Home

Op zoek naar de ware aard van die stugge Nederlandse gelijkhebbers

Antropologie In de jaren vijftig onderzochten Amerikaanse antropologen de aard van de Nederlander, onder meer in een Drents dorpje. Ook de inlichtingendienst had interesse.

Het dorp Anderen, 2024.

Het is een minder bekend maar fascinerend verhaal: tijdens de Tweede Wereldoorlog en de daarop volgende Koude Oorlog stelden niet alleen raketgeleerden en ingenieurs zich ten dienste van hun natie, maar ook antropologen. Zoals Robert Oppenheimer probeerde een atoombom tot ontploffing te brengen met wiskundige formules, zo stelden sociale wetenschappers zich ten doel de ‘culturele code’ te kraken van vijandige én bevriende volken. Een deel van die inspanningen richtte zich begin jaren vijftig op een dorpje in Drenthe.

Anderen heet dat dorpje. Het is ook de titel van een heerlijk boek dat Emiel Hakkenes erover schreef. Zestig huizen telde Anderen in 1951, met driehonderd inwoners en vierhonderd koeien. 1951 is het jaar waarin twee Amerikaanse antropologen in de buurt van Anderen uit de bus stapten om er maandenlang onderzoek te doen.

Maar het verhaal begint eerder, al voor de Tweede Wereldoorlog, bij Amerikaanse pioniers in de antropologie als Margaret Mead. Zij was beroemd geworden met een boek waarin ze de puberteit van meisjes op Samoa vergeleek met die van Amerikaanse meisjes. Mead was een exponent van de gedachte dat alle culturen van elkaar kunnen leren.

Mead en collega-antropologen waren dan ook teleurgesteld toen bleek dat hun publicaties, „die rustten op de gedachte dat alle culturen even waardevol zijn”, in 1939 niet konden voorkomen dat er een Tweede Wereldoorlog uitbrak door ideologieën die juist uitgingen van het tegendeel. Maar ze wisten zich snel te herpakken. Ze zetten hun wetenschappelijke werk om in activisme. De sociale wetenschap, zo geloofden zij, kon helpen verdeeldheid te zaaien bij de vijand door middel van gerichte propaganda. Of potentiële bondgenoten „opwekken en mobiliseren voor het goede.” Bij de Amerikaanse overheid waren antropologen zeer in trek. Ze konden aan de slag bij het Office of War Information, een voorlichtingsorganisatie voor het Amerikaanse publiek, of het Office of Strategic Services (OSS), de voorloper van de CIA.

Kleurrijk figuur

Margaret Mead was een kleurrijk figuur. Ze trouwde drie keer en had daarnaast verschillende minnaars, onder wie ook vrouwen. Een aantal van hen speelt een belangrijke rol in dit boek, zoals Ruth Benedict, haar mentor. Benedict deed tijdens de oorlog onderzoek voor de Amerikaanse overheid, waarvoor ze ook Mead en haar toenmalige echtgenoot inschakelde. Ze schreef onder meer een rapport over Nederland. De Amerikaanse legerleiding wilde „een handzaam lijstje met do’s-and-don’ts voor Amerikaanse militairen in Nederland”, als die de Duitse bezetters zouden hebben verdreven.

De onderzoekers gingen voortvarend aan de slag om de Nederlandse volksaard in kaart te brengen. Iemand las Couperus, een ander Multatuli. Zelf ontleedde Benedict het Wilhelmus. En studenten interviewden Nederlanders in New York „over rituelen rond rouwen en trouwen, de feesten van Sinterklaas en Kerst, lokale eet- en drinkgewoontes en de precieze betekenis van spreekwoorden en gezegden”.

In haar rapport schreef Benedict dat de typische Nederlander vrijheidslievend en tolerant was, maar ook gericht op het eigen huisgezin en nogal zwaar op de hand. „Geen land in Europa waakt zo angstvallig over zijn morele gelijk als Holland”, stelde ze. Al is het hele land weggebombardeerd en verhongerd, dan nog zullen de Nederlanders denken dat ze het beter weten. Over het Nederlandse gezin schreef ze: „In Holland waant de man die omringd is door de opschik en het comfort van huiselijkheid zich typisch het gelukkigst. Hun echtgenotes zijn toegewijde huisvrouwen en worden meer op prijs gesteld vanwege hun huiselijke deugden dan vanwege hun erotische aantrekkingskracht.”

Bij het lezen van Anderen moest ik regelmatig denken aan Wisselwachter, het boek van Geert Mak over de transatlantische verhoudingen in de jaren dertig en veertig dat dit voorjaar verscheen. Hakkenes schrijft over wetenschappers, niet over politici zoals Mak, maar beiden roepen een Amerika in herinnering dat niet meer bestaat. Een Amerika dat naar buiten kijkt en zich bekommert om de wereld, al is dat vaak ook uit eigenbelang.

Want dat is wat Anderen zo interessant maakt: het gaat over veel meer dan over dat Drentse dorpje. Over de Koude Oorlog bijvoorbeeld. In de jaren vijftig maakten de VS zich grote zorgen over de verspreiding van het communisme in de wereld. Indonesië, de voormalige Nederlandse kolonie, werd daarbij gezien als een belangrijke dominosteen. Margaret Mead had er voor de oorlog als antropoloog onderzoek gedaan, op Bali en Nieuw-Guinea. Nadat haar derde huwelijk was mislukt woonde ze samen met een geheim agent die missies had uitgevoerd in het land.

Het was deze James Mysbergh opgevallen dat veel Indonesiërs uit de intelligentsia dachten en handelden „volgens Nederlandse culturele patronen”. De Nederlanders hadden hun „bekrompen, rigide en calvinistische karakterstructeren” over de „zeer broze en verfijnde Javaanse cultuur” gelegd. Dit leidde tot een gedachtekronkel die ons nu krankzinnig in de oren klinkt, maar indertijd voor onderzoekers als Mead logisch moet zijn geweest. Emiel Hakkenes vat hem als volgt samen: „Wie Nederland eenmaal begreep, begreep daarna ook meer van Indonesië, wat de containment van het communisme in Zuidoost-Azië ongetwijfeld ten goede zou komen.”

De Nederlandse volksaard

Dus toen twee oud-leerlingen van Mead bij haar kwamen met het voorstel om antropologisch veldonderzoek te gaan doen in een Nederlands dorpje was zij meteen enthousiast. Omdat ze een plek zochten waar ze de Nederlandse volksaard ongerept konden aanschouwen, kwamen ze uit bij Anderen, in de Drentse gemeente Anloo. Dat lag geïsoleerd, waardoor de moderne tijd er nog amper vat op had gekregen.

Behalve vierhonderd koeien waren er ook honderd paarden in het dorp, die voornamelijk werden gebruikt vanwege hun trekkracht. Het agrarische dorp telde slechts vier tractoren en net zo veel elektrische scheerapparaten. Onderzoekers Dorothy en John Keur, die maandenlang in het dorp verbleven, brachten alles nauwgezet in kaart. Ze beschreven de viering van Sinterklaas, Kerst, een bruiloft, een slachtdag, verjaardagen, een ‘vrouwvolkbezoek’ – zo heette het wanneer een nieuwe vrouwelijke bewoner zich presenteerde aan medebewoners. Het onderzoek resulteerde in een boek, Deeply Rooted, waarin de onderzoekers probeerden aan te tonen dat de „inwoners van Anderen zo ‘diepgeworteld’ en traditionalistisch waren als gevolg van de natuurlijk omgeving waarin ze leefden: op moeilijke grond in een gebied dat lastig te bereiken was”.

Het gaat misschien wat ver om te zeggen, zoals Hakkenes doet, dat de CIA dankzij de Keurs „oren en ogen” in Drenthe had, al had Margaret Mead warme banden met de Amerikaanse inlichtingenwereld en geloofde ze vast dat ze haar land een dienst bewees. Maar het verhaal van Anderen laat wel mooi zien hoe groot het Amerikaanse geloof in soft power in de jaren vijftig was. Wetenschappers vlogen over en weer om de banden aan te halen tussen Amerika en Europa. De VS zagen buitenlandse investeringen als een manier hun invloedssfeer te vergroten, zie bijvoorbeeld het Marshallfonds en het Fulbright-programma (dat het onderzoek in Anderen financierde). Geschiedschrijving zegt vaak net zoveel over het heden als over het verleden. Anderen doet je eens te meer beseffen hoezeer Amerika de afgelopen jaren is veranderd.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next