Home

Een rondleiding langs bijzondere Haagse graffiti: ‘Ik wilde de stad echt mooier maken’

Wat zegt graffiti over de geschiedenis van een stad? Marc Kersten bracht een boek uit over de eerste generatie graffitiartiesten in Den Haag. De Volkskrant maakt met hem een rondje langs de muren en ziet hoe de wereld én de kunstvorm is veranderd.

is regioverslaggever van de Volkskrant in de provincie Zuid-Holland.

Wie begin jaren tachtig door Den Haag liep, zag een stad die he-le-maal onder de graffiti zat. Op muren, brugleuningen en elektriciteitshuisjes – overal stonden namen en leuzen gekalkt. Jongens met viltstift of spuitbus, afkomstig uit de arbeidersklasse, jeugdbendes, de hiphopscene en de voetbalsupporterswereld, eisten zo hun plek in de stad op.

‘In een krantenartikel las ik ooit dat Den Haag in die tijd per vierkante meter zelfs voller stond dan New York’, zegt graffitiartiest Marc Kersten (51), terwijl hij langs een tag – een gestileerde handtekening of symbool, gezet met de spuitbus – in de wijk Leyenburg loopt. Op zijn T-shirt prijkt de ooievaar, het stadswapen, in sierlijke graffitilijnen getekend.

Wat voor buitenstaanders misschien oogt als ontsiering of zelfs vernieling, is voor Kersten een kunstvorm. Hij wijst de eenvoudige tag op de muur aan. ‘Voordat zo’n jongen zijn eigen tag op de muur zet, heeft hij hem al honderden keren geoefend. Dan zijn er al twintig schriftjes doorheen gegaan.’

Hij ziet taggen als een vorm van zelfverwezenlijking. ‘Je groeit op in een eenvoudig gezin in een grote stad. Daarin voel je je al gauw klein. Maar dan zet je je tag in de wijk, en ineens wordt die wijk ook een beetje van jou. Dat geeft zelfvertrouwen. Het zorgt voor identificatie met de stad, met de wereld om je heen.’

Kersten groeide op in het rauwe Den Haag van de jaren tachtig. ‘De stad was totaal anders dan nu. In de aanloop naar oud en nieuw leken de Schilderswijk, Moerwijk en Transvaal soms wel een oorlogsgebied.’ Overal knalde vuurwerk, op elke straathoek brandden autobanden en vreugdevuren.

‘Als kwaadwillende jongeren zagen dat je uit een andere buurt kwam en je stond in de verkeerde straat, kon je zo ineens achterna worden gezeten met kettingen of knuppels. Dat heb ik zelf ook meegemaakt.’ Er waren vaak rellen en vechtpartijen. ‘Bij FC Den Haag liepen gekke gasten rond, die je nu niet zo gauw meer tegenkomt. Maar het was ook een schitterende tijd. Met héél veel graffiti.’

Schrijven, taggen, bomben

Die Haagse graffitiwereld legde hij onlangs vast in een boek: Den Haag graffiti – De pioniersjaren van Nederland. Het staat vol foto’s en interviews met de eerste generatie schrijvers. Schrijvers, ja. Het woord graffiti kwam pas later, en had al snel een negatieve bijklank in de media. ‘Wij zeggen: schrijven, taggen, verven, bomben, een piece zetten. En vroeger zeiden we gewoon: ik heb mijn naam op de muur geschreven.’

Kersten gebruikt graffiti als lens om de Haagse stadsgeschiedenis te bekijken. In zijn boek passeren sleutelmomenten de revue: het ontstaan van jeugdbendes, de sloop van delen van de Schilderswijk (‘slopen deze troep!’), krakersrellen (‘leegstand misdaad!’) en de opkomst van de multiculturele samenleving. De beelden uit de jaren zeventig tonen een rauwe, zelfs afgetakelde stad, waar criminaliteit, drugsgebruik en werkloosheid hand in hand gingen.

Maar Den Haag was óók een voedingsbodem voor vernieuwing. Het feminisme (‘tegen seksueel geweld!’), de antikernwapenbeweging (‘ban de bom!’), het ontstaan van de muzikale beatscene: allemaal lieten ze hun sporen achter in het straatbeeld. Kerstens fotodocumentaire laat zien hoe graffiti zich voortdurend verhoudt tot maatschappelijke veranderingen: als commentaar, als spiegel en als uitweg.

‘Ik heb in mijn leven zó veel graffiti in Den Haag zien staan. Die geschiedenis is zo rijk, daar moest gewoon een boek over komen.’

In zijn jeugd was de graffitiartiest Fresh zijn voorbeeld, een oudere jongen uit de buurt. ‘Hij had ontzettend veel talent. Hij schreef van die mooie, Amerikaanse leuzen die toen in waren: ‘Wild Style Zone’ of ‘Beat Street’. Als hij een piece ging zetten, ging dat als een lopend vuurtje rond in de wijk. Dan gingen we met een groepje kijken hoe hij dat deed.’

Als 8-jarige spoot Kersten zelf voor het eerst zijn naam op de muur, en hij is er nooit meer mee opgehouden. ‘De kick was natuurlijk dat het niet mocht. Dat wist ik dondersgoed. Ik was als de dood om gepakt te worden. Maar als het lukte, en je de volgende dag je eigen naam zag staan, was dat fantastisch.’

Hij deed het met de oprechte overtuiging dat hij de stad en de inwoners een dienst bewees. Lachend: ‘Als ik ’s nachts een piece had gezet fietste ik er de volgende dag naartoe om te kijken hoe voorbijgangers erop reageerden. Of ze even bleven staan kijken. Ik wilde de stad echt mooier maken.’

Vandalisme

Dat graffiti ook wordt gezien als vandalisme – ‘openlijke geweldpleging tegen goederen’, zoals het juridisch heet – vindt hij nog steeds moeilijk te begrijpen. ‘Dan hoor ik mensen klagen: waarom moet dat in de openbare ruimte? Dan zeg ik altijd: en reclameborden dan? Die staan overal. En niemand die zich daar druk om maakt. Terwijl het zo lelijk is. Graffiti is tenminste met aandacht gemaakt, daar hebben jongens hun best op gedaan.’

Tegenwoordig maakt Kersten streetart. Het verschil met graffiti? ‘Streetart doe je met de anderen in gedachten. Dan kijk je: wat past bij deze buurt? Graffiti doe je echt voor jezelf.’ In samenwerking met de gemeente gaat hij op zoek naar muren die legaal mogen worden bespoten. ‘Ik ben ook een jaartje ouder geworden’, lacht hij.

Héél soms gaat hij ’s nachts nog op pad om illegaal een piece te zetten. ‘Als ik me echt niet kan beheersen.’ Hij zou nu geen huizen of particulier bezit meer bespuiten. Überhaupt hebben graffitiartiesten een code: zo beklad je geen gebedshuizen. Al golden die regels vroeger minder strikt.

‘Ik keek als tiener enorm op tegen Barracuda. Hij schreef altijd op zijn dooie gemakje overal zijn tag. Als een boze buurman dan naar buiten kwam om verhaal te halen, zei hij: ‘Joh, je moet je bek houden. Je moet vereerd zijn dat Barracuda een tag plaatst op jóúw huis.’ Tja, dat was een andere generatie. De nieuwste generatie graffitischrijvers is anders. Dat zijn nette jongens en meisjes die op de kunstacademie zitten.’

Op uitnodiging van de Volkskrant geeft Kersten een rondleiding langs bijzondere graffitiwerken in Den Haag – omdat ze iets vertellen over het verhaal van deze stad en de opkomst van een steeds meer geaccepteerde kunstvorm.

Plu (Goudenregenstraat)

‘Deze is misschien wel zestig jaar oud’, zegt Marc Kersten terwijl hij een smalle steeg achter de Goudenregenstraat inloopt. Op de muur staat, in vergrijsde verflijnen: Plu. Een tag uit een ander tijdperk, verwijzend naar de beruchte jeugdbende van toen. ‘Jim, een vriend van me die ook graffiti doet, was hier een joint aan het roken, keek opzij en dacht: wow, dat is een heel oude.’

In de jaren zestig waren er naar schatting dertig jeugdbendes actief in Den Haag. Elke groep had een naam – de Plu, de Kikkers, de Harpurs, de Spiders, de Paleistuin Boys – en een eigen territorium. De grenzen daarvan werden met kwast en verf op de muren vastgelegd. Zo ontstond de eerste graffiti in de stad.

‘Ik ben opgegroeid bij het Newtonplein, in stadsdeel Segbroek. Daar hoorde je altijd: voor de Newton Boys en de Plu moet je echt oppassen. Ik was serieus op mijn hoede als ik in hun buurten kwam. In mijn hoofd liepen die gasten daar nog steeds rond. Terwijl zij tegen die tijd waarschijnlijk allang keurige vaders met gezinnetjes waren.’

De Plu bestond grotendeels uit Indische jongeren die hun avonden sleten in snackbar De Gouden Paraplu, vandaar de naam. ‘Het was de eerste generatie jongeren met een beetje vrije tijd en wat geld. Die gingen zich afvragen: wat willen wíj doen? Nou, dat werd rondhangen, kloten met brommertjes, muziek luisteren. En soms kregen ze ruzie met een andere jeugdbende om een meisje, en dan gingen ze met elkaar op de vuist.’

Dat kon stevig uit de hand lopen. ‘Dan stonden er ineens twee groepen van dertig, veertig man tegenover elkaar. Met kettingen, knuppels en messen. Die hebben elkaar echt de tering in geslagen.’

De grote rivaal van de Plu was de bende van de Kikkers. De Kikkers reden rond op Puch-brommers en droegen groene capes. De Plu’s hadden dan weer Kreidlers. Decennia later, op 12 april 1997, vond dan eindelijk een verzoeningsbijeenkomst plaats: vijfhonderd oud-bendeleden, inmiddels keurige vijftigers, kwamen elkaar in het toenmalige poppodium Houtrust Rotonde de hand schudden om de vrede te bezegelen.

Kersten kijkt met iets van ontzag naar de tag. ‘Hij is waarschijnlijk alleen bewaard gebleven omdat hij zo verscholen zit. Voor zover ik weet is dit de enige graffiti in Den Haag die nog herinnert aan deze geschiedenis.’

Q65 (Mallegat)

Voor de volgende historische graffiti speelt Marc Kersten een klein beetje vals: we zijn de Haagse stadsgrens over en zijn beland in een steegje in Rijswijk. ‘Ik ken deze plek toevallig, want ik heb hier ooit op de markt een stal gehad met spuitbussen’, zegt Kersten als hij wijst op de – in het zonlicht steeds minder goed zichtbare – graffiti in de steeg van het Mallegat: Q65. ‘Dat was destijds een ruige rockband, ontzettend populair. Je zag hun naam overal terug in het straatbeeld.’

Den Haag was in de jaren zestig dé popstad van Nederland en werd ook wel het Nederlandse Liverpool genoemd. Dat had alles te maken met de vele Indische Nederlanders die zich na de dekolonisatie in de stad vestigden, en een nieuwe muzikale stroming meenamen: de ‘indorock’, een mengvorm van westerse en indonesische muziek.

In die tijd telde Den Haag naar schatting tweeduizend bandjes: The Motions, Sandy Coast, Groep 1850, Shocking Blue en natuurlijk de Golden Earrings, van wie graffiti uit 1964 nog altijd te zien is in het Museum RockArt in Hoek van Holland. Fans, en soms ook de bandleden zelf, begonnen hun bandnamen op muren te kalken.

Zo werd muziek niet alleen beluisterd, maar ook gemarkeerd en toegeëigend. Veel graffitischrijvers kozen hun tag op basis van hun favoriete band, vaak in combinatie met het jaar waarin ze begonnen waren met schrijven. Zo ontstonden namen als Sham’69, Slave’78 en Iggy’78, vroeger bekende tags in het Haagse.

Kersten knikt naar de verbleekte Q65-letters. ‘Hier zou eigenlijk een plaat plexiglas overheen moeten. Dit is cultureel erfgoed. Als het weg is, komt het nooit meer terug.’

Verderop in Den Haag wijst hij op een historisch graffitiwerk dat onlangs is weggeschuurd in de 2e Sweelinckstraat in Duinoord. Daar stond al vijftig jaar de leus ‘Ban de bom’, als uiting van de antikernwapenbeweging. De Ban de Bom-beweging startte in 1961 – een van de oprichters was Roel van Duijn, die later bekend zou worden bij de provobeweging.

‘Eeuwig zonde dat mensen dit hebben weggehaald. Aan het begin van dit jaar stond het er nog. Als de eigenaar deze geschiedenis had gekend, hadden ze het wellicht laten staan. Misschien was hun huis er zelfs wel meer waard door geworden. Je hoopt zo dat mensen historische graffiti niet zonder slag of stoot weghalen.’

New York-stijl (Monstersestraat)

In de jaren tachtig brak een nieuwe, revolutionaire beeldtaal door. Onder invloed van films als Wild Style en Beat Street waaide de New York-stijl over naar Den Haag: graffiti met grote, dynamische letters, veel kleur, schaduw en abstractie. Het zijn de graffitiletters zoals we die nu veelal kennen. ‘Juist omdat ze verborgen zijn, trekken ze de aandacht’, zei de wereldberoemde kunstenaar Jean-Michel Basquiat, die begon als graffitiartiest, over die werkwijze.

Er vond een cultuurverandering plaats. Jonge schrijvers luisterden naar rap, leerden breakdancen en zagen zichzelf niet meer als buitenstaanders, maar als deel van een internationale beweging: hip-hop was geboren.

Een voorbeeld van de New York-stijl is nog altijd te zien op een muur bij de Monstersestraat, een piece van de artiesten Game, Cake, Kez, Surch en Dazr. Terwijl een tram voorbijdendert, zegt Kersten: ‘Dit is nou een echte A-locatie. Veel verkeer, veel voorbijgangers. Als artiest wil je dat zo veel mogelijk mensen je werk zien en zich afvragen wie het heeft gemaakt.’

Sneeuwwitje (Mercuriusweg)

Aan de Mercuriusweg prijkt een piece die Kersten zelf heeft gemaakt en die hem bijzonder na aan het hart ligt: Sneeuwwitje.

‘Die Sneeuwwitje heb ik ooit in een nacht bij ziekenhuis HMC Westeinde gezet’, vertelt hij. ‘Hij heeft daar zeker tien jaar gestaan, voordat hij werd schoongemaakt. Dat is altijd pijnlijk, als je kunst verdwijnt, maar als graffitiartiest weet je dat het erbij hoort.’

Tot zijn stomme verbazing zag Kersten na een tijdje opeens een nieuwe Sneeuwwitje, door iemand anders gemaakt, op dezelfde plek. Wat bleek: de buurtbewoners rond het ziekenhuis waren eraan gehecht geraakt, en hadden geëist dat Sneeuwwitje terugkwam. ‘Ze hadden een andere artiest ingeschakeld die een nieuwe heeft gemaakt. Toen heb ik hem wel even opgebeld, dat doe je niet.’

Uiteindelijk werd ook die Sneeuwwitje verwijderd en heeft Kersten de piece van de gemeente mogen terugzetten.

Met de jaren veranderde de houding van de buitenwereld langzaam. Ondernemers en gemeentelijke instanties begonnen kunstenaars als Kersten soms in te huren om ‘mooie graffiti’ aan te brengen op muren die anders toch al zouden worden beklad. ‘Dan gebruik ik vaak wat lichtere kleuren, wat vriendelijkere figuren. Groen werkt goed, dat gaat mooi op in het straatbeeld. En vrolijke poppetjes, dat vinden mensen vaak leuk.’

Het laat volgens Kersten zien dat veel mensen graffiti uiteindelijk best waarderen, als ze het iets beter begrijpen, en de pieces herkenbaar zijn. Volgens Kersten verandert de publieke houding überhaupt vaak zodra mensen met een artiest in gesprek gaan. ‘Ze merken dan: hé, dit zijn gewoon leuke gasten. Of vrouwen, er komen steeds meer vrouwelijke artiesten bij.’

Tijdens zulke gesprekken komen ook de klassieke vragen: hoe werken jullie op zulke hoogtes? Hangen jullie aan bruggen? ‘Er zijn artiesten die echt met klimapparatuur abseilen. Maar meestal leer je gewoon ondersteboven of in spiegelbeeld schrijven. Of je maakt eerst een schetsje en tekent het dan na.’ En hoe doen ze dat dan langs de snelweg? ‘Snel werken. Of goed opletten als er een wegafsluiting is.’

Kersten is blij dat de gemeente steeds vaker meedenkt over legale graffitimuren. Maar het mag wel wat ambitieuzer, vindt hij. ‘Gun kunstenaars de ruimte om de soms zielloze publieke ruimte op te fleuren. Ik mis een beetje Haagse bluf bij de gemeente. Deze muren vertellen het verhaal van de stad.’

Marc Kersten: Den Haag graffiti – De pioniersjaren van Nederland; 336 pagina’s; € 60. Het boek is in eigen beheer uitgegeven en wordt verkocht via Kerstens Instagramaccount.

Luister hieronder naar onze podcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next