De met schermen ommuurde mens voelt zich tegenwoordig aanhoudend ‘overprikkeld’. Naar je lichaam luisteren en je afkeren van die kakofonie is niet de oplossing. Wat helpt wel?
Wie mag je er de schuld van geven als je na middernacht, wanneer je zou moeten slapen, best hard The Greatest Hits van Abba blijft horen? Niet bij de buren, niet vanuit een externe bron, maar in je eigen hoofd. Alsof daarbinnen een jukebox staat te schallen. Zonder uitknop, zonder dat je het repertoire mag kiezen – gimme, gimme, gimme a man after midnight.
Slapeloosheid kent wrede wegen. Toen ik tijdens een periode van insomnia eens beschaamd bij een zorgverlener informeerde naar de herkomst van bovengenoemde marteljukebox, werd onmiddellijk de boosdoener aangewezen: overprikkeling. Te veel gezien, gehoord, geroken. Te veel in dat beperkte hoofd geprobeerd te proppen. Te veel van wat precies? Maakt niet uit: te veel info, data, prikkels. Het ‘systeem’ (dat was ik) kon het niet meer verwerken – super trouper beams are gonna blind me.
Prikkels: abstracte, vijandige eenheden. Mensen met sluimerende burn-outs, slaapproblemen, mensen die zich rekenen tot de groeiende groep neurodiversen, hoogsensitieven, bezitters van een brein dat ‘anders bedraad’ is, wordt op het hart gedrukt te waken voor blootstelling aan harde geluiden, felle lichten, veeleisende medemensen.
Dit voortschrijdend inzicht leidt tot contradictoire verschijnselen: prikkelarme kermissen, prikkelvrije zones op festivals, bij poppodia en studentenprotesten. Vooral bij veel mensen met een hersenaandoening, zo onderwijst de Hersenstichting in een nieuwe campagne, ‘komt de kleinste prikkel bikkelhard binnen’.
Dat ik het woord ‘overprikkeld’ durf te gebruiken, zou je psychological appropriation kunnen noemen: ik pak het af van de mensen die het echt nodig hebben. Zoals trauma al decennialang onderhevig is aan betekenisverruiming die in de wetenschap concept creep heet, zo werd overprikkeld, dat dit jaar voor het eerst als bijvoeglijk naamwoord aan Van Dale werd toegevoegd, een term waarmee je vrijelijk mag smijten. Een woord voor iedereen, van hersenpatiënt tot helikopterouder, van neurowetenschapper tot lifestylecoach.
Begrijpelijk. Los van de neurologische bijklank beschrijft het de moderne conditie uitstekend; je hoeft geen patiënt te zijn om overprikkeld te raken in een tijd waarin we, aldus technologiecriticus Nicholas Carr in zijn nieuwe doemboek Superbloom – How Technologies of Connection Tear Us Apart, veranderd zijn in ‘menselijke zendontvangers, knooppunten in een ongekend snel en groot communicatienetwerk, altijd signalen zendend en ontvangend’. Ring! Ring!
Dat roept de vraag op, zoals bij meer neurodivergenties, of we het niet ook hebben over een sociale pathologie, een ziekte van de tijd. Google Trends leert dat het woord ‘overprikkeling’ nauwelijks gegoogeld werd tot pakweg 2013, en sindsdien schiet de trend opwaarts. Precies het moment, zou die andere doomer Jonathan Haidt (van de bestseller Generatie angststoornis) nu roepen, dat alle kids een smartphone kregen!
Hadden we voor die tijd een ander woord voor hetzelfde gevoel, of maken nieuwe tijden nieuwe emoties? Was iedereen vroeger misschien ook overprikkeld, maar heette dat toen gewoon moe?
In 1989 had Gerrit Komrij een bestseller met Humeuren en temperamenten – Een encyclopedie van het gevoel. Daarin besprak hij op alfabetische volgorde geestestoestanden van aanstellerij tot zuiverheid. De massale emancipatie van emotie waar we vandaag van kunnen genieten was nog allerminst voltooid, getuige de achterflap: ‘Onze gevoelens worden gezien als monsters die ons uit evenwicht brengen en ons uiteindelijk verslinden. Het staat niet netjes eraan toe te geven, en erover praten geeft helemaal geen pas. Het wordt al snel als ‘geëxalteerd’ en ‘vals’ gezien – wat het natuurlijk ook vaak is.’
Vervuld van ratio doet Komrij dan ook een gooi naar de betekenis van onder meer geilheid, geluk en gramschap. (Woede is voor tussendoor, toorn is voor de zondag, ‘gramschap is er alleen voor speciale gelegenheden’.)
In Komrijs encyclopedie komen moeheid, fragmentatie, slapeloosheid, onrust en zenuwachtigheid voor, allemaal toestanden die raken aan dat nieuwe containerbegrip, maar van prikkels of overprikkeling is geen sprake. ‘Nu zoveel andere mysteries hun aantrekkingskracht hebben verloren’, zo schrijft hij onder het lemma Apathie wel al, ‘maken we van onze vermoeidheid een cultus (...). Iedereen is overal en altijd bekaf. Alles maakt iedereen moe. Moeheid is de ontsnappingstunnel geworden van een gemeenschap die is uitgepraat.’
Onder ‘Herinnering’ schrijft Komrij dat hij zou wensen ‘dat er althans één compartiment, één hoekje in ons hersenbolwerk was ingericht als archiefvernietiger. Naar hartelust zou ik daarin allerhande herinneringen deponeren om ze voorgoed spoorloos te maken. Niet speciaal de onaangename – nee, al die kleur- en geurloze ditjes en datjes waarmee je van lieverlee raakt volgestouwd en die te pas en te onpas in je komen opborrelen, al die beelden zonder kraak of smaak die maar brutaalweg ruimte in beslag blijven nemen (...).’
Dit is overigens een van de weinige momenten dat de schrijver een enigszins mechanistische blik heeft op het innerlijk: het hersenbolwerk als een archief met compartimenten en een beperkte capaciteit. Een harddisk, zouden we tien jaar later zeggen.
Dat Komrij het woord ‘brein’ nauwelijks in de mond neemt, typeert het verschil tussen zijn ABC en een hypothetische hedendaagse variant. Die laatste zou waarschijnlijk doorspekt zijn van het medisch-psychologisch jargon dat ons begrip van het gevoelsleven sindsdien is gaan kleuren. Overprikkeling zou je kunnen rekenen tot het veelbesproken uitdijend lexicon van de therapietaal, dat klinische termen tot spreektaal verheft. Moderne mensen weten zich met regelmaat getriggerd, gegaslight of gedeprimeerd, terwijl het gewoon een grijze maandagmiddag is.
Wat opvalt aan Komrijs humeuren en temperamenten is dat het veel intrinsieke, tamelijk existentiële gevoelens betreft. Afgunst, creativiteit en déjà vu: dingen die vanuit een onkenbaar binnenste opduiken en weer verdwijnen. Wanneer hij het heeft over fragmentatie gaat het niet zozeer over de vele indrukken die een mens opdoet, maar over de stukjes van zichzelf die hij overal achterlaat. ‘De mensen zien je, lezen je, maken je mee – je laat sporen in ze achter. Dat is een onaangename gedachte.’
Van die onaangename gedachte gaat een zekere eigen verantwoordelijkheid uit. Therapietaal, daarentegen, beschrijft het omgekeerde: de sporen die andere mensen in jou achterlaten. Overprikkeling, triggering en gaslighting gaan niet over wat er in binnen in je leeft, maar over het effect dat de buitenwereld, met zijn penetrante prikkels, op je heeft. Hoe die buitenwereld jou belaagt, jou dwarszit, het respect ontbeert voor jouw grenzen, dat centrale begrip waarmee het therapeutisch jargon het goede van het kwade scheidt, het zelf van het ander, het genoeg van het teveel.
De met schermen ommuurde mens voelt zich aanhoudend aangevallen. Een toestand waarin je zo gericht raakt op de buitenwereld, dat je binnenwereld erodeert. Dit verlies van innerlijkheid is al door vele cultuurcritici benoemd als een effect van de moderniteit. Koreaans-Duits filosoof en citatenkanon Byung-Chul Han, bijvoorbeeld, in zijn recente boek De crisis van het narratieve (2023): ‘De postnarratieve tijd is een tijd zonder innerlijkheid. Informatie keert alles naar buiten. In plaats van de innerlijkheid van de verteller hebben we te maken met de waakzaamheid van een informatiejager.’
‘De tsunami aan informatie’, schrijft Han over de informatiemaatschappij waarin we volgens hem nu leven, ‘zorgt ervoor dat onze waarnemingsorganen permanent worden geprikkeld. Ze zijn niet meer in staat om over te schakelen op een contemplatieve modus. De tsunami aan informatie fragmenteert de aandacht.’
