Volkshuisvesting Tot voor kort was Heerlen-Noord een betaalbare oase op de woningmarkt. Uit het hele land verhuisden armere mensen naar de regio, die voor de zittende bewoners nu aanvoelt als anoniem doorgangshuis, met weinig kansen voor hun eigen kinderen. Om de gemeenschapszin terug te brengen wil de gemeente Heerlen de instroom reguleren.
Franco Piras (voor) is geboren en getogen in Heerlen-Noord.
Vanuit het huis van haar tante in Groningen, waar zij tijdelijk woonde, schreef Nella Windster (28) zich begin 2020 online in bij Thuis in Limburg (TIL). Hiermee kreeg de op Curaçao geboren Windster in één keer toegang tot het aanbod van bijna alle Limburgse woningcorporaties. Het is een tip die volgens haar al jaren rondgaat binnen haar kennissenkring: snel een betaalbare woning nodig? Probeer het in Limburg!
Vijf maanden later verhuisde Windster naar een tweekamerflat in Heerlen-Noord. Bij de gemeente klopte ze aan voor een bijstandsuitkering, want een inkomen had ze niet. „De ambtenaar blééf maar vragen wat ik helemaal uit Groningen in Heerlen kwam doen”, herinnert Windster zich. „Nou, ik had dringend een huis nodig voor mijn dochtertje. Bij mijn tante konden we niet blijven en op Curaçao zou een huurwoning wel twintig jaar duren.”
Door de woningnood verhuizen jaarlijks duizenden veelal arme mensen naar Heerlen-Noord (ruim 55.000 inwoners). Dit is een van de weinige plekken waar zij betaalbare huisvesting kunnen vinden. Tegelijkertijd trekken bewoners met wat meer geld weg vanwege het eenzijdige woningaanbod.
Gedurende enkele maanden sprak NRC met nieuwe en oude bewoners, politici, vrijwilligers, zorgverleners, woningcorporaties en scholen. Heerlen-Noord, zo schetsen zij, is een anoniem doorgangshuis geworden dat zich moeilijk laat opknappen. In schoolklassen brengen nieuwe leerlingen steeds weer nieuwe leerachterstanden met zich mee. Hechte buurten zien ‘hun’ jongeren noodgedwongen vertrekken.
Politici in Heerlen slaan nu alarm. Het college wil zo snel mogelijk toestemming om de instroom van kwetsbare nieuwkomers beter te gaan reguleren, zodat het gebied de kans krijgt om de balans te herstellen.
Heerlen-Noord is geen kleine enclave in een verder welvarende stad – bijna driekwart (69 procent) van de Heerlense huishoudens woont hier. Het gebied boven het spoor raakte in verval na de sluiting van de laatste kolenmijn in 1974. De levensverwachting is er zes jaar korter dan het Nederlandse gemiddelde. Opvallend veel bewoners kampen met problemen als schulden, armoede, een slechte gezondheid, onveiligheid en werkloosheid. De woningen zijn veelal klein en slecht onderhouden. Maar ook goedkoop, en daarmee aantrekkelijk voor mensen met weinig budget.
Om de leefbaarheid van het gebied te verbeteren, krijgt Heerlen sinds 2022 extra geld in het kader van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. Een belangrijk deel gaat naar toekomstige generaties: de kinderen van de kinderen die nu in Heerlen-Noord worden geboren, zo luidt de belofte, moeten over vijfentwintig jaar evenveel kansen hebben als kinderen op andere plekken in Nederland.
Oude Passart in Heerlen-Noord. Foto John van Hamond
Om dit te kunnen bereiken, moeten gezinnen – de ‘nieuwe’ én de ‘oude’ – vooral in Heerlen-Noord blijven wonen en een hechte gemeenschap vormen, terwijl de gemeente zorgt voor goed onderwijs, betere huizen, werk en meer veiligheid. Alleen, gezinnen blijven niet. Uit cijfers van het nationaal programma blijkt dat de afgelopen tien jaar 32.000 mensen van buiten de gemeente zich in Heerlen-Noord vestigden, terwijl er bijna net zoveel inwoners vertrokken. „It takes a village to raise a child”, zegt Ron Meyer, programmadirecteur van het Nationaal Programma Heerlen-Noord en oud-SP-voorzitter. „Maar als zo weinig mensen langere tijd in dit gebied wonen, over welk dorp heb je het dan nog?”
Nergens zijn de gevolgen van de snelle doorloop zichtbaarder dan op basisschool Paulus in de wijk Heerlerheide-Passart. Ruim 40 procent van de 126 leerlingen hier heeft een onderwijsachterstand, tegen 43 procent voor Heerlen-Noord en 8 procent gemiddeld in Nederland. „Veel kinderen spreken thuis geen of weinig Nederlands”, zegt directeur Patty van ’t Hoofd. Daarom lezen de leerkrachten bijvoorbeeld extra veel voor. ’s Middags blijven de schooldeuren langer open voor activiteiten als dansen, muziekles en bijles.
„Wij stemmen ons onderwijs altijd zo goed mogelijk af op het niveau van de leerlingen”, zegt Van ’t Hoofd. „Strijkt op een dag een groter gezin neer in de wijk, dan krijgen ineens vier klassen er een nieuwkomer bij. De groep waarmee je start, is eigenlijk nooit die waarmee je eindigt.”
De school staat vlak bij Oude Passart, een karakteristieke voormalige mijnkolonie. De donkere bakstenen van de kleine mijnwerkershuizen contrasteren met de, later toegevoegde, lichtgekleurde voordeuren. De inwoners vormden er tot voor kort een hechte gemeenschap, zeggen ze zelf, waarin ze voor elkaar boodschappen deden en op elkaars kinderen pasten. Op deze zaterdag in juni zit een groepje bewoners op klapstoeltjes op de stoep. Ze kletsen terwijl ze de spelende kinderen op het grote plein in de gaten houden.
Een van de bewoners is voormalig autorestaurator Franco Piras (65), zoon van een inmiddels overleden mijnwerker uit Sardinië. Hij is hier geboren en getogen en zou, zegt hij, nergens anders op de wereld willen wonen. Zijn moeder (88) woont nog altijd in zijn geboortehuis aan de overkant, zijn kinderen wonen om de hoek.
Franco en Janine Piras. Foto John van Hamond
De schuur in de tuin van Piras was tot voor kort het hoofdkwartier van het levendige vrijwilligersnetwerk in de buurt, aangestuurd door hem en zijn vrouw Janine (59). „Rommelmarkten, Pasen, Sinterklaas, de hele buurt was hier altijd aan de gang”, zegt Piras terwijl hij een shagje rolt. „Jong én oud. In de herfst holden we samen de pompoenen uit waarmee we de hele wijk versierden.”
Vrijwilligerswerk doet Janine Piras nog, maar nu een buurt verderop – de vrijwilligers uit Oude Passart heeft ze meegenomen. „Als ik mijn huis kon optillen en ergens anders kon neerzetten, dan zou ik dat nu doen.”
De bewoners vertellen over de vele nieuwe buren. Over het afval op straat. Over een buurman die héél boos werd toen zij hem vroegen of hij de auto even wilde wegzetten in verband met een rommelmarkt.
Franco gaat altijd meteen op nieuwkomers af. „Ik wil ze vragen waarom ze hier zijn, en of ik ze kan helpen. Ik heb niks tegen die mensen en snap ook dat ze hier komen wonen als ze elders geen huis vinden. Maar ik vind het niet leuk, want die mensen wíllen hier helemaal niet wonen.”
Zorgen zijn er over de jonge generatie – zal het ze lukken om in de buurt een woning te vinden? Ook in Heerlen loopt de woningnood inmiddels op. Iedereen kent wel een gezin met inwonende volwassen kinderen. Soms, na een scheiding, inclusief kleinkinderen. Ouders slapen noodgedwongen op de bank of op zolder.
„Onze kinderen worden depressief of draaien door”, zegt buurtbewoner Ron van der Vecht (63) die thuis zelf een volwassen ‘bonuszoon’ heeft die een woning zoekt. „Ze moeten gewoon een huis hebben, liefst hier in de buurt, maar krijgen te horen dat ze niet urgent zijn. En dan zien we wel al die Hollanders hier komen”, verwijst hij naar de nieuwkomers. „Wij begrijpen dat niet.”
Jeremy Thelen (22) blijft graag in Oude Passart wonen, de buurt waar hij opgroeide en waar hij zoveel mensen kent. Op dit moment woont Thelen nog bij zijn moeder, maar hij zoekt dringend een eigen huis in de buurt. Binnenkort bevalt zijn vriendin van hun eerste kind. „Ik sta al ingeschreven bij Thuis in Limburg sinds ik achttien ben, maar kan niks vinden”, zegt hij.
Thelen en zijn vriendin werken allebei – hij bij een afvalverwerkingsbedrijf en zij bij Kruidvat – en willen graag hun kind grootbrengen in Heerlen-Noord. Hiermee vormen zij een doelgroep die de gemeente zegt te koesteren, maar geen voorrang kan geven op een sociale huurwoning.
Buurtcafe ’t Volkshuis, met staand rechts Franco Piras. Foto John van Hamond
„Cruciaal!”, roept de Heerlense wethouder Casper Gelderblom (Wonen, PvdA, GroenLinks, Partij voor de Dieren) op de vraag hoe belangrijk hij het als wethouder vindt dat Thelen en zijn partner in Oude Passart kunnen blijven wonen. „Voor de gezondheid van een gemeenschap is het van wezenlijk belang dat mensen met toewijding aan een wijk er ook terecht kunnen. Juist daar schrijven wij op dit moment veel beleid op. Kinderen van onze eigen gemeenschappen moeten nu vaak noodgedwongen elders gaan wonen, dat willen wij niet meer.”
Het college hoopt vanaf 2026 een beroep te kunnen doen op de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (Wbmgp), ook wel de ‘Rotterdamwet’ genoemd. Daarmee wil het de instroom in 19 van de 57 Heerlense buurten strenger gaan reguleren voor iedereen van buiten de regio Parkstad.
Met de ‘Rotterdamwet’ gaat de rode loper uit voor iedereen die Heerlen volgens de gemeente ‘gezonder en sterker’ kan maken. Mensen die minimaal zes jaar in Heerlen wonen of werken, krijgen bij de woningtoewijzing een flinke streep voor. Dat geldt onder meer voor mensen met een ‘cruciaal beroep’ – bijvoorbeeld in de zorg of het onderwijs – of andere sectoren waar grote behoefte is aan personeel.
„Ook willen we een deel van de mensen die nu in Heerlen werken maar er niet wonen naar de gemeente zien te krijgen”, zegt Gelderblom. „Bijvoorbeeld werknemers van statistiekbureau CBS of van pensioenfonds ABP. Die kunnen in Heerlen nu vaak geen geschikte woning vinden.”
De gemeente wil de komende jaren duizenden nieuwe woningen gaan bouwen, óók in het midden- en hogere segment. Een deel van de verouderde corporatie-voorraad zal worden vervangen. „Gemiddeld behouden we 36 procent sociale huurwoningen, net als nu”, zegt Gelderblom. „Maar wel evenwichtiger verspreid over de stad. Ja, ook in villawijken, waarom niet?”
De Hoofdstraat in Hoensbroek (Heerlen-Noord). Foto John van Hamond
De ‘Rotterdamwet’ regelt ook welke nieuwkomers voorlopig niet meer welkom zijn: mensen zonder inkomen uit werk, of die in het verleden voor woonoverlast zorgden. De buurten waar zij zich straks waarschijnlijk niet meer kunnen vestigen, bevinden zich vooral in Heerlen-Noord.
Volgens Meyer doet Heerlen alles wat je lokaal kan doen, maar is dat niet genoeg. Zelf is hij voorstander van een ‘Nederlandwet’, die elke gemeente dwingt om te zorgen voor voldoende sociale huurwoningen. „Maar zolang die er niet is, passen wij de instrumenten toe die wij kunnen toepassen.”
Meyer groeide zelf op in een bijstandsgezin in Heerlen-Noord en neemt nieuwkomers niets kwalijk. „Ik vind het wél onacceptabel dat deze mensen nu worden verdrongen uit rijkere gemeenten. Vaak gaat het om een gescheiden alleenstaande moeder met kinderen, die arm is en schulden heeft. Zij begrijpt niks van ons, verstaat ons bij wijze van spreken niet eens, kent de weg hier niet, heeft geen netwerk en zit daardoor langer dan nodig in de bijstand.” Van de elfhonderd mensen die jaarlijks bijstand aanvragen in Heerlen, komt volgens Meyer een derde van buiten Limburg.
Nella Windster met haar kinderen. Foto John van Hamond
Nella Windster woont na vijf jaar nog steeds graag in Heerlen-Noord, samen met haar inmiddels zesjarige dochter en zoontje van drie. „De meeste mensen zijn aardig voor mij. Het is hier rustig, ik kan mijn kinderen buiten laten spelen.” Ruim twee jaar zocht ze tevergeefs naar een betaalbare driekamerwoning in Heerlen, in dezelfde buurt. Binnenkort vertrekt ze mogelijk naar een andere gemeente.
„Gisteren ontvingen we goed nieuws”, zegt een glunderende Jeremy Thelen in het huis van zijn moeder in Oude Passart, als NRC op een zaterdag in augustus terugkeert. „We krijgen een eengezinswoning met tuin in Voerendaal, volgende week ontvangen we de sleutels.” Op zijn onderarm staat in grote letters Latschana, de naam van zijn eind juli geboren dochtertje. In de kleine woonkamer slaapt zij in een babystoeltje, terwijl de jonge ouders naar haar kijken.
„Ik was liever in Heerlen gebleven, dicht bij mijn moeder”, zegt Thelen. „Maar het moet nu goed zijn voor ons kindje.”
Source: NRC