Coalitievorming Om te kunnen regeren, moeten politieke partijen ná de verkiezingen compromissen sluiten. Daar zou het volgens Tom-Jan Meeus in de campagne al over moeten gaan.
Nederland zoekt al vier jaar een opvolger van Mark Rutte. Op 1 april 2021 nam de Tweede Kamer een motie van afkeuring tegen hem aan, nadat hij tegen een Nieuwsuur-verslaggever onwaarheid had gesproken over zijn inbreng in de kabinetsformatie.
Tom-Jan Meeus is redacteur van nrc.
De premier overleefde het debat nipt, maar hierna werd het niets meer. Er volgde een moeizame formatie, zijn vierde kabinet was weifelend en zwak, en vanaf het voorjaar van 2022 stond ook zijn eigen partij tegen de premier op. Eerst over stikstof, later migratie. Toen Rutte IV in de zomer van 2023 viel was hij een versleten versie van zichzelf: zijn aanblijven na 1 april 2021 was een zinloze toegift geweest.
En het tekent de nationale politiek dat het zelfs daarna niet lukte zijn opvolger te vinden.
Op zichzelf bood de uitslag van 2023 aanknopingspunten. Behoudend Nederland deed het historisch goed. Het land gaf een rechts-conservatieve meerderheid alle ruimte voor restrictieve migratiepolitiek en andere reactionaire verlangens.
Maar de nieuwe rechtse coalitie bleek niet eens in staat tot zelfdefinitie: een reden van bestaan was al te veel gevraagd. Het Hoofdlijnenakkoord Hoop, lef en trots was een stapel standpunten zonder samenhang, de portefeuilleverdeling het bewijs dat partijen primair voor het eigenbelang gingen. De PVV gunde alleen zichzelf de asielportefeuille, BBB gunde alleen zichzelf Landbouw, et cetera.
Zelfs de opvolging van Rutte werd halfhartig geregeld. Verkiezingswinnaar Geert Wilders (PVV) mocht of wilde geen premier worden. Haagse oud-collega’s van de partijloze oud-topambtenaar Dick Schoof zagen al snel dat Schoof zich had laten strikken voor een bijrol: vlag op de modderschuit. Toen de fractievoorzitters van de coalitie besluiten namen over de Voorjaarsnota, moest hij op de gang wachten.
En het interessante was: de voornaamste vaardigheid waarmee Rutte de landspolitiek jaren domineerde, het vermogen om met elke politicus en partij tot samenwerking te komen, was bij deze coalitieleiders vrijwel volledig afwezig.
Het onderstreepte ook hoe onbevredigend verkiezingscampagnes zijn geworden. Partijen produceren in campagnetijd een zodanig groot overaanbod aan politiek dat geen mens overzicht kan houden. Hun standpunten, plannen, ambities: ze zijn in campagnetijd voor elke belangstellende met één muisklik beschikbaar.
Sociale media worden overspoeld met plaatjes en praatjes van de politici zelf. Via tal van digitale wegen online – app-groepen, stories, direct messages – proberen partijen angsten en andere emoties van kiezers te bespelen. Stemwijzers geven kiezers de mogelijkheid hun politieke identiteit te toetsen: bij welke partij passen ze? En professionele media bieden de weken voorafgaand aan verkiezingen overzichten van beleidsthema’s, analyses, interviews, profielen en debatten.
Het levert vaak voortreffelijke journalistiek en interessante informatie op, dat is het punt niet. Maar de ervaringen met de laatste coalitie bewijzen dat in campagnes al jaren een elementair aspect ontbreekt: een toets op de democratische vermogens van partijen en hun leiders. En dan vooral: hun vermogen om tot samenwerking te komen.
Op zichzelf is het goed dat partijen in een campagne uitdragen hoe ze de maatschappij zouden inrichten als zij het voor het zeggen hebben. De ideale samenleving van de ChristenUnie, de SP of de VVD. Het idee van het bestel is nu eenmaal dat de Tweede Kamer besluiten neemt door al die idealen en wereldbeelden met elkaar in botsing te brengen. Maar de Tweede Kamer krijgt na de verkiezingen óók het voortouw bij de vorming van een nieuwe regering. En regeringsvorming vereist dat politici en partijen zich in elkaar inleven. Dat ze inzien dat ze hun eigen idealen en wereldbeelden ondergeschikt moeten kunnen maken aan mogelijke samenwerking. Dat bescheidenheid, matigheid en zelfrelativering óók elementair zijn voor politici.
Kijk terug naar de vorige campagne voor de Tweede Kamer, in 2023, en je zult zien dat het er zelden over ging. Met Pieter Omtzigt (NSC) en Geert Wilders speelden twee politici een hoofdrol die hadden bewezen dat ze moeite met samenwerking hebben. Wilders weigert ledeninspraak in de PVV, en liet Rutte I zonder vooraankondiging vallen. Omtzigt was voor talloze CDA’ers onmogelijk om mee te werken. Ervaringen die amper aandacht kregen.
Tegelijk ging het wél eindeloos over thema’s waarop het kabinet tot de val weinig tot niets presteerde. Asiel en migratie? Wilders zette minister Faber al af toen haar asielwetten nog door de Kamer moesten. Bestaanszekerheid? In de mist verdwenen. Goed bestuur? Volgende vraag. Tegenmacht? Vergeten.
En in het in 2023 meest gedeelde campagnefragment zette Wilders bij SBS6 Frans Timmermans op zijn nummer toen een mevrouw de beëindiging van het eigen risico in de zorg wilde. Zij was volgens Wilders in zodanige nood dat ze niet meer kon wachten. Het moest nu worden geregeld, zei de PVV-voorman. Timmermans wilde het eigen risico halveren maar, sneerde Wilders, dat kon hij makkelijk zeggen met zijn Brusselse wachtgeld.
Na de verkiezingen kwam Wilders met coalitiepartners de halvering overeen die hij Timmermans in dat debat verweet, al ging die pas na twee jaar in. De betreffende mevrouw werd naar televisiestudio’s gehaald. Ze was nog steeds enorm tevreden dat Geert voor haar opkwam, zei ze. Maar haar houding bewees ook dat ze wel degelijk kon wachten. Vervolgens bleek dat Wilders zelf meende dat ze nog wel wat langer kan wachten: omdat hij het kabinet liet vallen staat ook de halvering van het eigen risico niet meer vast.
Dus dat fragment, en alle ophef erover, was achteraf één grote farce. Het onderstreept dat het bekendste campagneformat van de professionele journalistiek, het lijsttrekkersdebat, zijn functie dreigt te verliezen. Het bestaat vooral nog uit gerepeteerde oneliners die inzicht geven in de verbale vermogens en lichaamstaal van de kandidaten. Maar uiteindelijk vertellen ze weinig over hun houding na de verkiezingen. Voor interviews geldt helaas vaak hetzelfde. Ook stemwijzers bieden weinig of geen informatie over de bereidheid van kandidaten om tot samenwerking met anderen te komen.
Dus als de journalistiek erin zou slagen manieren te vinden om in interviews en debatten het vermogen tot samenwerking te testen, kan dat een voorname bijdrage aan de kwaliteit van de campagne zijn. Ik zeg niet dat het gemakkelijk is, ik zeg alleen hoe belangrijk het is.
In tijden van ‘demosclerose’ is het elementair dat kiezers al vóór de verkiezingen de democratische gezindheid van partijleiders kunnen inschatten: zijn zij, als het erop aankomt, bereid eigen opvattingen te relativeren om tot een houdbare coalitie te komen? En minstens zo relevant: hebben kiezers de democratische gezindheid om te accepteren dat de politicus van hun keuze die inschikkelijkheid moet opbrengen?
Aan Rutte mankeerde van alles. Het app-verkeer met Donald Trump rond de NAVO-top liet zien dat zelfs de meest gênante vleierij hem niet te gek is om zijn zin te krijgen. Het neemt niet weg dat hij in Den Haag het vermogen en de democratische gezindheid had om met elke politicus en elke partij politieke overeenstemming te bereiken. Ook met de oppositie, van de SGP tot en met de SP.
De afgelopen periode hadden zelfs de vier coalitieleiders smetvrees voor elkaar. En het was toch handig geweest als iets daarvan al voor de verkiezingsdag in 2023 aan de orde was gekomen.
Source: NRC