Israël Nederlandse bedrijven doen op grote schaal zaken met Israëlische partners. Zolang geen sancties worden opgelegd, blijft dat zo, zeggen ze. Een enkel bedrijf twijfelt: „We nemen geen nieuwe projecten meer aan in Israël.”
De in 2023 geopende metrolijn in Tel Aviv, waarvoor ingenieursbedrijf Haskoning projectmanagement heeft gedaan.
De onderneming heeft aandeelhouders over de hele wereld. De ene groep beleggers heeft begrip voor de aanvallen op Gaza tot alle Israëlische gijzelaars terug zijn. De andere groep vindt dat Israël geen bestaansrecht heeft. En een heleboel kiezen geen kant. Dit, zegt de woordvoerder van een beursgenoteerd bedrijf met activiteiten in Nederland off the record, is de wereld waarin zijn werkgever zich bevindt. „Hoe internationaler het bedrijf, des te moeilijker het is om hier iets over te zeggen. De bakker op de hoek kan van alles vinden. Wij niet.”
Off the record? Een woordvoerder? Zakendoen met Israël – en helemaal er publiekelijk over praten – blijkt op eieren lopen. En zo is het altijd geweest.
Toch verkopen Nederlandse bedrijven elk jaar veel aan Israëlische bedrijven en overheden. Die handel nam in 2021 fors toe en is sindsdien hoog gebleven. De verkopen aan Israël bereikten een hoogtepunt in 2022 van zo’n 5 miljard euro, tonen de jongste definitieve cijfers van statistiekbureau CBS. Van vrachtauto’s tot scanapparatuur en van medicijnen tot toestellen voor telecommunicatie. Op hun beurt kochten Nederlanders dat jaar voor 2,7 miljard euro aan spullen uit Israël. Vooral groente en fruit, chemische producten, ruwe aardolie en elektrische apparaten.
Daarnaast hadden Nederlandse bedrijven in 2023 tussen de 32 en pakweg 50 miljard euro aan investeringen in Israël. Dat blijkt uit cijfers van Eurostat en De Nederlandsche Bank, die de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen deze zomer publiceerde. Dat maakt Nederland verreweg de grootste investeerder van Europese landen, al geeft dat volgens voormalig minister Veldkamp (Buitenlandse Zaken, NSC) een enigszins vertekend beeld. Begin augustus schreef hij aan de Kamer: „Van deze investeringen komt meer dan 20 procent vanuit brievenbusfirma’s, ongeveer 5 procent vanuit overige doorstroom-vennootschappen en circa 70 procent vanuit bedrijven die in Nederland produceren dan wel werknemers hebben. Van deze niet-financiële vennootschappen is ruim 95 procent onderdeel van een buitenlandse multinational. Er lopen dus vooral buitenlandse kapitaalstromen via Nederland naar Israël.”
Afgelopen vrijdag stapte Veldkamp uit het demissionaire kabinet-Schoof. De minister verklaarde sancties te willen opleggen aan bedrijven die zaken doen met Israëlische bedrijven in bezet gebied, maar dat coalitiepartijen VVD en BBB dat tegenhouden. Sancties zullen er dus voorlopig niet komen, ook niet voor zakelijke projecten in bezette gebieden als de Westelijke Jordaanoever.
NRC vroeg tien grote bedrijven die handelen met Israëlische partners of zij de afgelopen anderhalf jaar discussies hadden over voortzetting van hun handel. Ja, bij de koffie-automaat, zeggen sommigen, maar dat blijft informeel.
In Noorwegen ligt dat anders. Onder druk van de Noorse publieke opinie maakte het reusachtige staatsinvesteringsfonds, dat zo’n 1.800 miljard euro uit olie- en gasopbrengsten beheert, deze maand bekend zijn aandelen te hebben verkocht in 11 (van 61) Israëlische bedrijven. Namen maakte het niet bekend. Volgens het fonds hielpen die beleggingen de regering-Netanyahu haar oorlog in Gaza te financieren.
Nicolai Tangen, hoofd van het fonds, zei volgens persbureau Reuters dat de verkoop door „uitzonderlijke omstandigheden” was ingegeven. „Gaza verkeert in een serieuze humanitaire crisis.”
En wat zeggen Nederlandse bedrijven? Drie beursgenoteerde ondernemingen houden het op min of meer algemene termen. Chipmachinemaker ASML, dat twee vestigingen in Israël heeft: „Alle wereldwijde humanitaire kwesties raken ons diep. ASML opereert binnen de internationale wet- en regelgeving en de specifieke richtlijnen van de Nederlandse overheid.”
Supermarktketen Ahold-Delhaize: „De hoeveelheid menselijk leed is verschrikkelijk en raakt ons diep. De internationale gemeenschap moet hier zo snel mogelijk een oplossing voor vinden. Voor het inkopen van producten geldt dat onze merken zich houden aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving over in welke gebieden het toegestaan is om in te kopen. Hierin zijn ook richtlijnen met betrekking tot Israëlische nederzettingen in bezet gebied meegenomen.”
