Klassiek Artistiek leider Daniel Rowland houdt duidelijk van ferm gespeelde kamermuziek. Zo doet hij het zelf, en zo doen de vrienden die hij uitnodigde op zijn 21ste Stiftfestival het ook. Hier klinkt barokmuziek zoals honderd jaar geleden: hard en intens.
Minna en Jani Pensola op het Stiftfestival. Foto Serban Mestecaneanu
Vijf dixies en een plaskruis; dat is het eerste teken dat er wat aan de hand is op Kasteel en Landgoed Twickel bij het Overijsselse Delden. De binnenplaats van het kasteel staat afgelopen vrijdag helemaal vol met witte plastic tuinstoelen, gericht op een simpel maar doeltreffend overdekt podiumpje. Daar klinkt het openingsconcert van het 21ste Stiftfestival, het klassieke festival van violist Daniel Rowland, dat nog een week plaatsvindt op meerdere mooie binnen- en buitenlocaties in en rond Enschede. Thema is dit jaar ‘Noorderlicht’. Rowland programmeerde muziek uit de Noordse landen (inclusief Estland) en vloog van daaruit bevriende musici in. Het openingsconcert geeft een voorproefje: in een ruime elektronische galm komen al zeventien vrienden voorbij. Rowland staat ertussen als een soort André Rieu van het oosten: met flamboyant gebaar en gevoel voor drama jut hij hen op om nog meer te geven.
Festival
Eerste twee dagen van het Stiftfestival. Gehoord, 22 en 23/8, diverse locaties in Delden en Enschede.
Festival duurt nog t/m 30 augustus.
Info: stiftmusicfestival.nl
Rowland houdt van heftig spel, en daar lijkt hij zijn vrienden ook op uitgekozen te hebben: de eerste twee dagen van het festival valt vooral op hoe stevig iedereen speelt. In het ochtendconcert in de ‘Oranjerie’ van het landgoed (een smalle plek met een verbazingwekkend ideale akoestiek voor kleine klankjes) klinkt barokmuziek van o.a. de niet ontzettend bekende Deldense componist Unico van Wassenaer, die dit kasteel bewoonde (en wiens Concerto Armonico nr. 4 niet bepaald een argument is voor een Van Wassenaer-heropleving), Bach en Vivaldi. Maar wel op een manier die je niet vaak meer hoort: hard, intens, een beetje zoals Karl Richter het op de plaat zette voor de historische muziekbeweging opkwam.
Daardoor zijn het vooral de uitzonderingen die opvallen: zoals in hetzelfde ochtendconcert gitarist Ismo Eskelinen die prachtig klein een Prelude en Fuga (BWV 998) van Bach speelt. Of die avond ervoor Minna en Jani Pensola met een enorm spannend duo voor viool en contrabas; Miniö van Jaakko Kuusisto. Of Saimi Kortelainen, die in het tuinconcert zaterdagmiddag niet alleen solo Noordse volksmuziek speelt op viool, hardangervedel en boventoonfluit, maar het publiek ook stil krijgt als ze de mythes vertelt die bij de muziek horen („Kijk, de krul van deze viool is een drakenkop. Wraaaaawrgh!”). En al helemaal de veertienjarige violist Vilma Tikkanen, die begeleid door Eskelinen totaal verbluft met technisch goed spel en een ontwapenend gebrek aan bewijsdrang of egovertoon: zelfs de hondsmoeilijke dubbelgrepen en linkerhandpizzicato’s van Paganini blijven klein, dicht bij haarzelf. Onthoud die naam.
Jammer is dat het Stiftfestival net het lokale karakter niet ontstijgt. Wie er voor het eerst komt en onbekend is in de omgeving, loopt wat verloren rond op en rond het landgoed. Er is geen plattegrond, ook geen bewegwijzering. Waar de ‘Oranjerie’ is en via welke poort je daar moet komen, moet je maar gewoon weten. Dan maar achter mensen aanlopen en hopen dat het goedkomt was een naïef idee; het landgoed loopt ook vol wandelaars die helemaal niet voor muziek blijken te komen. Ook tamelijk ongemakkelijk: je ziet geen verschil tussen bezoekers en vrijwilligers. „Hee, ik wil natuurlijk wel je kaartje even zien!”, roept ineens iemand midden in het wachtende publiek verontwaardigd. Eh, ja, natuurlijk.
De concerten zelf duren anderhalf tot twee uur. Dat is vrij lang voor stevig gespeelde kamermuziek, het put je langzaam uit. Jammer, want dat levert de reflex op om maar liever een concertje minder dan een concertje meer te bezoeken. Het meest wreekt zich dat tijdens het concert in de Deldense Oude Blasius-kerk; een brede kerk waarin het geluid optimaal rondvliegt en bij elke echo harder lijkt te worden. Daar staan je trommelvliezen al bol voordat na ruim een uur het hoogtepunt komt: Sibelius’ Strijkkwartet in d klein, dat zelf ook nog een half uur duurt. Zonde, het is een mooi stuk en het wordt goed gespeeld; het had minder vermoeide oren verdiend.
Het slotconcert op zaterdag, in het chronisch ondergewaardeerde Muziekcentrum in Enschede, levert gelukkig nog wel een grote verrassing op. Hoe krijgt dirigent Xandi van Dijk het voor elkaar om zo’n wonder te verrichten bij orkest Phion? Nooit hoorde ik ze zo dynamisch, zo wendbaar, zo in balans en met zoveel kalmte tussen de muzikale frases als in de begeleiding van Griegs Pianoconcert en Anna Clynes DANCE for cello and orchestra. Pianist Marianna Shirinyan toont zich op een harde en ijzerig geïntoneerde vleugel totaal toondoof voor Phions avances: zij gooit noten de zaal in alsof het stenen zijn. Maar cellist Maja Bogdanovic gaat volledig in die klank mee, doemt alleen op als het nodig is en kan hele kleine climaxjes spelen in een celloconcert dat zeker nog een paar speelbeurten waard is.
Het Jazz Concerto van en gespeeld door de excentrieke Svante Henryson is een uitstekend vrolijkmakende afsluiter van een lange dag. Daarover had ik een losse recensie kunnen schrijven, maar misschien kun je het beter zelf even opzoeken. Het staat in z’n geheel op YouTube.
Source: NRC