De moord op de 17-jarige Lisa maakt veel los. Hoe praat je met je puber over deze gebeurtenis, mét oog voor veiligheid, maar zonder onnodig angst aan te wakkeren? ‘Kinderen voelen feilloos aan als hun ouders zelf bang zijn.’
schrijft voor de Volkskrant over grote en kleine levensvragen.
‘Dit gesprek aanknopen is als opvoeder je primaire taak’, zegt klinisch psycholoog en pedagoog Arnold Groos. ‘Jongeren zijn tegenwoordig via sociale media en vrienden goed op de hoogte van wat er speelt.’ Dat betekent echter niet dat ze de beschikbare informatie echt begrijpen. ‘Pubers zijn geen mini-volwassenen, hun brein is nog volop in ontwikkeling. Waar ouders met weinig informatie een goed beeld kunnen vormen, zitten jongeren soms met zeer praktische en existentiële vragen: mag je dan nooit meer alleen fietsen? Betekent dit dat er meer mensen gedood worden?’
‘Dit gesprek moet je met dochters én zonen voeren’, benadrukt Loes Keijsers, hoogleraar pedagogiek aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Op die manier worden jongens zich bewust van subtiele vormen van seksisme die ze misschien zelf vertonen of in hun omgeving horen.
‘Het is goed als jongens van hun zus horen dat zij allerlei voorzorgsmaatregelen neemt als ze ’s avonds op de fiets stapt’, vult pedagoog Lieke Kalhorn, auteur van Luisteren naar pubers, aan. ‘Waarom is dat verschil er eigenlijk? Hoe eerlijk is dat? Zo vergroot je het bewustzijn.’ Wacht hier niet mee tot je kinderen zelfstandig uitgaan. ‘Je kan dit al bespreken als meisjes voor het eerst worden nagefloten op straat.’
Ga niet preken, maar stel vragen, adviseren alle deskundigen. ‘Het belangrijkste is dat je een open sfeer creëert’, zegt Kalhorn. ‘Vraag bijvoorbeeld: hoe ervaar jij dit nieuws? Heb je je weleens onveilig gevoeld op straat?’
Aan ouders ook de taak om de gebeurtenis in perspectief te plaatsen. ‘Erken hoe vreselijk het is, maar ook hoe zeldzaam’, zegt Keijsers. Want de cijfers laten zien dat de wereld veiliger wordt, niet onveiliger.
Het behouden van enige nuchterheid heeft nog een andere functie, vertelt Groos. ‘Kinderen voelen feilloos aan als hun ouders zelf bang zijn. Dan kunnen ze zich terugtrekken en besluiten informatie alleen met vrienden te delen.’
Het is begrijpelijk dat vaders en moeders bang zijn dat hun kind iets overkomt, waardoor ze bijvoorbeeld de regels over zelfstandig fietsen willen aanscherpen. Is dat slim?
Kinderen moeten beschermd worden tegen reële gevaren, zoals vapen, roken of het aangaan van schulden, zegt Keijsers. ‘Dat is wat anders dan je kind weghouden bij spannende, maar leerzame ervaringen, zoals ergens alleen naartoe fietsen. Opvoeders moeten leren om hun eigen angsten te tolereren.’
Wanneer slaat gezonde betrokkenheid van ouders om in overbescherming? Wetenschappers gebruiken die term wanneer ouders zich buitensporig zorgen maken, hun kind onnodig helpen of zich te veel bemoeien. Savannah Boele van de Erasmus Universiteit Rotterdam doet hier onderzoek naar, onder ruim vijfhonderd jongeren (12-18 jaar) en hun ouders.
Eerdere studies lieten zien dat ouderlijke overbescherming kan samenhangen met emotionele problemen op latere leeftijd, zoals depressie en angst. Boele benadrukt dat autonomie cruciaal is: ‘Jongeren moeten dagelijks mini-ervaringen opdoen met stressvolle gebeurtenissen. Al struikelend leren ze zelfstandig worden.’
Toch laat haar onderzoek iets anders zien. Op de korte termijn ondervinden jongeren géén directe nadelen van overbescherming. Ze voelen zich bijvoorbeeld niet ingeperkt of angstig. De voorzichtige conclusie van Boele: we moeten ons vooral zorgen maken over angstige ouders, en niet zozeer over de kinderen. ‘Overbeschermende ouders doen vaker aan locatietracking en zien de wereld als een gevaarlijke plek.’
Uit de studie blijkt dat twee derde van de ouders geregeld via de smartphone in de gaten houdt waar hun kind uithangt, een kwart doet dit meerdere keren per week. Opvallend genoeg ervaart driekwart van de jongeren dit niet als een probleem. Volgens Boele komt dat doordat ze via apps als Snapchat al gewend zijn hun locatie te delen.
Toch waarschuwt ze voor doorslaan. ‘Ga je je kind alleen volgen tijdens het uitgaan op zaterdagavond, of ook op maandagmiddag na school?’ Bovendien, zo voegt ze toe, is locatietracking hooguit schijnveiligheid. ‘Als er echt iets gebeurt, ben je toch te laat.’
Brainstorm samen over welk gedrag veilig is in welke situatie: wanneer kun je zelfstandig naar huis fietsen, wanneer met vrienden en welke maatregelen neem je dan? ‘C’est le ton qui fait la musique’, benadrukt Keijsers. ‘Jongeren hebben vaak verrassend goede ideeën en oplossingen.’
Volgens pedagoog Groos is het belangrijk dat jongeren een eigen antenne ontwikkelen voor risico’s. ‘Ouders hebben de neiging regels op te leggen, maar zelfstandigheid ontstaat juist door mee te denken en ruimte te geven.’
Ouders mogen zeker grenzen stellen, zoals: niet door het park fietsen in het donker. Een te streng beleid kan er echter toe leiden dat jongeren niet meer durven aankloppen als er iets misgaat. ‘Laat weten dat ze je altijd mogen bellen, ook als ze afspraken hebben overtreden door bijvoorbeeld alcohol te drinken’, zegt Kalhorn.
En misschien nog wel belangrijker: ouders doen er wijs aan te benadrukken dat het nóóit de schuld van het kind is als dat ooit in een onveilige situatie belandt.
Source: Volkskrant