En (zorg)technologieconcern Philips, met een vestiging in Israël, laat weten: „Philips gelooft hartstochtelijk in toegang tot kwalitatief goede gezondheidszorg, juist in regio’s die met de gevolgen van conflict en oorlog te maken hebben.”
Bij een familiebedrijf als het Eindhovense VDL, dat in Israël onder meer elektrische bussen verkoopt, klinkt het niet anders: „De humanitaire situaties wereldwijd gaan ons aan het hart. Als bedrijf opereren wij binnen de kaders van het Nederlands en Europees beleid en (inter)nationale sancties zijn voor ons leidend. Wij hebben er vertrouwen in dat onze politieke leiders in de complexiteit die conflicten met zich meebrengen de juiste afwegingen maken bij het bepalen van kaders voor beleid.”
Kortom: pas als de overheid zakendoen met Israël verbiedt, zouden zij zich uit het land terugtrekken.
Sancties hebben zin, zegt Dawid Walentek, universitair hoofddocent politieke economie aan de Universiteit Gent en sanctiedeskundige. „Als de EU drie jaar geleden geen forse sancties had opgelegd aan Rusland, zouden de Russische troepen nu echt dichter bij Kyiv zijn. Sancties maken het moeilijker wapens en andere spullen te kopen.”
Dat Buitenlandse Zaken stelt dat Nederlandse bedrijven „ontmoedigd worden om te investeren in de bezette gebieden in Israël”, heeft weinig om het lijf, onderstreept Walentek. „Het [zaken doen] is niet verboden.”
Wel zijn Nederlandse bedrijven eerlijk, vindt Walentek. Ze zeggen vaak openlijk: er valt zo veel te verdienen in Israël! „Dat zouden Amerikaanse of Britse bedrijven nooit zeggen.”
Misschien blijven ze liever onder de radar. Want wat Walentek nu in de VS ziet gebeuren: „Bedrijven die kritiek uiten op de regering-Netanyahu krijgen te horen dat hun zaken in de VS eronder zullen lijden. De Amerikaanse regering is heel actief op dat gebied.” Ook Nederlandse bedrijven met belangen in de VS kijken volgens Walentek wel uit met kritiek.
Eind 2016 zetten sommige Amerikaanse overheden, zoals de staat New York, binnen- en buitenlandse bedrijven op een zwarte lijst als ze zich kritisch uitlieten over de bouw van woningen door Joodse kolonisten in door Israël bezet Palestijns gebied. De critici zouden antisemitisch zijn. Dat overkwam onder meer ASN Bank, Triodos Bank en ingenieursbureau Haskoning, toen nog HaskoningDHV. In New York dienden de betrokken ondernemingen binnen drie maanden aan te tonen dat ze Israël níét boycotten. Vaak verdedigden ze zich door te stellen dat ze juist al lange tijd wél zaken deden met Israëlische bedrijven.
Zo reageerde toen ook HaskoningDHV, dat in Israël aan grote projecten werkte. Het ontwierp er onder meer metrostations in Tel Aviv, samen met het Nederlandse ingenieursbureau Arcadis.
Gevraagd of Haskoning het beleid heeft veranderd nu in Gaza een humanitaire crisis heerst, reageert het bedrijf anders dan in 2016: „Wij evalueren de ontwikkelingen met regelmaat. Zo geldt al geruime tijd een reisverbod in verband met de veiligheid van collega’s en terughoudendheid met betrekking tot nieuwe projecten in Israël. Gezien de zeer zorgelijke situatie hebben wij recent besloten om geen nieuwe opdrachten in Israël meer aan te nemen. Lopende opdrachten maken we af.”
Haskoning had, zegt het, al geen projecten meer in de door Israël bezette gebieden. Is er intern discussie over projecten in Israël? De woordvoerder: „Haskoning is een multicultureel bedrijf met medewerkers uit meer dan tachtig landen, dus hier is inderdaad discussie over.”
Herke Plantenga, oprichter en eigenaar van webhoster Novoserve in Enschede (25 werknemers), denkt er anders over. Hij werkt samen met de Israëlische branchegenoot JetServer. Plantenga: „NovoServe drijft geen handel met landen waarop een embargo rust, zoals Iran, Noord-Korea en Rusland. Dat geldt niet voor Israël. Het staat ons vrij daarmee zaken te doen – en dat doen we dus ook. Wat de politiek als onwenselijk bestempelt, verandert al naar gelang het huidige inzicht of de stemming in het land. Wij kunnen langdurige klantrelaties niet zonder meer stopzetten.”
Bovendien ziet Plantenga ook andere conflictgebieden in de wereld, waar regels al dan niet met voeten getreden worden. „Gaza is vooral in onze westerse media een punt van aandacht. Over andere conflicten waarbij veel burgerslachtoffers vallen, wordt gezwegen. Daarom volgen wij de wettelijke richtlijnen en gaan niet mee in andermans beoordeling van de stand van zaken in een gebied of land.”
Een overzicht van de verhalen die de economieredactie vandaag heeft gemaakt
Source: NRC