Winkelstraat De Rotterdamse winkelstraat ‘Zwart Jan’ trekt islamitische klanten tot van over de grens. „Het is wel wij hier en jullie daar.”
Khadija Lamrani was in 1999 de eerste Marokkaanse ondernemer in de Zwart Jan.
Al vroeg in de ochtend is Hajar (20) in Dortmund met haar ouders en zus in de auto gestapt voor een dagje ‘Zwart Jan’, vertelt ze, op straat in Rotterdam. Haar ouders en zus staan naast haar, met papieren tassen vol net gekochte spullen. Haar vader had op YouTube een item over de Zwart Jan gezien. Dáár wilde hij heen. Net als een groepje van vier vriendinnen, ook uit Duitsland. Zij komen voor de grote keus aan modest fashion, elegante abaya’s en leuke hoofddoeken.
De Zwart Jan. Dat is de liefkozende naam die kenners gebruiken voor een winkelstraat in het Oude Noorden van Rotterdam, officieel bestaande uit de Zwart Janstraat en de Noordmolenstraat. Beleidsmakers spreken liever van de Noorderboulevard.
In de afgelopen tien jaar is de Zwart Janstraat van een wat morsige winkelstraat veranderd in een islamitisch winkelparadijs met een zekere allure. Islamitische klanten vinden hier alles wat ze nodig hebben. Kleding, van goedkoop en simpel tot de allerduurste bedekkende mode. Rijen en rijen aan hoofddoeken in alle tinten, als een waaier met verfkleuren. Islamitische boeken, cadeau-artikelen, Marokkaanse, Turkse, Syrische delicatessen, halal restaurants en koffiecorners. Klanten komen uit Rotterdam, de rest van Nederland en uit België en Duitsland.
De Zwart Janstraat en de Noordmolenstraat in de Rotterdamse wijk Oude Noorden staan onder winkelpubliek bekend als ‘de Zwart Jan’. Door natuurlijk verloop groeide in de straat het aantal winkels dat zich richt op een islamitisch publiek.
Het is niet eens een ideale winkelstraat: smal, met niet al te brede stoepen en aan weerszijden over de hele lengte parkeervakken. Maar als je op een zomerse zaterdag door de Zwart Jan loopt, waan je je in Tanger. Winkels hebben namen als Marokko Shop XL, Caftan Paleis en Boutique Alhouceima. Jongeren flaneren, zorgvuldig opgemaakte meisjes met hoofddoeken zitten op de terrassen, vanuit telefoons klinkt de oproep voor het gebed. Mannen in djellaba doen snel even een boodschap.
Deze ‘islamitische Koopgoot’ ontstond geleidelijk, het was geen beleid. Als een winkel leeg kwam te staan, werd die overgenomen door een islamitische ondernemer. Een van hen was Zakaria Talhaoui, een 31-jarige Hagenaar die het ondernemen met de paplepel kreeg ingegoten. Op zijn zestiende was hij al bedrijfsleider in een filiaal van het familiebedrijf. Talhaoui: „Ik moet ook híer zitten, dacht ik. Ik ken de doelgroep, ik bén de doelgroep.”
Op zijn 21ste begon hij met de Hadiethshop online. Eerst als leverancier van islamitische producten, zoals boeken met profetische overleveringen vormgegeven als tegeltjeswijsheden. Hij werd een van de grootste in de Benelux. Sinds 2023 heeft hij ook fysieke winkels, onder meer in de Zwart Jan. „We proberen goed te luisteren naar wat er leeft. Ik volg de markt op de voet, ook de witte markt.”
Maar ere wie ere toekomt. De pionier, zo merken meerdere ondernemers in de straat op, is Khadija.
In een winkel vol geborduurde Marokkaanse jurken, sieraden, met glimmende mozaïeksteentjes versierde schalen, wierook en schoonheidsproducten staat Khadija Lamrani (52) achter de toonbank. Zij was de eerste Marokkaanse ondernemer in de straat. Lamrani vertelt haar verhaal achter een van haar traditionele Marokkaanse tafeltjes, met koekjes en gesneden fruit erop, die ze trouwens ook verhuurt. „In die tijd, 1999, had je alleen in Utrecht en Beverwijk een soortgelijke winkel. Dus waar moest je zijn als je een Marokkaanse jurk wilde? Bij Khadija.”
Ze had de ondernemingszin van haar vader, die als gastarbeider naar Nederland kwam en meteen ook een winkel in Marokkaanse stoffen en kleding begon. Een soort bazaar, met kleine prijzen. Khadija hielp hem. „Ik heb geen vergunning, wel ervaring”, zei haar vader tegen de controlerend ambtenaar die langskwam. Zo werkte dat niet in Nederland. Besloten werd dat Khadija de diploma’s zou gaan halen. De deal met haar vader: zolang ze studeerde, hoefde ze niet te trouwen.
Khadija Lamrani had de ondernemingszin van haar vader, die als gastarbeider naar Nederland kwam.
Haar zaak was destijds even wennen voor de witte winkeliersvereniging. Khadija sprak met de leden en stelde ze gerust. Haar winkel werd mooi en netjes, met degelijke spullen. Ze mikte op de grote Marokkaanse gemeenschap in Rotterdam-Noord, vertelde ze hen. Ze verkocht ook producten die in trek waren bij Surinamers en Kaapverdianen.
Inmiddels zijn de rollen omgedraaid. Witte Nederlandse retailers zijn op één hand te tellen in de Zwart Janstraat. Oudgedienden Ton (78) en Tieneke (73) Rhemrev zagen dat gebeuren. In 2022 stopten ze na vijftig jaar met hun goudsmederij annex juwelier. Ze woonden boven de zaak. Ze verkochten daar wel wat standaard sieraden, zoals ringen met een lieveheersbeestje en kettinkjes met een hartje. Maar het meeste plezier haalden ze uit exclusieve ontwerpen; Ton kon zowat alles maken wat klanten wensten.
Toen ze in 1972 begonnen, lag de Zwart Jan in een witte volksbuurt. Mensen gingen aan het eind van de maand met hun loon contant in een zakje langs de winkels. De straat telde zes andere juweliers. Er zaten ‘speciaalzaken’, zoals een stripboekenwinkel, een winkel voor korsetten, een schoenenwinkel voor grote maten, een dierenwinkel. Er was een Chinees en patatzaak De IJsbeer. Later werd dat een pizzeria. Ton: „Dan had je het qua horeca wel gehad.” In die tijd was de straat na zes uur ’s avonds uitgestorven. Tegenwoordig bruist het, zeker in het weekend, tot in de avond, zegt hij.
Begin jaren tachtig was er crisis – ook in de Zwart Jan. De overheid bezuinigde, de huren gingen omhoog, hypotheken met rentes van 13 procent waren normaal. Veel winkeliers vertrokken, maar Ton en Tieneke bleven. Het bleek een goede zet, begin deze eeuw werd de straat een A-locatie. Dat dreef de huren op, en niet alle ondernemers konden die betalen.
Migrant-eigenaren overleefden vaker dan de ondernemers die er eerder zaten, zagen ze. Ze hebben een andere mentaliteit, denkt Ton: de hele familie werkt mee, daardoor vallen de kosten lager uit. Ze werken ook vaker lange dagen, zegt hij, en niet zelden zeven dagen in de week.
Sinds een jaar of tien groeit het aantal het aantal winkels die zich richten op een islamitisch publiek. Niet iedereen vond dat prettig. Die mensen vertrokken naar wijken als Alexanderpolder of Ommoord. Tieneke: „Nederlandse buren voelden zich verloren. Misschien zijn wij te artistiekerig, maar wij vonden het wel leuk. Dingen veranderen gewoon.” Ze smeedden rustig door. Wel hadden de nieuwe klanten een iets andere smaak. Ton denkt na. „Wat klassieker”, zegt hij dan.
Toch is het winkelaanbod de laatste vijf jaar wel erg eentonig geworden, vindt het juweliersechtpaar. Vooral de winkels met modest fashion lijken steeds meer op elkaar. Ton en Tieneke vinden het fijn voor de moslims, dat ze alles kunnen vinden. Maar ze hadden het leuker gevonden als de boel meer in verhouding was geweest.
Dat bezwaar komt vaker ter sprake als het over de Zwart Jan gaat. En niet iedereen verwoordt het even subtiel als de Rhemrevs. „Er komen hier nu vooral moslimvrouwen met van die kleedjes”, zegt een bezoeker van Café Centraal die anoniem wil blijven, zijn naam is bij de redactie bekend. Quasi verontwaardigd: „Er zijn geen kledingwinkels meer voor ons.” Hij haast zich te zeggen dat hij geen racist is. „Die vrouwen” groeten hem als hij op het terras van het café zit, midden in de Zwart Janstraat, en hij groet ze altijd terug, verklaart hij. „Maar die mannen, ze rijden in dikke Mercedessen en wonen in de mooiste huizen. Waar doen ze het van?”
Er moet meer variatie komen, vindt Khadija. Winkels die voor iedereen interessant zijn, zoals voor heren- en kinderkleding. „En waarom is er nog maar één schoenenzaak overgebleven? Dragen wij geen schoenen? Deze straat moet meer een mengelmoes zijn. Nu is het wij hier en jullie daar!”
‘Daar’ is deze zaterdag bijvoorbeeld op de drempel van het Noordplein waar de Zwart Jan op uitkomt. Op dat plein vindt de wekelijkse Rotterdamse Oogstmarkt plaats, die juist overwegend witte klanten trekt. Zij wandelen tussen de kramen met biologische kazen en worsten, met zuurdesembroden en vergeten groenten.
Halverwege de straat hangt een man rond naast een terras. Voorbijgangers spreekt hij aan met islamitische wensspreuken, zijn handpalm geopend. Hij vraagt om geld. De man komt uit Marokko, via de Turkije-route, en heeft geen papieren. Hij hoorde in het daklozencircuit dat in deze straat veel islamitische weldoeners komen.
Eigenaar Zakaria Talhaoui van Hadiethshop, een islamitische winkel aan de Zwart Janstraat in Rotterdam-Noord.
De Zwart Jan te islamitisch? Zakaria Talhaoui van de Hadiethshop reageert beslist als de verslaggevers hem dit geluid voorleggen. „We leven in een land met ondernemersvrijheid. Ik ga geen gram mee in dat geluid. De straat is open voor iedereen.”
We zijn juist blij dat al deze winkels in een straat bij elkaar zitten, zeggen veel vrouwelijke bezoekers. Een jonge vrouw: „We komen speciaal uit Brabant om te shoppen.” Haar vriendin: „Dit brede aanbod hebben ze bij ons niet. En je ziet het ook niet in het centrum. Er zijn winkels, maar dan moet je precies weten waar je moet zijn.”
Ook een van de weinige witte bezoekers op deze zomerse zaterdag, een evangelist („we komen de boodschap van de Here Jezus brengen”) is te spreken over de grote keus in bedekkende kleding.
In Duitsland zijn er wel wat van zulke winkels, zegt bezoeker Hajar in het Engels. Maar het aanbod is veel kleiner, duurder en „minder esthetisch”. Ze hebben zojuist een kaftan gekocht voor haar zusje. Het gaat haar niet alleen om het assortiment, zegt ze. „Er hangt een goede vibe. De mensen zijn vriendelijk. Mijn moeder, die geen Engels spreekt, kan gewoon in het Marokkaans uit de voeten. Ze voelt zich op haar gemak.”
Winkeleigenaar Khadija noemt een dagje naar de Zwart Jan om deze reden ‘een sociaal uitje’. „Je komt altijd wel bekenden tegen met wie je een praatje maakt.”
Zakaria Talhaoui, eigenaar van Hadiethshop.
Bij een straat waar de islamitische gemeenschap zich thuis voelt, hoort ook een gebedsruimte, vond Talhaoui. Eerder dit jaar opende hij de Prayer Lounge in het pand waar eerder drogisterij Trekpleister zat. Het zijn twee mooie, schone ruimtes met tapijt op de vloer, waar mannen en vrouwen kunnen bidden. Inclusief wasgelegenheid en toilet. Zo hoeven bezoekers het gebed niet uit te stellen of in winkels te vragen of ze in het magazijn hun bidkleedje mogen uitrollen.
Gevraagd naar de reden om deze Prayer Lounge te openen, antwoordt hij met één woord: „Da’wah.” Een islamitisch begrip dat vertaald kan worden als: uitnodigen tot de islam. „Ik besloot: als het mensen helpt met hun geloof, dan is dat waardevol genoeg. En je ziet, er is behoefte aan.” Op vrijdag en zaterdag, de drukste dagen, staat er een rij voor de lounge. En: de wachtenden kunnen ondertussen het assortiment souvenirs, kinderboeken en luxe bidkleden bekijken.
Wat als je geen moslim bent, en je woont er in de buurt? Tijn Mogendorff (20) voelde zich eerst niet thuis in de Zwart Jan. Hij vond er ruim een half jaar geleden zijn nieuwe onderkomen toen hij vanuit Utrecht („een wijk met bijna alleen maar witte mensen”) in Rotterdam kwam studeren. Met zeven anderen bewoont hij een studentenhuis. Ze raakten vrij snel gewend aan de hectiek, de mix van bevolkingsgroepen en het getoeter in de avond. Mogendorff: „Het is een bruisende straat, heel fijn om erdoorheen te lopen.”
Er zijn een paar zaken in de Zwart Jan die een overwegend witte klandizie trekken. Café Centraal, precies in het midden van de straat, is nog van voor de Tweede Wereldoorlog. Op het terras zit buschauffeur Carlo van der Wens (62), hij is opgegroeid in de wijk. Hij weet nog dat de eerste Surinaamse jongen op school kwam toen hij in de vierde van de basisschool zat. En de eerste Turkse jongen in de tweede klas van het vwo. Hij en Carlo hadden samen verkering met een tweeling. „Nu voel ik me soms de vreemde eend in de bijt.” Hij heeft „weinig zin om te gaan roepen dat ze maar terug moeten naar eigen land”, zegt hij. Ze zijn er, ze gaan niet meer weg, we doen het ermee. Dus leerde hij een paar belangrijke woorden uit zijn hoofd. Salam aleikum. Dat betekent ‘hallo’. Shukran is dankjewel en besaha is proost. Hij kijkt triomfantelijk. „Ik heb mijn best gedaan.”
Naast Café Centraal is er een kaasboer met Hollandse kaas die nauwelijks moslims in zijn winkel ziet. En de wijnhandel Chateautjes. Hoewel veel moslims geen alcohol drinken en dus nauwelijks in haar zaak komen, zit ze prima in deze straat, zegt eigenaresse Simone van den Berg. Juist omdat de straten om de Zwart Jan heen zo zijn veryupt. „Fiets een rondje en je ziet meer bakfietsen dan in je hele leven.” Haar vaste klantenkring weet haar hier goed te vinden.
Wijnhandel Chateautjes trekt net als een kaasboer met Hollandse kaas vooral witte klandizie.
Ze vindt de straat gezellig en veel van de winkels classy, zoals de kruidenwinkel en de viszaak. Wel ziet ze de laatste tijd veel van hetzelfde opduiken, juist vanwege het succes. Het zit in de aard van de mens, denk ze. In Marrakech zie je ook opeens allemaal winkels met zonnebrillen.
Buschauffeur Carlo van der Wens ergert zich maar aan één ding: de verkeerssituatie ín de Zwart Janstraat. Tot 2022 stond het verkeer er bijna altijd muurvast. In februari 2022 is het een eenrichtingsweg geworden en zijn er drempels aangelegd om de snelheid eruit te halen. Dat heeft íets geholpen, maar te weinig. Grote ergernis zijn de dubbelgeparkeerde auto’s. Zij verstoppen het verkeer terwijl de chauffeur een babbeltje maakt of een broodje haalt. „Ik zeg er niets van”, zegt Van der Wens. „Dan staan er zo twintig van die gasten om je heen.”
Ook Van den Berg van Chateautjes ziet veel parkeeroverlast in de straat. In de Arabische wereld is de fiets armoede en de auto rijkdom, zegt ze. Daarom komen er zoveel mensen in de auto shoppen, aldus Van den Berg, hoewel fatsoenlijk parkeren hartstikke lastig is. Ze vraagt al vijf jaar aan de gemeente om op te treden tegen mensen die hun auto „neergooien”. Er verschenen wat bordjes met de tekst ‘parkeer niet midden op straat. Ook niet met knipperlicht. Boete is 109 euro’. „Een handhaver zien we nooit.”
Vroooooeeem. Daar trekt weer een grote auto op, om honderd meter verder weer keihard af te remmen. Vooral op vrijdag en zaterdag laten jonge mannen de motor ronken en de uitlaat knallen. Revven, heet dat, legt een Marokkaanse Nederlander uit die op een motor langsrijdt. Nee, zelf doet hij dat niet. Winkelend publiek kijkt niet meer op van de knalgeluiden.
Het is een hele toer om de jonge mannen te vragen wat er zo leuk aan is om door een drukke winkelstraat te cruisen. Ze hebben geen zin om te stoppen. Stoerdoenerij, zeggen buurtgenoten. Vaak zijn het dure, gehuurde auto’s met Duitse of Belgische kentekenplaten. Ze hopen zo indruk te maken op de vrouwen.
Maar Kevin (36) wil best even praten en stuurt zijn Range Rover Sport P530 met Duits kenteken een zijstraat in. Hij is een jongen van Noord, zegt hij, zijn achternaam laat hij liever onvermeld. Hij rijdt met een Duits kenteken omdat zijn bedrijf in Duitsland is gevestigd. Dat hij op vrijdag en zaterdag hier rondrijdt, is omdat hier zijn familie en vrienden wonen. Zo laat je zien dat het je goed gaat. „Het is een stukje erkenning.” En als een vrouw je dan leuk vindt, ga je parkeren en een praatje maken.
Eén plek waar buurtbewoners en bezoekers van de Zwart Jan elkaar treffen is De IJsmaker van Adnan Bourich (36). Bourich groeide op in Noord en zag vijftien jaar geleden potentie in de leegstand. „Het was een opkomende straat.” Een vrouwenstraat bovendien. „Onze ouders en oudere broers en zussen hadden een kleine portemonnee. Meisjes en vrouwen hebben nu meer te besteden en vinden hier de fashion die ze bij de Zara niet vinden. En als je een mooie hoofddoek hebt gevonden, kan je jezelf belonen met een ijsje.”
Zijn winkel heeft een buurtfunctie. „De IJsmaker laat zien dat die vermenging kan.” Zijn tip? Laat de gemeente ruimte bieden aan andere winkelconcepten die leiden tot verbroedering.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC