Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
‘Keer nooit terug naar de plek waar je eens gelukkig bent geweest.’ Dit is het advies dat Joaquín Sabina, een Spaanse zanger met een heerlijk doorrookte stem zingt in het liedje Peces de Ciudad. Die woorden dwarrelen door mijn hoofd als ik het Museo del Calamar Gigante binnenstap, het ‘Museum van de gigantische inktvis’.
Dit museum is het culturele hoogtepunt van Luarca, het slaperige Spaans dorpje in de buurt van waar we verblijven. Zo meteen gaan we een hamburger eten, maar het hamburgerrestaurant is nog niet open en ik heb nog tijd te doden.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Vorig jaar bracht ik ook een bezoek aan dit museum en eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het behoorlijk teleurstelde. Daarom ben ik er nu weer. Want als je nooit moet terugkeren naar de plek waar je eens gelukkig bent geweest, moet je dan niet júíst terugkeren naar de plek waar je eens ongelukkig bent geweest?
Ik betaal mijn toegangskaartje en loop de schaars verlichte, donkerblauwe ruimte binnen. Een enorme televisie met daarop een video van een enorme pijlstaartinktvis begroet me. Hij lijkt te knipogen. Ik kijk naar rechts en zie wat ik een jaar geleden ook zag: heel veel pijlstaartinktvissen in potten op sterk water een meterslange pijlstaartinktvis in een lange glazen bak, grote informatieborden met uitleg over welke soorten inktvissen er zijn, wat de verschillen zijn en op welke dieptes ze leven.
Het interactieve bord met lampjes en knopjes die je kunt indrukken staat er ook nog, alleen nu is het ‘fuera de servicio’, zo staat te lezen op een uitgeprint A4’tje in een geperforeerd hoesje. Terwijl ik langs de uitgerekte, bleekgrijze, penisvormige beesten loop wordt me helder wat het probleem van de dode, gigantische pijlstaartinktvis op sterk water is (behalve dat hij dood is).
Het is gewoon niet zo’n museumgeniek dier, zoals een haai of krokodil of dinosaurus. Ik geloof best dat inktvissen heel intelligent zijn en misschien ook heel aardig, maar van die lovenswaardige eigenschappen blijft niet zoveel over als je ze in een glazen bak tentoonstelt.
Een groot verschil met mijn bezoek vorig jaar, is dat ik deze keer bij de overkill aan levenloze, vormloze, tentakelbeesten moet kokhalzen. Wellicht heb ik in een jaar tijd een zwakkere maag gekregen. Of ben ik juist dichter bij mijn gevoelens gekomen.
Als ik al na een minuut of tien het museum weer verlaat groet ik de vrouw die achter het loket de kaartjes verkoopt. Ze trekt een verontschuldigend gezicht, waardoor ik me onmiddellijk ook schuldig voel. Arm mens. Ze heeft geen idee dat ik hier al een keer geweest ben; dat ik er net definitief achter ben gekomen dat pijlstaartinktvissen zeg maar echt niet mijn ding zijn. Dat het niet aan het museum ligt, maar aan mij.
Voor de vorm had ik langer binnen moeten blijven, op zijn minst een half uur. Ook al had ik dan ergens in hoekje even moeten gaan overgeven. Maar boven alles geldt: ik had hier nooit terug moeten keren.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant