen dan de markt. Sterker nog: er zijn voorbeelden te over dat staatsinterventie de economische groei juist heeft belemmerd in plaats van heeft bevorderd. In die zin neemt Trump een grote gok met de Amerikaanse economie.
Net als zijn heffingenoorlog, die per saldo negatief zal uitpakken voor de consument in de VS, kan zijn ‘staatskapitalisme’ de economie veel schade berokkenen. Vooral de onzekerheid bij bedrijven over of en hoe de Amerikaanse overheid zal ingrijpen, kan funest zijn voor toekomstige investeringen.
Uiteindelijk, zei politicoloog Abraham Newman eerder dit jaar in de Financial Times, gaat het Trump niet om maximale macht en kracht voor de Amerikaanse economie. Trump bedient vooral de kringen rond het Witte Huis, met lastenverlichting en deregeluring. De president is bereid de op regels en samenwerking gebaseerde wereldorde in te ruilen voor het naar believen inzetten van de Amerikaanse macht, aldus Newman. Met in het midden één onvermijdelijk middelpunt: Donald J. Trump. Het inzetten van de overheid en de economie als wapen past daar naadloos in. Als er dan toch één term van toepassing moet zijn op de nieuwe staatskapitalistische koers van de VS dan is het Trumpisme.
Wat kunnen we verwachten van weer vier jaar Trump?
Source: NRC