Home

Schrijver Ian McEwan over zijn klimaatroman: ‘Volharding moet je de mensheid nageven’

Interview In zijn sprankelende nieuwe roman wil Ian McEwan iets over de klimaatcrisis zeggen, maar wel met een flinke omweg. „De enige manier om een goede klimaatroman te schrijven is door het niet te doen, door een andere ingang te vinden.”

Ian McEwan Foto Merlijn Doomernik

Ian McEwan bladert naarstig door een van de grote groene notitieboeken in zijn werkkamer. Kostbare Zoom-minuten tikken in stilte voorbij. „In deze notitieboeken denk ik hardop tegen mezelf over mijn werk”, licht de schrijver toe, „over wat ik ga schrijven, wat ik zou kunnen schrijven. Bladzijden en bladzijden vol pogingen. Kan ik dit voorlezen?” Nee, hij bedenkt zich: „Deze roman ga ik misschien wél nog schrijven.”

De vraag was of hij kon terugvinden waarmee zijn nieuwe roman Wat we kunnen weten begonnen is, en het probleem waarvoor dat verzoek hem stelt, raakt aan een kwestie die een (grote) rol speelt in de nieuwe roman. De ‘informatiekwestie’: de eenentwintigste-eeuwse mens produceert in z’n leven zoveel tekst – mailtjes, appjes, tweets, blogs, enzovoorts – dat een toekomstige onderzoeker weleens hopeloos zou kunnen verzanden in die rijstebrijberg.

Al kun je je ook afvragen: wat je zoekt, is dat er wel? „Eigenlijk droom ik mezelf een boek binnen”, zegt McEwan. „Ik bedoel: de roman is ergens begonnen, maar dat punt beschouwde ik destijds nog niet als het beginpunt. Wacht. Hier heb ik iets… Overstromingen. Het begon met een idee over overstromingen.”

Goed, dat was te verwachten. De roman speelt zich af in 2119, in de archipel die nog resteert van het Verenigd Koninkrijk – dankzij overstromingen (klimaatgerelateerd), al horen die in de roman alweer tot het verleden. Vooral draait Wat we kunnen weten om een gedicht. De vooraanstaande dichter Francis Blundy schreef een sonnettenkrans voor zijn vrouw en droeg het één keer voor tijdens een dinertje met vrienden. Nooit publiceerde hij het, nooit las iemand het en toch ging het de geschiedenis in als een meesterwerk en een eeuw na dato probeert een literatuurwetenschapper, tevens de verteller in McEwans roman, het gedicht terug te vinden.

Waarom? Deze Tom Metcalfe bestudeert de kunst uit de periode 1990 tot 2030. Achteraf gezien een tijd van weelde en overmoed, van „mensen die drieduizend kilometer vlogen voor een vakantie van een week” en „oeroude bossen die verwoest werden om papier te maken waar je je gat mee kon afvegen”, zoals McEwans hoofdpersoon opmerkt. „Wat een fenomenale vindingrijkheid, en wat een stompzinnige hebzucht.” Wat bezielde de mensheid in die tijd? Misschien kan Blundy’s gedicht, dat naar verluidt gaat over liefde en klimaatverandering, daar enig licht op werpen.

Iemand die over honderd jaar onze poëzie bestudeert: wat een optimistisch uitgangspunt!

„Nou ja, sommigen van ons zijn ook nog geïnteresseerd in wat er honderd jaar geleden geschreven werd, toch? Maar het roert me dat je er optimisme uit haalde, aangezien mijn roman uitgaat van nucleaire oorlog, catastrofale overstromingen, de uitsterving van vele soorten... Ik denk dat we misschien het vertrouwen in de toekomst kwijtgeraakt zijn. Dat er geen vooruitgang meer mogelijk is, afgezien van het vergaren van individuele rijkdom. Dat is misschien een groter probleem dan klimaatverandering zelf.”

Hoe het ook zij: een gedicht is een ongewone invalshoek voor een klimaatroman.

„Een van mijn ambities met deze roman was: sciencefiction schrijven zonder de science. Er zit altijd zo veel technologie in sciencefiction – en de impact daarvan op de beschaving is inderdaad cruciaal, maar onze dagelijkse levens worden bestudeerd in de wereld van de geschiedkunde, in biografieën, literatuur, antropologie. In sciencefiction kom je nooit een geschiedenisfaculteit tegen. Ze zitten met hun anti-zwaartekrachtlaarzen aan in ruimteschepen, maar ze lezen geen poëzie, kijken zelfs geen films. Wat voor wereld is dat? Als we willen speculeren over onze toekomst, moeten we accepteren dat als je in 1945 Europa in ogenschouw had genomen, je je misschien niet zou voorstellen dat er op universiteiten tachtig jaar later nog geesteswetenschappen werden bestudeerd. Maar een maatschappij kan terugveren. Volharding moet je de mensheid nageven. Het is mogelijk om de erfenis van miljoenen doden te dragen, zie de eerste helft van de twintigste eeuw, én door te gaan met het leven. Zoals Tom in mijn roman zegt: ‘Of Jack en Jill hun huwelijk kunnen redden weegt zwaarder dan wat er is gebeurd bij Thermopylae.’”

Is dat de tragiek van de roman als genre, dat een roman beter over een huwelijk dan over het klimaat kan gaan?

„Er worden interessante discussies gevoerd over de vraag of de realistische roman, met z’n aandacht voor het individuele en subjectieve, überhaupt iets kan met het thema klimaat. Mijn idee is dat je daarvoor niet het Cormac McCarthy-pad hoeft te bewandelen van totale vernietiging en ellende, maar dat de sociaal-realistische roman juist de beste manier is om er iets over te zeggen. We kunnen het niet over klimaatverandering hebben zonder het over de levens van mensen te hebben – en in het tonen van die levens is de realistische roman het best. En trouwens ook in het tonen van verschuivingen in de sociale omstandigheden van die mensen. Ik denk dan aan twee prachtige romans van Europese schrijvers: van jullie Hanna Bervoets, We Had to Remove This Post [Wat wij zagen, red.], en van de Italiaan Vincenzo Latronico, Perfection [De perfecties, red.]. Die gaan over hedendaagse twintigers en dertigers die de gevolgen ondervinden van de wereld van de beeldschermen, zogezegd.”

Omdat die romans zich behalve op de grote onderwerpen ook richten op de persoonlijke, ‘kleine’ levens?

„Juist. Daarom moet het in het verhaal van mijn Tom ook gaan over zijn vriendin Rose, over hun relatieproblemen. Zodat je ziet: in de toekomst zullen de mensen ook hun kleine levens leiden. In het heden zitten we gevangen tussen de spoken uit het verleden, de doden, en de spoken van de toekomst, de ongeborenen. Mijn uitdaging was: hoe kunnen we ons iets van hen aantrekken? Ik wilde die tijden met elkaar in gesprek laten gaan, dat ze nabij zouden voelen. Zodat we ervan doordrongen raken dat de mensen van het verleden en de toekomst net zo springlevend voor zichzelf waren als wij voor onszelf zijn.”

Zodat u zo toch iets over klimaatverandering kon zeggen?

„Ja. Ik weet het niet zo met boodschappen in romans en de vraag of we de wereld kunnen veranderen – ik mag het hopen. Maar ik heb wel de ambitie dat de lezer het heden en de toekomst gaat beschouwen als behorend tot hetzelfde gebied, waar we morele verantwoordelijkheid voor andere mensen hebben. Het lijkt strijdig met onze evolutionaire neigingen om iets te doen voor mensen die we nooit hebben ontmoet. Maar denk aan de grote kathedralen uit de Middeleeuwen, de negentiende-eeuwse parken vol grote bomen – die danken we aan mensen die erin investeerden zonder er zelf van te kunnen profiteren. Of denk aan de cheques die we sturen naar Artsen Zonder Grenzen voor hun werk in Gaza. We zijn in staat tot altruïsme ten behoeve van mensen die we nooit hebben ontmoet.”

Dus uw roman moest vooral een mensenroman zijn, en geen klimaatroman?

„De enige manier om een goede klimaatroman te schrijven is door het niet te doen, door een andere ingang te vinden. Ik moest denken aan de zin die rondzong in de jaren zeventig en tachtig, toen we de straat op gingen tegen kernwapens: ‘Na een kernoorlog zullen de overlevenden de doden benijden’. Een interessant idee: dat de mensen over honderd jaar afgunstig naar ons zouden kijken, om wat wij hebben, en wat we nog wel eens vergeten. Onze personenauto’s, onze toiletten, warm water, geletterdheid, het platteland dat nog grotendeels herkenbaar is voor iemand uit de tijd van Shakespeare. Dat was mijn omweg om het over het heden en de klimaatramp te kunnen hebben. Wij kunnen profiteren van onze waardering voor wat we nog hebben, want er mogen dan veel diersoorten uitsterven, er zwemmen nog steeds veel vissen in de zee die we kunnen redden.”

Over verbindingen met andere tijden gesproken: heeft u, naast die werknotitieboeken, eigenlijk dagboeken bijgehouden?

„Ooit wel. Tot een jaar of twintig geleden had ik een ongecompliceerde verhouding tot mijn dagboek, het was iets dat volledig voor mijzelf was, maar toen werd ik iets bekender, iets meer een publiek figuur, en toen verloor ik mijn onschuld en daarmee ook mijn interesse.”

U verloor uw onschuld? Was u niet eerlijk meer in uw dagboek?

„Dat vermoed ik, want ik merkte dat ik steeds verzorgder ging schrijven, alsof er iemand over mijn schouder meelas – wat prima is als je romans schrijft, dat houdt je scherp. Maar hoe dan ook: wat ik in oude dagboeken heb teruggelezen, was doodsaai. Ik beschreef een droom die ik had gehad – oh, fuck off! Ik wilde van de jonge McEwan weten wat hij dacht, wat hij las, met wie hij zich omgaf, wat hij deed op een dag. Niet wat hij dróómde. Ik ben maar kort freudiaan geweest.”

Dat u oneerlijker werd toen u mooier ging schrijven, geeft te denken over goed geschreven dagboeken. Zijn die dan wel eerlijk?

„Ja, dat is de vraag. Sowieso moet je als lezer weten dat je door de lens van iemands persoonlijke bewustzijn kijkt, en dat zou weleens niet geheel betrouwbaar kunnen zijn. Maar ik denk dat de beste dagboekschrijvers wel schreven om gelezen te worden. De dagboeken van Virginia Woolf, daar heeft ze echt aan gewérkt.”

En wat Woolf daar schrijft komt nabij omdat zij er literatuur van wist te maken?

„Woolfs dagboeken bezitten beslist literaire kwaliteit. Literatuur heeft iets begrepen waar de evolutiewetenschap lang over deed: dat er constanten zijn in de mens. Dat is een van de redenen dat we Homerus lezen en Odysseus kunnen begrijpen en doorgronden, ook al leven we in een compleet andere wereld. Ooit bestudeerden antropologen graag de verschillen tussen ons en de mensen die zij ‘wilden’ noemen, maar veel interessanter is dat die mensen bij het eerste contact naar elkaar lachten en zo iets konden communiceren wat kennelijk universeel was: warmte, genegenheid, plezier. Die overeenkomst, daarover gaat literatuur.”

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next