Home

Analytische filosofen hebben de halve wereld. Hoe heeft het zover kunnen komen?

Filosofie De Britse filosoof Christoph Schuringa opent een aanval op de analytische filosofie, die het vak aan universiteiten wereldwijd beheerst. Snijdt zijn kritiek hout?

Veertig jaar geleden was iedere Nederlandse filosofiefaculteit (toen nog ‘Centrale Interfaculteit’) verdeeld in twee onverzoenlijke kampen. Aan de ene kant stonden aanhangers van ‘continentale’ wijsbegeerte, de meerderheid, die zich stortten op de eeuwige grote vragen uit de Europese filosofie van Plato, Aristoteles, Kant en Hegel: wat is de mens? Wat is de aard van de werkelijkheid? Wat is de betekenis van het leven?

Daartegenover stond een kleine minderheid van filosofen die logica zagen als richtsnoer van hun denken en conceptuele analyse als de manier waarop filosofische problemen konden worden opgelost. Zij putten uit het werk van Frege, Russell, Quine en Wittgenstein. In de jaren zestig, met een grote toestroom van studenten, verhardde die tegenstelling zich. Continentale filosofie werd gezien als creatief en bevrijdend, ‘analytische filosofie’ als een behoudende poging het denken in het keurslijf van de logica te persen.

Anno 2025 is het landschap van de academische filosofie volledig ondersteboven gekeerd. Over de hele wereld, niet alleen in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië maar ook in Nederland, zijn filosofie-departementen overgenomen door analytische filosofen. Dat geldt zelfs voor de bakermat van de continentale filosofie, Duitsland. Wat er nog aan continentale filosofie over is, wordt vooral beoefend bij andere vakken, zoals culturele en postkoloniale studies, sociologie en communicatiewetenschappen. Voor de academische filosofie is continentale filosofie alleen nog van historisch belang; een bladzijde die is omgeslagen.

Ze lezen hun klassiekers niet

Dominant is nu de beoefening van filosofie als een soort wetenschap die nauw verbonden is met andere vakgebieden, een opvatting die vaak impliciet wordt aangehangen. Hedendaagse filosofen houden zich bezig met specialistische vormen van logica en cognitiewetenschap, met de politieke filosofie van technologie, milieufilosofie, de toekomst van intelligentie, large language models en de ethiek van artificiële intelligentie.

Dat sciëntisme leidt tot filosofische artikelen die lezen als wetenschappelijk onderbouwde concept-beleidsstukken voor ministeries en bedrijven. En net zoals andere wetenschappers de geschiedenis van hun vak negeren, lezen filosofen hun klassiekers niet meer. Geschiedenis van de filosofie is een specialisme geworden van vooral historici. Ook de banden met literatuur, kunst en theologie zijn in de huidige academische filosofie doorgesneden.

Hoe heeft het zover kunnen komen? In zijn onlangs verschenen boek A Social History of Analytic Philosophy opent Christoph Schuringa, verbonden aan Northeastern University in Londen, een frontale aanval op de heersende analytische filosofie. Volgens hem is die de filosofie geworden van de neo-liberale gevestigde orde, die iedere vorm van ‘gevaarlijke’ en ondermijnende filosofie onderdrukt en koloniseert.

Op het eerste gezicht lijkt dat misschien alsof iemand wiskunde verwijt politiek schadelijk te zijn. Toch komt Schuringa’s marxistische kritiek daarop neer: achter het apolitieke masker van de analytische filosofie gaat volgens hem een burgerlijk-liberale ideologie schuil die andersoortig denken onderdrukt.

In de aanloop naar de publicatie veroorzaakte zijn boek onder filosofen al de nodige opschudding. Maakt Schuringa die hype ook waar?

Zijn uitgangspunt is dat analytische filosofie en neoliberale politiek uit dezelfde bron komen, namelijk het liberale conservatisme van de achttiende-eeuwse Verlichting, in het bijzonder dat van de sceptische Schotse filosoof David Hume.

Dat er verbanden bestaan tussen analytische filosofie, empirisme en liberalisme valt niet te ontkennen, maar welke dat precies zijn wordt niet meteen duidelijk – en Schuringa doet daar in zijn boek ook geen moeite voor. Dat ze niet onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn is wel duidelijk; rationalisten wijzen empirisme af, sommige verdedigen liberalisme maar andere juist niet. Omgekeerd zijn er empiristen die liberalisme afwijzen. Van veel cohesie, laat staan een kongsi, is geen sprake.

De zogeheten analytische filosofie had haar wortels in het werk van de Duitse filosoof en wiskundige Gottlob Frege (1849-1925), die in zijn eentje de moderne wiskundige logica uitvond en de basis legde voor de moderne taalfilosofie. Frege inspireerde Bertrand Russell en Ludwig Wittgenstein, die ervan overtuigd waren dat met logische taalanalyse de filosofie eindelijk vooruitgang kon boeken.

Een tweede bron van de analytische filosofie was het logisch positivisme dat na de Eerste Wereldoorlog opbloeide in Wenen en zich afkeerde van ‘zinloze metafysica’. Filosofie moest zich volgens hen baseren op de natuurwetenschappen.

Een derde factor was de ‘filosofie van de gewone taal’ die in de jaren vijftig in Oxford tot bloei kwam. Filosofische problemen, meende men, konden worden opgelost door nauwkeurig te analyseren hoe woorden in het dagelijks leven worden gebruikt.

Die laatste tak van filosofie is inmiddels vrijwel verdwenen, maar volgens Schuringa maakt dat voor zijn stelling niet uit. Analytische filosofie wordt volgens hem niet bepaald door een concreet onderzoeksprogramma, maar door een stijl van filosoferen: het hameren op vragen als ‘Wat betekenen je woorden precies?’. Het is een stijl die Schuringa intimiderend en lachwekkend vindt.

Maar wat is de ‘sociale geschiedenis’ achter die stijl, die de academische filosofie is geen beheersen? Je verwacht dan een analyse van netwerken en sociale achtergronden, maar die blijft uit. Schuringa geeft een vaak slordige beschrijving van de opkomst van de analytische wijsbegeerte in de twintigste eeuw, gelardeerd met polemische terzijdes. Pas na de Tweede Wereldoorlog begon de analytische filosofie aan haar opmars in Amerika, waar veel leden van de Wiener Kreis naar toe waren gevlucht – maar dat wisten we al.

Bewijzen blijven dun

Zijn troefkaart is een beschrijving hoe tijdens de hoogtijdagen van de communisten-jacht van McCarthy in de jaren vijftig de analytische filosofie dominant werd in de VS. Maar de bewijzen blijven dun. Ja, een aantal filosofen stelde zich op aan westerse zijde in de Koude Oorlog – net als tal van andere intellectuelen. Bovendien, zoals hij ook moet toegeven, waren er nogal wat analytische filosofen die moedig verklaarden dat zij lid waren geweest van de communistische partij. Hij beschrijft hoe later de linkse activist Angela Davis ontslagen werd aan de Universiteit van Californië. Maar het waren nu juist de filosofen aan die universiteit die haar bleven steunen.

Ook inhoudelijk was de analytische filosofie veel diverser dan Schuringa suggereert. Niettemin, een herkenbare methode was er wel, namelijk het idee dat filosofie is aangewezen op het bestuderen van taal, de ‘linguïstische wending’. In een apart hoofdstuk probeert Schuringa te weerleggen dat er zo’n duidelijk gedefinieerde ommekeer is geweest. Maar ook daarin slaagt hij niet, en zo’n definitie is er wel degelijk. De ‘wending naar taal’ houdt in dat een analyse van taal voorafgaat aan die van het denken en onze concepties van de werkelijkheid.

Vreemd genoeg besteedt Schuringa geen aandacht aan de opkomst van analytische filosofie in Europa vanaf 1990; dat was nu net de tijd dat het neoliberalisme hier postvatte. Evenmin beschrijft hij hoe vanaf 1990 de analytische filosofie zelf ingrijpend van karakter is veranderd. Hij vermeldt de herleving van de metafysica en de groeiende aandacht voor feminisme en minderheden, maar de eerste doet hij af als nutteloze onzin, de tweede als ‘kolonisatie’ van die onderwerpen door analytici.

Het gaat hem om macht

Uiteindelijk is Schuringa’s aanklacht vooral retorisch – en dat lijkt opzet. Het gaat hem niet zozeer om argumenten, maar om macht; hij wil de greep van analytische filosofie op de academie breken, ten gunste van zijn eigen, marxistische programma.

Toch zou het een vergissing zijn dit boek dan maar terzijde te schuiven. Het haakt aan bij reële onvrede over de staat van de academische filosofie. De oorzaken zijn daarvan zijn alleen, ironisch genoeg, veel socialer dan Schuringa aangeeft.

Ten eerste hangt de opkomst van de huidige analytische filosofie nauw samen met de herstructurering van universitair onderwijs. De introductie van graduate schools en research masters heeft geleid tot (Engelstalige) standaard-programma’s die elkaar over de hele wereld imiteren.

Ten tweede is de filosofie, net als andere vakken, in de greep geraakt van uitgevers die opereren op de grootste, Engelstalige markt. Boekhandels die ooit een vloer hadden aan niet-Engelstalige boeken hebben nu hooguit nog een paar kasten. Franse en Duitse filosofen worden ook aan de universiteit niet meer in de oorspronkelijke taal gelezen. Niet-Engelstalige artikelen tellen niet mee op publicatielijsten. Ook aanvragen voor onderzoeksbeurzen volgen het stramien van Engelstalige, natuurwetenschappelijke vakken.

En dan is er nog, ten derde, de dramatische ondergang van de continentale filosofie. Die kent geen ‘school’ van gelijkgezinde filosofen die zich beziggehouden met gedeelde vraagstukken, zoals ooit Kantianen of Hegelianen. Na Martin Heidegger (1889-1976) is er geen Europese filosoof meer geweest die zijn statuur ook maar heeft benaderd.

Ten slotte gaat de huidige filosofie gebukt onder een gebrek aan visie op het bijzondere karakter van het vak. Wat ooit de aanzet vormde tot de analytische filosofie was juist nadenken over de vraag wat filosofie precies is, wat haar mogelijkheden en grenzen zijn. Aan Nederlandse universiteiten overheerst onder filosofen nu enerzijds een neiging tot super-specialisatie, anderzijds een pragmatisch inhaken op de actualiteit of de vermeende noden van de samenleving en politiek – waarbij neoliberalisme het juist vaak moet ontgelden. Dat staat allemaal ver af van waar het in de analytische filosofie ooit om is begonnen.

Het is moeilijk in te zien hoe het tij voor de filosofie nog zou kunnen keren in een tijdsgewricht waarin alleen wetenschappen die hun directe nut bewijzen bestaansrecht hebben. Een lege agenda en een vrije geest zijn noodzakelijk voor echte filosofie, maar de digitale agenda is vol en de geest ligt aan banden.

Christoph Schuringa: A Social History of Analytic Philosophy. How Politics Has Shaped an Apolitical Philosophy. Verso, 328 blz. €34,99

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Source: NRC

Previous

Next