Het zijn enorme open deuren, deze zinnen; technologiekritiek is een eigen genre met eigen dooddoeners geworden. We worden overspoeld, overweldigd, overmeesterd door zeeën van prikkels, onze kostbare aandacht is koopwaar geworden in de handen van kwaadaardige techbro’s, blablabla, we hebben het allemaal al zó vaak gehoord dat we er helemaal overprikkeld van raken.
Er kleeft een irritante modieusheid aan analyses als die van Han. Maar in werkelijkheid staat hij dus in een lange traditie van critici, die al meer dan honderd jaar geleden aandacht vroegen voor het versnipperende effect van de moderne maatschappij op de geest.
De Duitse socioloog Georg Simmel beschreef al in 1903 hoe het emotionele leven in de stad werd ‘geïntensiveerd door de snelle en voortdurende wisseling van externe en interne stimuli’ (prikkels!). In het essay Die Großstädte und das Geistesleben stelt hij dat die overprikkeling in combinatie met de dwingende commerciële logica en de anonimiteit van grote steden een fundamentele mentale aanpassing vereist.
Overgestimuleerde stedelingen nemen zichzelf in bescherming, zag Simmel in zijn thuisstad Berlijn, door een afgestompte, onverschillige houding aan te nemen. Blasé, noemde hij dat. Voor een mooie demonstratie van die gepantserde kilte moet je je vandaag de dag eens op een Amsterdams fietspad begeven tijdens de spits, en kijken naar de gezichten van de mensen om je heen.
In zijn eigen tijd werd Simmel door collega’s beschuldigd van associatieve kletspraat en onwetenschappelijkheid. Maar inmiddels is wat de socioloog over prikkels beweerde algemener aanvaard en in zekere mate ondersteund door wetenschap.
Moderne stoornissen zoals ADHD, zeggen wetenschapshistorici, zouden wat de symptomen betreft ooit wellicht geschaard zijn onder de noemer ‘neurasthenie’ of zenuwzwakte, een spectrum van aandoeningen die vaak beschouwd werden als reactie op toenemende drukte door verstedelijking. Wetenschappelijk is de aandacht van ‘zwakke zenuwen’ in de loop der eeuwen verschoven naar ‘prikkelverwerking’ dat vooral in de kinder- en jeugdpsychiatrie gezien wordt als de ingang tot een beter begrip van ontwikkelingsstoornissen zoals autisme. En de laatste tijd is de aandacht ervoor ook gegroeid in onderzoek naar verschillende andere diagnosen.
Maar hun toetreding tot de volksmond danken prikkels waarschijnlijk aan een onoverzichtelijke stroom populairwetenschappelijke content waarvan de wetenschappelijkheid varieert van licht controversieel tot kwakzalverij. Van het boek Overprikkeld brein van zelfbenoemd breinexpert Charlotte Labee werden de afgelopen jaren meer dan 150 duizend exemplaren verkocht.
Labee, een voormalig model, vond haar ‘zielsmissie’ en trekt nu volle zalen met de boodschap dat iedereen tegenwoordig weleens last heeft van een overprikkeld brein. Ze noemt het ‘een van de grootste problemen van deze moderne tijd’. Maar met de juiste lifestyle, haar tien-stappenplan – en eventueel een uitgebalanceerd pakket aan voedingssupplementen uit haar eigen lijn – kun ook jij de balans terugvinden.
Ze baseert zich op de nieuwste wetenschappelijke inzichten, zegt Labee. Maar de wetenschap is vooral ‘een geweldige tool’, die ze naar hartelust aanvult met andere geweldige tools, zoals eeuwenoude wijsheid, intuïtie en ‘noem het de connectie met je higher being, noem het spiritualiteit, noem het karma, of noem het een andere manier van kijken naar de wereld.’
Komrij had voor dit temperament het lemma yin-yangeritis: ‘Uit verdwenen, verre of niet begrepen culturen en godsdiensten wordt zo’n beetje geplukt wat in de kraam te pas komt – slogans in plaats van de ziel – en die voddenbaal wordt ons vervolgens voorgeschoteld als de spil waarom de wereld draait.’
Het is verleidelijk om laatdunkend te doen over de yin-yangeritis die kwakzalvers als Labee aan een vakantiehuis op Ibiza helpt. Maar hun hysterisch holisme raakt aan ideeën die de hele cultuur doordrenken. Het achterhaalde Descartiaanse onderscheid, bijvoorbeeld, tussen lichaam en geest.
Vanuit een iets geloofwaardigere populairwetenschappelijke hoek overtuigen traumaprofessoren als Bessel van der Kolk en Gabor Maté velen van het concept dat het lichaam een soort geheugen heeft – the body keeps the score. Onze darmen zijn een tweede brein, zeggen allerlei deskundigen en termen als ‘zenuwstelsel’ en ‘nervus vagus’ zijn ingeburgerd om te refereren aan het veronderstelde samenspel tussen je brein en je body.
Luister naar je lichaam, zijn we gaan geloven, want dat lichaam heeft de wijsheid in pacht.
Om in deze door prikkels vervuilde wereld toegang te krijgen tot die oerwijsheid laat de volgeling van Charlotte Labee zich gezuiverde smoothies, zinkpillen en platte newage-mantra’s aansmeren. Beklagenswaardig, kun je zeggen. Maar in highbrow kringen leeft een vergelijkbaar verlangen om terug te keren naar een ongerepte oorsprong. Als ik en mijn leeftijdgenoten al niet naar de binnenlanden van Brazilië zijn gereisd voor sjamanistische drugstrips, dan zoeken we toch zeker op grote schaal ontprikkeling in de wildernis, alsof er sinds de Romantiek niets veranderd is.
Een recente verkondiger van deze remedie is de filosoof Fleur Jongepier, die een paar jaar geleden haar veelbelovende academische carrière vaarwel zei om zich te vestigen in een Italiaans bergdorp. In het rijke boek Berghonger onderzoekt ze waarom ze zo graag haar toevlucht zoekt tot de bergen, waar het moderne leven veilig ver weg is.
Ook de beroepsdenker Jongepier hangt het populaire idee aan dat het lichaam kan denken. En in haar bespiegelingen schemert door dat ze die lichaamskennis authentieker en wijzer acht dan wat ze met haar hoofd allemaal heeft leren denken tijdens haar studie. Die grote ideeën, bijna allemaal bedacht door witte mannen, boden weinig soelaas tijdens de scheiding, de depressie en de professionele sores die haar uiteindelijk naar de heuvels dreven. Het was haar lichaam dat besloot.
Dat lichaam, daar komt het op neer, voelt zich nu eenmaal beter wanneer het wandelt, klimt en alpenkruiden plukt. En dat geldt ook voor de geest die in dat lichaam huist.
Jongepiers boek leest als een lange intellectuele aflevering van Ik vertrek. Waar de gemiddelde deelnemer van dat programma niet verder komt dan ‘ontsnappen aan de ratrace’ probeert de filosoof tot de kern te komen van wat er zo tergend is aan die ratrace en zo helend aan de bergen.
Met haar ophemeling van de machtige berg staat ook zij dus in een traditie. Die van romantici als Henry David Thoreau, die zich eind negentiende eeuw terugtrok in een hutje in het bos om zich te reinigen van dat corrumperende stadsleven. Zijn Walden is al jaren een cultitem onder Patagonia-dragende hipsters die digitaal detoxen, varens op hun ledematen laten tatoeëren en aan bergsport doen.
Jongepier is zich bewust van die traditie en de tegenstrijdigheden ervan en ze doet haar best om voorbij de clichés te denken. Natuurlijk komt ook zij op haar bergtop tot de obligate conclusie dat ze daar beneden in de stad voortdurend verleid wordt tot consumptie, dat die overdaad ons niet gelukkig maakt en slechts vervreemdt van onze ‘echte’ verlangens. Maar het gaat haar ook te ver om te zeggen dat haar zin in afhaalsushi en zuurdesembrood niet écht van haar is. ‘Ik lijd niet aan vervreemding van mijn verlangens, maar aan een overschot ervan, en daar is nog moeilijker iets tegen te beginnen.’
Ook de aanname dat de bergen ideaal zijn om digitaal te detoxen relativeert ze: op bijna elke top heb je internet en op veel plekken struikel je over de uitgestoken selfiesticks van outdoorinfluencers. Bovendien is je telefoon ook gewoon leuk, zeker als je van wandelapps houdt.
Maar haar bruikbaarste omkering betreft het misverstand dat je in de bergen ‘tot jezelf’ komt. Op verschillende plekken in het boek blijkt dat de grootste euforie die ze ervaart, bestaat bij de gratie van zelfvergetelheid. Bij de zeldzame flow die ze kan ervaren als ze klimt, de leegte in haar hoofd als ze haar ene voet voor de andere zet, de sporadische, pure zintuiglijkheid waarin ze samenvalt met het grandioze uitzicht.
In de bergen worden dingen helder, zo blijkt uit Jongepiers verhaal, niet omdat je er nou zo goed naar jezelf kunt luisteren, en naar wat je lichaam je allemaal over jezelf vertelt, maar juist omdat je jezelf vergeet.
Zelfvergetelheid dus, samenvallen met alles, egodood, heelheid. Het tegendeel van de versnipperde moderne toestand die we overprikkeld noemen, waarin alles lijkt in te beuken op dat armzalig zelfje. Jezelf vergeten is een remedie. Maar behalve dat de trek naar de bergen niet voor iedereen is weggelegd, wijst de diagnose – zoals veel hedendaagse diagnosen – de verkeerde kant op.
Overprikkeling ga je tegen, zo wil de populaire wijsheid, niet door je grenzen te laten vervagen, maar juist door ze te bewaken. Je zet je geluidswerende koptelefoon op, je trekt je terug uit die overstelpende werkelijkheid, je zegt ‘tot hier en niet verder!’ tegen de boze buitenwereld.
Je keert je af van de kakofonie en legt je oor te luisteren bij je kwetsbare, alwetende lichaam, dat roept, zoals de experts voorspellen: te veel, te luid, te fel. En zo leidt die ene kernervaring van het moderne leven, tragischerwijs tot die andere: isolement.
Die geluidswerende koptelefoon is een meer dan legitieme tendens voor wie aan hersenletsel lijdt. Maar voor veel anderen verdient de aanbeveling om vooral naar je lichaam te luisteren nuancering. Want zo vervuild en nep als ons mediadieet, zo puur en waar heet de taal van het lichaam, de emotie, vandaag te zijn. De tijd dat het als geëxalteerd en vals werd gezien om je gevoel te laten spreken ligt ver achter ons. Maar Komrij had gelijk met zijn kanttekening dat gevoelens nu eenmaal ook vaak vals zijn.
Zoals je lichaam en geest niet van elkaar gescheiden kunt zien, zo zijn gevoelens en gedachten met elkaar verweven. We kunnen de ratio overgewaardeerd noemen, maar actueel onderzoek naar emoties suggereert dat cultuur en gedachten van grote invloed zijn op wat je ‘voelt’. De woorden en concepten waarover je beschikt bepalen mede welke gevoelens je überhaupt kunt ervaren of herkennen. Die wijsheid van het lichaam kan nauwelijks zonder de vertroebelende tussenkomst van interpretatie, van taal.
Wie de wereld gewaar wordt als een kolkende massa prikkels, en wie wordt aangeleerd dat de lichamelijke aversie daartegen een waardevol signaal is waaraan je gehoor moet geven, zou wel eens kunnen vergeten dat je je verstand kunt aanwenden om in die massa de ene prikkel van de ander te onderscheiden.
Het recenter in omloop geraakte woord ‘hersenrot’ – dat opmerkelijk genoeg al opdook in Thoreaus Walden! – lijkt de verantwoordelijkheid terug te nemen met de erkenning dat we onze eigen hersenen moedwillig blootstellen aan laagwaardige prikkels, terwijl we er overbewust van zijn wat dat met ons doet.
Tijdverslindend, zo noemde Komrij het wanneer ‘de gewaarwording van je zenuwen een doel op zichzelf wordt.’
‘Je zit dan in de zenuwen over je doorzeurende zenuwen. Je andere gewaarwordingen vervagen. Je zou niet eens kunnen aanwijzen wat nog de directe, uitwendige bron van je nervositeit vormt: je onrust komt alleen voort uit het niet af te schudden gevoel van onrust. Je probeert die secundaire zenuwachtigheid opnieuw onder één noemer te brengen met de primaire – het lukt niet. Ze lonken naar elkaar, vechten onderling, omcirkelen elkaar en laten je als één bundel overspannenheid achter.’
Een overvloed aan prikkels, zag Simmel al in 1903, maakt de mens blasé en teruggetrokken. Met het zogenaamd neutrale woord overprikkeld wordt die zogenaamd willoze toestand gelegitimeerd, terwijl we er weerstand aan zouden moeten bieden.
Nicholas Carr: Superbloom – How Technologies of Connection Tear Us Apart. Norton & Company; 260 pagina’s; € 17,99.
Fleur Jongepier: Berghonger. De Bezige Bij; 320 pagina’s; € 24,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant