Al ruim een eeuw trekken kunstenaars naar Zeeland voor het schitterende licht. Nog steeds is de kunstpraktijk in de provincie, ver weg van de Randstad en de grote subsidiestromen, bloeiend en groeiend. ‘Deze omgeving, waar zo veel ruimte is waar je rommel kunt maken, geeft inspiratie.’
is kunstverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft over kunstpolitiek en subsidiebeleid.
De akkers aan weerszijden van de Jacobadijk strekken zich wijd uit in groen en grijs, tot er plotseling felle stippen opduiken in het Zeeuwse polderlandschap. Rood, paars, blauw, geel – van veraf ogen ze als confetti in het weiland.
Het zijn de opgepimpte zijkanten van negen hooirollen, die geometrisch geordend in het gras liggen. Wat je noemt een eyecatcher.
De kleurige installatie verraadt dat de naastgelegen boerderij Catharina Maria Hof op Noord-Beveland meer is dan een gemengd bedrijf van graanvelden, biologische moestuin, camping en zorgboerderij. Het herbergt ook een kunstpraktijk. Fotograaf Janne van Gilst en modekunstenaar Gino Anthonisse namen de boerderij drie jaar geleden over van een tante. De dertigers keerden zo terug naar de rust van de provincie waar ze zijn geboren, na veertien jaar de energie van de stad te hebben gevoeld in Den Haag, waar ze studeerden aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten.
Met hun zomerexpositie (On)rust in de polder verrassen ze eilandgenoten en vakantiegangers die de dijk af rijden – de trekpleisters Oosterscheldekering en Veerse Meer liggen hier om de hoek. Het is een voorbeeld van de vele honderden particuliere ateliers en expositieruimten waar beeldend kunstenaars hun werk tonen. Wandelend en fietsend kom je ze overal in Nederland tegen. Ze vormen de kapelletjes en dorpskerken van een geloof dat zijn kathedralen meestal in de stad bouwt: de musea voor moderne en eigentijdse kunst.
Om te zien hoe het kunstenaars daar vergaat, wat verder van het Randstedelijk rumoer, toerde de Volkskrant deze zomer rond in Zeeland: van Kamperland via Middelburg naar Terneuzen. Wie gaan er schuil achter de kleine kunstplekken? Wat zoeken ze er? Voelen ze zich gezien, en hoe verdienen ze genoeg om rond te komen?
‘Niet iedereen in Zeeland is even bekend met eigentijdse kunst’, zegt Gino Anthonisse in de expositieschuur van de Catharina Maria Hof. Op het erf is het stil: de campinggasten liggen in de warme te dutten of zijn naar het strand. ‘We zoeken met onze kunstruimte nadrukkelijk verbinding met de omgeving. Mensen mogen best wel even denken: wat gebeurt hier? Maar er moet een aanknopingspunt zijn.’
De oude koelcellen voor de aardappeloogst zijn ingericht als kunstkabinetten voor nieuwe videokunst en fotografie. In de schuur is een keur aan landbouwmaterieel aan de kant geschoven voor een uitgestrekte vloersculptuur van kleitegels. De hooibalen in de wei heten toepasselijk genoeg Farm (2023) en zijn van Cindy Bakker.
Al meer dan een eeuw trekken kunstenaars naar de eilanden, wier wilde zee na de Watersnoodramp van 1953 is getemd met dammen, sluizen en keringen. Het Zeeuwse licht – zo helder door de weerspiegeling van het vele water – betoverde aan het begin van de 20ste eeuw Piet Mondriaan, Jan Toorop en de lang ondergewaardeerde Jacoba van Heemskerck (van wie momenteel een groot retrospectief te zien is in Kunstmuseum Den Haag). Maar van heinde en verre komen ook de toeristen: meer dan 3 miljoen overnachtten er in 2024.
Het verklaart samen waarom Zeeland verhoudingsgewijs de meeste galeries van het land telt. Zeker 35 expositieruimtes telde de Boekmanstichting in 2024 op een kleine 400 duizend inwoners. De vele atelierruimtes zijn daar niet bij meegeteld. ‘In Zeeland’, concludeerde het culturele kenniscentrum in Amsterdam, ‘is er een bovengemiddelde interesse in beeldende kunst, met veel Zeeuwen (29 procent) die zich bezighouden met schilderen en tekenen.’
Alle reden dus om afscheid te nemen van het Calimero-gevoel, zegt Pleun Meijer, coördinator beeldende kunst en vormgeving bij het door de provincie gesubsidieerde Centrum voor Beeldende Kunst (CBK) in Middelburg, dat kunstenaars in heel Zeeland met raad en daad ondersteunt.
‘Natuurlijk gebeurt in de Randstad bij wijze van spreken tien keer meer dan hier en dat is fascinerend en inspirerend’, zegt Meijer. ‘Bij sommigen daalt je coolheidsfactor misschien als je zegt dat je in Middelburg gaat wonen. Maar kunstenaars vertellen ons ook dat ze het juist overweldigend vinden in de stad. Het moet je ook passen: alle druk, competitie en sociale verwachtingen. Hier is dat minder. Bovendien is in Zeeland minder vastgelegd door kunstinstituten, dus is er veel ruimte om zelf te organiseren.’
In hun eerste winter deden Gino Anthonisse en Janne van Gilst een project met modestudenten van de Koninklijke Academie rond het thema vogelverschrikker. ‘Ze moesten even ontdooien’, zegt Van Gilst. ‘Maar deze omgeving, waar zo veel ruimte is waar je rommel kunt maken, geeft inspiratie.’ De akker stond drie maanden vol vreemde textielsculpturen, wapperend in februaristormen. Maar iedereen herkende wat het waren: ze hielden de ganzen weg.
‘Of Zeeland hier wel op zat te wachten, was natuurlijk wel spannend’, zegt Van Gilst, die hier in de 19de-eeuwse Onrustpolder van haar grootouders het landschap leerde lezen. ‘Maar we zijn met open armen ontvangen. Voor de Bibliotheek van Zeeland deed ik vorig jaar een fotoproject over de suikerbietenteelt, die hier op Noord-Beveland groot is. Daaraan konden we een lesprogramma voor basisscholen koppelen, met als onderdeel het bouwen van een suikerfabriekje hier op de boerderij. Zo kunnen we via een kunstproject ook weer kennis delen.’
De openatelierroute Kunstspoor is blij met hun komst naar Noord-Beveland. ‘Er zijn hier betrekkelijk veel 60-plussers, mensen met veel vrije tijd, die dan bijvoorbeeld gaan macrameeën en schelpen plakken’, zegt secretaris Kobi Kluiters. ‘Ik ook hoor: ik brei roodborstjes. Maar die presenteer ik niet op Kunstspoor, dan staat het schilderatelier van mijn man open.’
De Catharina Maria Hof is een van de 28 adressen op Noord-Beveland waar kunstenaars en galeriehouders komend en volgend weekend de deuren openen tijdens Kunstspoor, dat 27 edities geleden door kunstenaars in het dorp Kats is begonnen. Tijdens de jaarlijkse kunstroute zijn van Kamperland tot Colijnsplaat schilderijen, beelden, sieraden en fotografie te zien. Gemaakt door zo’n dertig kunstenaars van het eiland en vele tientallen van daarbuiten, enkelen zelfs uit België en het Verenigd Koninkrijk.
Het is balanceren wie er wel en niet met Kunstspoor mee mag doen, zegt voorzitter en portretbeeldhouwer Peter Bakker. ‘We hebben een naam hoog te houden, anders komen mensen niet terug. Op de route willen we werk presenteren dat kunst is, en niet kunstig. Dus is er wel een ballotage. Heb je een kunstopleiding gedaan of cursussen en ben je echt actief bezig? Daar kijken we naar. De rest van het jaar vormen we een club die elkaar inspireert: iedere maand gaan we bij iemand op atelierbezoek.’
Boos dat ze waren afgewezen hebben sommigen een paar jaar geleden de Kunstkring Noord-Beveland opgericht. De afsplitsing brengt bijna de Salon des Refusés in herinnering, van de ‘geweigerde’ kunstenaars in Parijs in de 19de eeuw. ‘Gelukkig is het weer een beetje bijgelegd’, zegt Bakker. ‘Op de kaart met de fietsroute van Kunstspoor kondigen ze hun tentoonstelling nu met een advertentie aan.’
Het is al veertig jaar geleden dat Bakker naar Zeeland kwam, omdat hij daar toen werk kon krijgen in de zorg, het werkveld dat hij nooit heeft verlaten. Tien jaar geleden ging hij studeren aan de kunstacademie in Antwerpen, en zeven jaar geleden had hij het geluk in de polder nog een huis met een schuur als beeldhouwatelier te kunnen kopen voor iets meer dan anderhalve ton. Op zo’n koopje hoef je inmiddels niet meer te rekenen in Zeeland.
Het aantal beeldend kunstenaars dat van de verkoop van hun werk kan leven, is klein – niet alleen in Zeeland, in heel Nederland. Velen geven er les bij of workshops, weten ze bij het Centrum voor Beeldende Kunst. Anderen houden er een baan naast. ‘Over de sterspelers met een internationale carrière hoor je veel’, zegt Pleun Meijer van het CBK. ‘Maar dat betekent niet dat beeldend kunstenaars met een regionale uitstraling minder waardevol zijn om naar te kijken. Ze spelen een grote rol spelen bij het inbedden van kunst in de samenleving.’
In de monumentale binnenstad van Middelburg gaat iedere eerste zondag van de maand de vlag uit voor de Kunst- en Cultuurroute. Aan de gevel van bijna dertig ateliers, galeries en musea hangt dan een blauw vaandel als teken dat de deur open staat, laat stichtingsvoorzitter Judith Loontjens zien. Na zeven jaar vrijwillig besturen maakte zij begin augustus haar laatste zondagse ronde.
In het christelijke Zeeland was rond de eeuwwisseling op zondag naast de kerkdiensten weinig te beleven. Tot een paar kunstenaars besloten hun ateliers te openen voor de dagjesmensen die door de 17de-eeuwse straatjes zwierven, gebouwd met het fortuin dat destijds was verdiend aan de slavenhandel en andere koloniaal gewin. Nu is de Kunst- en Cultuurroute een evenement waar ook het Zeeuws Museum aan meedoet (hier hangt Blauwe appelboom met golvende lijnen I van Mondriaan), evenals de Vleeshal, een presentatie-instelling voor eigentijdse kunst die in de culturele basisinfrastructuur (BIS) zit van het Rijk.
‘We letten erop dat het aanbod van de route een mengeling is’, zegt Loontjens. ‘Niet alleen high brow, maar ook betaalbare kunst die breed toegankelijk is. Maar over de kwaliteit ga ik niet: we hebben een toetsingscommissie buiten het bestuur om.’
Vlakbij de Oostkerk, achter de Singel die de oude vestingstad omringt, heeft kunstenaar Wieteke Hendrikx haar huis geopend. In Tilburg, waar ze 25 jaar geleden de kunstacademie afrondde, had ze last van de scooters en andere stadsherrie, zegt ze. ‘Ik kwam in Middelburg terecht, omdat het zo’n inspirerend mooie stad is. Nu ben ik een ‘zebra’ geworden: een Zeeuwse Brabander. Ondanks het toenemende toerisme is het nog steeds kleinschalig van aard.’
Aan de muren van haar woonkamer hangen haar vrolijk stemmende schilderijen van de stad. Taferelen die ze op ansichtkaarten verkoopt, en waar ze met ondernemersgeest zelfs een legpuzzel van heeft laten maken. ‘De Kruidvat heeft zo’n service om van je favoriete foto een puzzel te laten maken. Toen dacht ik: dat kan ik ook met mijn werk doen.’ Dus staat de statige 18de-eeuwse Koepoort bij haar in fleurig blauw, rood en groen te koop in 1000 stukjes.
De Kunst- en Cultuurroute bereikt met zijn ‘laagdrempelige aanpak’ veel mensen – toeristen én Middelburgers – en dus krijgt het evenement jaarlijks 14 duizend euro subsidie van de wethouder van Cultuur, Carla Doorn (Lokale Partij Middelburg). Wat haar betreft gaat de provinciehoofdstad (50 duizend inwoners) meer in kunst investeren. ‘De nare periode van coronabezuinigingen is achter de rug en dus is het tijd voor meer ambitie, om van Middelburg echt de culturele hoofdstad van Zeeland te maken.’
De wethouder heeft een ‘haalbaarheidsonderzoek’ laten doen naar vier scenario’s om het culturele leven verder op te tillen. Veel kan ze er nog niet over zeggen, want de gemeenteraad moet zich nog over het budget buigen. Maar als het meezit, kan de eerste stap naar uitbreiding nog voor de raadsverkiezingen van 18 maart 2026 zijn gezet.
De ideeën lopen uiteen. Van het ‘meer aanlichten van monumenten’ in de avond tot het tegengaan van leegstand in winkelstraten met tijdelijke broedplaatsen voor kunstenaars die ‘energie’ in de stad brengen. Daarnaast droomt Doorn van een nieuw ‘collectiecentrum’ voor het Zeeuws Museum, zodat de verzameling in het depot kan worden geopend voor bezoek.
‘We hebben hier zo veel erfgoed dat nooit iemand ziet. Dat is zonde.’ Ze wijst uit het raam van het Stadskantoor aan het Kanaal door Walcheren. ‘Kijk, de bolders op de kade waar ze de riviercruiseschepen aan vastleggen zijn oude kanonnen die rechtop in de grond staan.’
Als het over geld gaat, moet het Doorn van het hart dat Zeeland maar weinig ziet van de rijkssubsidies die het ministerie van Cultuur eens per vier jaar uitdeelt. De Zeeuwen krijgen omgerekend 4,58 euro per inwoner, daar waar ze in Noord-Holland, met Amsterdam binnen de grenzen, maar liefst 86,02 euro krijgen. Alleen Drenthe krijgt nog minder dan Zeeland: 3,03 euro per inwoner.
Maar Zeeland heeft een nieuwe plannenmaker binnengehaald: Hugo de Jonge (CDA), een geboren Zeeuw, is sinds kort de commissaris van de koning. Grossierde hij als minister al in grote beleidsvisioenen – in de bestrijding van corona en daarna het woningtekort – ook nu heeft hij in zijn eerste jaar al flink de trom geroerd. Zeeland moet wat hem betreft tot 2050 met misschien wel 200 duizend inwoners gaan groeien. Alleen dan kunnen in de dunbevolkte provincie de scholen, ziekenhuizen en het openbaar vervoer op niveau blijven.
Het culturele leven kan profiteren van zulke toekomstdromen, laat het North Sea Port District zien. Vlissingen en Terneuzen werken daarin sinds een paar jaar samen met het Vlaamse Gent om van dat gezamenlijke havengebied niet alleen een Europees industrieknooppunt te maken, maar ook een leefbare groeiregio. Het is een zogeheten Regiodeal, waar het Rijk 100 miljoen euro bij legt om woningen te verbeteren en om jong talent aan te trekken.
En warempel, vlak achter de sluizen van Terneuzen is in de lente de culturele hotspot Nesse geopend in een oude Philips-fabriek voor flitslampjes van fototoestellen.
Creatievelingen in allerlei disciplines kunnen er werkruimte huren. Ook is er tot en met 2027 geld om kunstenaars tot wel een jaar een ‘residentieproject’ te laten doen, waarbij werk en verblijf met subsidie worden vergoed. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en de provincie Zeeland stellen voor dat alles 1,5 miljoen euro beschikbaar, nog aangevuld met financiering van de gemeente Terneuzen. Het is de bedoeling dat Nesse in drie jaar voldoende naam opbouwt in Nederland, België en daarbuiten, om zich daarna te kunnen bedruipen met de opbrengsten van atelierhuur en projectsubsidies van kunstfondsen.
‘Ik viel voor deze fabrieksruimten, omdat er door de vele ramen in de langwerpige hallen altijd natuurlijk licht binnenvalt’, zegt artistiek coördinator Adriënne van der Werf. ‘Ook de enorme binnentuin sprak me aan. Het is fijn dat het dicht bij het water ligt, dat is hier zo bepalend voor het leven. Daar bij die bomen in de verte loopt het kanaal van Gent naar Terneuzen.’
Kunstenaar Yoeri Guépin gaat de tuin omwerken tot een sociaal-ecologisch kunstwerk. Geboren op een biodynamische boerderij op Walcheren keerde hij onlangs, na een semi-nomadisch internationaal kunstenaarsbestaan, naar Zeeland terug met zijn vriendin en dochtertje. ‘Ik heb de afgelopen tien jaar al op allerlei plekken tuinen aangelegd met ‘gevoelige groepen’: statushouders, patiënten, arbeidsmigranten. Hier gaan we het doen met kinderen met een leerbeperking van praktijkschool De Sprong, die het vak groen volgen. Ik breng neurodiversiteit en biodiversiteit bij elkaar.’
Het is wat Van der Werf zich voorstelt bij Being in the World, het motto waarmee ze Nesse opzet. ‘In de wereld zijn om de wereld te begrijpen en te helen. Ik geloof in de kracht van creativiteit. Elkaar ontmoeten en samen een gedeelde wereld maken, dat is volgens mij wat het leven in de kern is.’ Met die gedachte wil ze kunstenaars laten meedenken over ‘de sociale en ecologische uitdagingen en transities’ waar de industriële monding van de Westerschelde voor staat – een gebied dat voor de Nederlandse economie anderhalf keer meer toegevoegde waarde heeft dan Schiphol.
De tuinen van Guépin zijn geen wildernissen. ‘Ecologen halen de mens vaak uit het ecosysteem, terwijl ik de mens een centrale rol geef. Mijn tuinen zijn niet om naar te kijken, maar om te gebruiken: om in te zitten of te oogsten.’
Precies wat Van der Werf voor zich ziet: Zeeuwen en kunstenaars kunnen elkaar straks in de tuin ontmoeten met de lunch. Zelf is ze ook een Zeeuwse, en het helpt als je de taal spreekt. ‘Hedendaagse kunst wordt hier snel gezien als iets elitairs. Maar als ze merken dat je van hier komt, heb je een streepje voor.’
Tijdens zijn tuinprojecten streeft Guépin ernaar dat de groep waarmee hij werkt een band krijgt met de grond. Hij laat ze zoveel mogelijk met de hand werken, zonder schoffels. ‘Om de menselijke maat te houden.’ Ze verzamelen zaden zelf en kweken die op tot planten. ‘Mijn doel is niet om tuinen te maken, maar om tuinders te kweken.’
In de binnentuin zijn de polders ver weg. Er staat geen wind, en als de zon er even op staat kan het er extreem heet zijn. Een bijna Mediterraan klimaat. Het gaat een ontdekkingstocht worden om te zien wat hier, omgeven door bakstenen fabrieksmuren, goed groeit. Nesse als een laboratorium voor de wereld die de klimaatverandering ons brengt. Nieuwe weerspiegelingen van het Zeeuwse licht.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant