De trein van Long Branch, New Jersey, naar New York City was gevuld met gezinnen die terugkeerden van het strand naar de stad en een man met een dwarsfluit. Er was een paar keer omgeroepen dat de airconditioning het helaas niet deed.
De man zag eruit alsof hij ergens ging optreden, hij droeg ondanks de hitte een colbertje en er zat veel gel in zijn haar. Een bruiloft misschien, of een begrafenis. Hij leek me het type dwarsfluitspeler dat net zo lief op begrafenissen als op bruiloften speelt, zolang de betaling maar goed is geregeld.
Waarom hij de dwarsfluit los in zijn hand hield en niet in een koffer meedroeg was een raadsel dat ik niet zelfstandig kon oplossen.
Op het station Aberdeen-Matawan stapte een meisje in dat vanuit het gangpad langdurig naar twee mensen zwaaide, vermoedelijk haar ouders, of haar opa en oma. Ze droeg een linnen tas.
Noodgedwongen nam ze plaats naast de dwarsfluitspeler terwijl tranen uit haar ogen liepen. Hooikoorts allicht, maar voor hooikoorts was het veel traanvocht.
De dwarsfluitspeler wierp een blik op de tranen en keek toen meteen weer strak voor zich uit alsof hij niets had gezien. Het wordt snel te intiem in zo’n hete trein.
Wel verplaatste hij zijn dwarsfluit iets, zodat het meisje meer ruimte had om te huilen.
Was ze verlaten door haar geliefde?
Mijn zoon luisterde naar Wipneus en Pim, want het uitzicht viel hem tegen. Ook had hij verklaard dat filmpjes hem beter bevielen dan boeken.
‘Allebei je ouders zijn schrijvers’, antwoordde ik, ‘hier gaat iets mis.’
Het liet hem ijskoud.
Toen we New York binnenreden was het meisje nog altijd in stilte aan het huilen. Ik had gehoopt dat een van de andere reizigers een poging zou doen tot troost, maar daar was het vermoedelijk te heet voor.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns