ColumnELLEN DECKWITZ
Toen ik opgroeide was een van de grootste filosofische twistpunten thuis het levensmotto van mijn vader, dat je op een gegeven moment „gewoon” over moet gaan tot de orde van de dag. Stop met nadenken, terug naar de regelmaat, op naar de vaat.
Al zijn nakomelingen kreunden wanneer hij weer eens aankwam met deze dooddoener, vooral wanneer we niet wisten wat we met de wereld aan moesten waarin we – overigens dankzij hem – ongevraagd waren beland. Dan hadden we misschien liever gewoon een luisterend oor gehad. Helaas zou hij wettelijk gezien tot onze achttiende de baas zijn, en zo duwde hij ons bij iedere existentiële twijfel een schoffel in de handen en stonden we menig zaterdagmiddag in de Bornse klei te hakken, een spoor van ontheemde kevertjes en regenwormen met dwarslaesies achterlatend want hey, zo hield je de orde van de dag in stand.
Op een zeker moment, ik zal een jaar of vijftien zijn geweest, kwam mijn vader opeens aanzetten met Zonder vaandel, de biografie van Belle van Zuylen van Pierre en Simone Dubois.
„Lees dit”, zei hij. „Dit is iemand die vindt dat tuinieren het beste medicijn is tegen kopzorgen.”
Ik zou pas tegen het einde van de 853 pagina’s tellende baksteen ontdekken dat die uitspraak helemaal niet van Van Zuylen was maar van Voltaire (die hem ook nog eens deed in een van sarcasme druipende novelle). Maar dat maakte niets uit, want al lezende stuitte ik op een brief waarin Belle verzucht dat ze het niet kan uitstaan wanneer mensen zeggen dat je gewoon bezig moet blijven om het bezig zijn. Je moet, zo stelt ze, nou eenmaal ook tijd vrijmaken om te reflecteren; ze schrijft dat „[…] de tuinman de tijd moet hebben om over het kweken van zijn planten na te denken en niet altijd met het kweken bezig moet zijn”. Het leven is niet alleen gebaat bij harde actie, maar ook bij bezinning: „Wat is verstandig te denken? Dat is wat je je soms moet afvragen; op die manier ga je nooit te ver of zonder het te weten een teleurstellende of gevaarlijke kant uit.”
Triomfantelijk las ik het citaat aan mijn vader voor en bracht als gevolg daarvan de rest van de namiddag door met het wieden van onkruid. Maar er was de niet meer uit te roeien gedachte dat het gevaarlijk is om klakkeloos te accepteren dat de orde van alledag bij voorbaat heilzaam is. Aldus wiedde ik door en zat ik de tijd tot ik eindelijk stemrecht had uit. Verwijderde jonge aanwas met wortels en al, maar liet de boterbloemen met rust, want die waren het bewijs dat je zelfs op de schraalste grond nog bloeien kon.
Ellen Deckwitz schrijft elke week op deze plek een column.
Source: NRC