De zomervakantie is afgelopen en daar is-ie weer: de klassenlijst. Maar is dat woord nog wel op zijn plaats? Op de basisschool van mijn zoon (11) ontvangen we sinds een paar jaar geen overzicht meer met de namen, geboortedata en adressen van zijn klasgenoten, plus telefoonnummers van hun ouders.
Wat daarvoor in de plek kwam, is zo minimalistisch dat ik er telkens bijna van in de lach schiet: een lijstje met louter de voornamen van de kinderen. En als dezelfde naam twee keer voorkomt, vooruit, nog een initiaal erbij.
De reden? Privacywetgeving. Volgens de AVG, zegt de school, mogen er zonder toestemming geen persoonsgegevens meer van leerlingen en ouders worden gedeeld. Voornamen is de max. De school van mijn zoon is daarin niet uitzonderlijk: navraag bij de PO-raad, de koepel van basisscholen, leert mij dat dit de standaard is in het hele land.
Zo’n parodie op een klassenlijst roept iedere keer weer irritaties bij me op. Wat een overdreven interpretatie van privacyregels! Je kunt als school toch gewoon zoiets onschuldigs als een klassenlijst verstrekken? Kinderen uitnodigen voor een verjaardagspartijtje is een stuk tijdrovender geworden op deze manier.
Bovendien getuigt het van een dubbele standaard. We leveren dagelijks ons hele hebben en houden uit aan Big Tech: via Instagram, WhatsApp, Google Docs, etc. Sillicon Valley weet méér van ons dan onze familieleden. Maar een basisschool die een klassenlijst verstrekt? Nee, dat mag niet.
Ik ga te rade bij Rejo Zenger van digitalerechtenorganistie Bits of Freedom. Op een Amsterdams terras, een paar honderd meter van de school van mijn zoon, hoort Zenger vanachter een flat white mijn verhaal aan. Hij snapt mijn bezwaren, zegt hij, maar hij denkt er toch anders over. „Die privacywetgeving is bedoeld om ons controle te geven over waar je online te vinden bent. En dat geeft vrijheid.”
Adressenlijsten verspreiden, foto’s van kinderen online zetten – het lijkt iets kleins, zegt Zenger, maar je kunt de reikwijdte niet overzien en de techniek schrijdt razendsnel voort. „Die foto’s kunnen gescraped worden. Over een paar jaar kan iedereen via gezichtsherkenning jouw kinderen herkennen op die foto’s.”
Maar hállo, zeg ik, een klassenlijst – dat is toch alleen voor onderling gebruik? „Er is altijd wel een ouder die zo’n lijst importeert naar zijn digitale adressenbestand. Gebeurt soms per ongeluk. En dat synchroniseert weer naar een cloud. Zo zitten de gegevens van de hele klas in twee stappen bij een Amerikaans techbedrijf. Onomkeerbaar.”
Zenger neemt nog een slok van zijn koffie. „En dan je andere punt. Het is supermakkelijk om mensen hypocriet te noemen. Maar het is ook heel moeilijk om het ‘goed’ te doen. Je kunt wel zeggen: ik doe geen WhatsApp meer of geen Google Docs. Maar wat als andere mensen, op je werk of privé, dat niet doen?”
Hmm. Goede punten, allebei. Ben ik dan een ouwe lul aan het worden, die vindt dat vroeger alles beter was? Nee, zegt Zenger. „Je klachten laten zien hoe groot de macht is die techbedrijven over ons leven hebben.”
Oké, touché. Ik zal niet meer klagen over de klassenlijst – alleen nog besmuikt gniffelen. Bovendien was dit de laatste keer: vanaf volgend jaar zit mijn zoon op de middelbare school.
Source: NRC