Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Het weer aan de Asturiaanse kust is zo grillig als het landschap. Terwijl de rest van Zuid-Europa gebogen gaat onder verlammende hitte, miezert het bij ons. Gelukkig zitten we dicht bij een pittoresk dorpje waar – om heel precies te zijn – geen reet te doen is.
Er is een wekelijkse markt, waar voornamelijk nep-voetbalshirts van Barcelona, nepsokken van Nike en neponderbroeken van Calvin Klein verkocht worden. Er zijn een paar cafés, een handvol apotheken, een ijzerhandel, een fotowinkel die altijd dicht lijkt en een museum, waar we nu naartoe lopen.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Met mijn dochters aan weerszijden loop ik over de smalle, gladde stoep. Om te voorkomen dat er gevraagd wordt hoe lang de wandeling nog gaat duren, doe ik wat ik vaker doe: ik probeer de aandacht af te leiden met een grap. Ik weet niet meer wat de grap is, maar hij valt niet helemaal in goede aarde bij mijn oudste dochter.
‘Weet je wat ik ga doen?’, roept ze met een verontwaardigd piepstemmetje dat weerkaatst op de hoge, grauwe gevels. ‘Ik ga een column schrijven in de Volkskrant.’ Dan citeert ze de tekst die ze op papier gaat zetten: ‘Hallo mensen, jullie kennen allemaal Julien Althuisius. Maar hij is helemaal niet zo lief als jullie denken. Hij maakt ook heel vaak hele domme grappen. En hij laat heel gore scheten.’
‘Is dat het?’
‘Ja, dat is het.’
Even tussen ons: dit is niet echt een column natuurlijk, daarvoor ontbreken er nog een paar honderd woorden. Maar ik wil haar niet ontmoedigen. Bovendien is het inhoudelijk ijzersterk en ook niet helemaal bezijden de waarheid.
Regen, verveling en saaie Noord-Spaanse dorpjes doen wonderen voor de contemplatie van het kind. Op een andere miezerdag, in een ander dorpje, waar nog minder te doen is, loop ik hand in hand met mijn jongste dochter. Haar gezicht zit onder de puntige rode bultjes van de tientallen muggen die ons vannacht in een laffe aanval te grazen namen.
Er loopt ons een oude heer tegemoet, met aan zijn zijde een jong, vrolijk, karamelbruin hondje. In het voorbijgaan zwiept het beestje enthousiast met zijn staart en kijkt nieuwsgierig op naar mijn dochter. De oude heer glimlacht en loopt door. ‘Wat een jong hondje met zo’n oude meneer’, zeg ik.
‘Ja’, zegt mijn dochter, ‘dat hondje denkt: ik ben er lekker nog als jij doodgaat.’
Ik weet niet of dat hondje dat denkt. Maar vooruit, mijn dochter is goed met dieren.
‘Jij gaat ook eerder dood dan ik, pap’.
‘Ja, dat hoop ik wel. Zo hoort het ook.’
‘Maar als je jij er niet meer bent, ga ik je wel missen hoor.’
Ze is even stil. ‘En je domme grapjes ook.’
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns