Natuurbranden Een delegatie van de Nederlandse brandweer is deze zomer in Spanje om hun Spaanse collega’s bij te staan én zich te bekwamen in de bestrijding van natuurbranden. „In Nederland zouden we een brandende boom blussen, hier leren we dat die boom al verloren is.”
Deze zomer gaan bijna 650 brandweerlieden uit veertien EU-landen naar risicogebieden in Frankrijk, Griekenland, Portugal en Spanje, betaald door de EU.
Vijf witte auto’s razen over een slingerweg door de zwartgeblakerde heuvels van het Spaanse Galicië. Uit de verkoolde akkers en natuurgebieden rijzen rookwolken op van smeulende overblijfselen, her en der likken vlammen aan onverbrande delen van bomen en struiken. De colonne van witte auto’s van de Xunta de Galicia, de regionale regering van het gebied, wordt gesloten door een rode brandweerbus, waarop in grote letters „Brandweer Twente” prijkt.
Een uur eerder kreeg Edwin Kok, bestuurder van de bus en natuurbrandspecialist bij de Nederlandse brandweer, op het terras van zijn hotel in Allariz een bericht met de tekst „A change of plans”. Voor het bezoek aan een commandocentrum in Santiago de Compostela, dat op de agenda stond voor Kok en de Nederlandse delegatie die hij begeleidt, is vandaag geen tijd. Het brandt op zeven plekken in de provincie Ourense, alle hulp is nodig om te voorkomen dat het verder uit de hand loopt.
Pakken aan, handgereedschappen inpakken en gaan, luidt de korte en duidelijke instructie op een parkeerplaats naast een klooster, waarachter de rookwolken omhoog komen. Er moet een dorp beschermd worden tegen de brand van ruim driehonderd hectare.
De Nederlandse brandweer is deze zomer in het noordwesten van Spanje om zich te bekwamen in de bestrijding van natuurbranden en tegelijkertijd Spaanse collega’s te ondersteunen. Omdat Nederland naar verwachting vaker met Spaanse temperaturen en klimaatomstandigheden te maken zal krijgen – inclusief natuurbranden – kan de brandweer maar beter nu kennis opdoen, is het idee.
De training vindt plaats in het kader van het Prepositioning Programme van de Europese Commissie, in 2022 opgezet om kennisuitwisseling te faciliteren en brandweerteams in risicogebieden te helpen. Deze zomer gaan bijna 650 brandweerlieden uit veertien EU-landen naar risicogebieden in Frankrijk, Griekenland, Portugal en Spanje, betaald door de EU. Twee Nederlandse ploegen van twintig brandweerlieden verblijven elk twee weken in Galicië, half augustus wordt de ploeg afgewisseld door een team uit Estland.
Overal waar je kijkt in de provincie Ourense zijn rookpluimen te zien.
In het Nederlandse team, dat hoofdzakelijk uit mannen bestaat, zitten twee brandweervrouwen. Foto Elena Fernández
In Ourense zijn veel natuurbranden en het officiële programma van de Nederlanders wordt meermaals onderbroken om erop uit te trekken. Foto Elena Fernández
De brandweer wilde specifiek naar Spanje omdat hier strategisch gehandeld wordt, zegt Kok. „In Nederland willen we sterker zijn dan de brand. Dat zie je ook in Frankrijk, daar zetten ze in op veel eenheden, veel water. In Spanje proberen ze slimmer te zijn dan de brand, daar kunnen we veel van leren.” En de omgeving van Ourense is de beste plek, zegt de Spaanse brandweerman Ruben Quiñas die de Nederlanders begeleidt. „De helft van de bosbranden vindt plaats in Galicië, en de helft daarvan in de provincie Ourense.”
De Spaanse natuurbrandbestrijders, die niet onder de brandweer maar onder de Xunta vallen, hebben een programma voor de bezoekers opgetuigd. Iedere ochtend vindt een training of bezoek plaats. Tussen 15.00 en 22.00 uur kan de ploeg ingezet worden voor brandbestrijding – tenzij de omstandigheden om improvisatie vragen.
Tijdens de trainingen tonen de lokale begeleiders hun buitenlandse collega’s de Spaanse methodes, die heel anders zijn dan het bekende beeld van de brandweerauto en de brandweerslang. In het heuvelachtige en voor een groot deel onherbergzame Galicië kan op veel plekken helemaal geen auto komen. Omdat branden vaak tegelijkertijd plaatsvinden, moet de Xunta bovendien goed nadenken over welke middelen ze waar aanwendt: alle brandhaarden doven is simpelweg niet mogelijk.
Die logica is anders dan in Nederland, vertelt Alex van Mechelen op de parkeerplaats waar de instructie plaatsvindt. „Als die boom in de fik zou staan”, zegt hij wijzend naar een boom verderop, „zou mijn ploeg in Nederland die boom gaan blussen. Hier leren we dat die boom al verloren is, en we beter kunnen zorgen dat het vuur niet verder uitbreidt.”
Ook Spanjaarden geven de voorkeur aan water – als het er is en als het de brandlocatie kan bereiken. Ze zijn veel zuiniger dan in Nederland, vertelt teamleider Erik Pluim. „Wij gebruiken minimaal 125 liter per minuut, vaak nog meer. In Spanje hebben ze dunnere slangen, die ze meer kunnen verlengen, en gebruiken ze 50 liter per minuut. Hier weten ze wat efficiënt is, dat extra water van ons is misschien niet nodig.”
Maar meestal moeten de Spanjaarden een brand bestrijden zonder water. Dat doen ze door met handgereedschap zoveel mogelijk planten, struiken en wortels weg te halen tussen het zwarte, verbande gebied en de vegetatie die nog vlam kan vatten. Ze gebruiken vuurzwepen, een soort bezems, om kleine vlammen uit te maken door de zuurstof weg te nemen. McLeods, een harkachtig gereedschap met een scherpe achterkant, en pulaski’s, een soort bijl, worden gebruikt om begroeiing weg te halen, zodat smeulende delen niet kunnen overslaan naar het groen.
In Nederland worden burgers bij brand op afstand gehouden, voor de Spaanse brandweer is samenwerking met de lokale bevolking een cruciaal onderdeel van hun werk.
Ook in Nederland wordt met handgereedschappen gewerkt, legt Gerard de Haan uit. Hij werkt al dertien jaar bij handcrew Overijssel, een van de twee specialistische teams die deze gereedschappen gebruiken bij natuurbranden. „Wij bestrijden de branden waar de brandweerauto’s niet kunnen komen.” In Nederland zijn bergen geen obstakel voor de grote brandweerauto’s, maar natuurbescherming wel. „Als je dwars door de natuur rijdt, zie je over dertig jaar de diepe sporen nog”, zegt De Haan. Hoewel hij al bekend was met veel gereedschappen, zag hij in Spanje dat goed materiaal uitmaakt: rubberen vuurzwepen werken veel beter dan de stalen die ze in Overijssel gebruiken, zegt De Haan. „En ik heb geleerd dat de Spanjaarden soms pas in actie komen als een dorp bedreigd wordt. Wij springen bij de eerste vlam al in de auto, daar kunnen we anders over na gaan denken.”
De Spanjaarden gebruiken ook methodes die in Nederland zeldzaam zijn of helemaal niet gebruikt worden. Zoals „vuur bestrijden met vuur”, door een deel van het gebied gecontroleerd af te branden en zo de naderende brand te stoppen. Een ander middel is de bulldozer, die een stoplijn maakt zoals de brandweerlieden dat met handgereedschap doen, maar dan veel breder en sneller. „Een bulldozer neemt alles mee wat hij tegenkomt. Daar zullen de natuurliefhebbers in Nederland wel vraagtekens bij zetten”, zegt De Haan.
Tijdens de training is veel aandacht voor veiligheid en strategie, vertellen de Nederlandse deelnemers. Zo komt het LACES-protocol aan bod: dat staat voor Lookout, Awareness/Anchor Point, Communication, Escape Route and Safety Zone. Voor de Spaanse brandweerlieden beginnen, moeten ze een veilige zone aanwijzen, iemand op de uitkijk zetten en een vluchtweg bepalen.
Hoe belangrijk zo’n „lookout” is, blijkt meteen. Gewapend met vuurzwepen, pulaski’s en McLeod’s heeft de helft van de delegatie – die is opgesplitst in team Alpha en Bravo – een stoplijn van een meter breed gemaakt, vanuit de veilige zone de heuvel op. Terwijl team Bravo zich in de brandende hitte een weg omhoog baant, brult lookout Mathieu Brons „vuur” door de portofoon. Aan het begin van de stoplijn heeft een struik toch vlam gevat, vlakbij de rugzakken en de (vlucht)weg naar het dorp.
Ruben Quiñas, tot dusver zo kalm dat hij zelfs in het smeulende gebied een sigaret rookt, springt over een hekje, rent naar beneden en begint met een vuurzweep op het vuur te slaan. De rest van het team volgt snel, maar de metershoge vlammen slaan al uit de struik. Bravo-leider Coen Hagenaars instrueert een deel van het Bravo-team de aangrenzende struiken weg te kappen, zodat het vuur zich niet richting het dorp kan verspreiden. Pablo Vicente Sánchez Román, een andere Spaanse begeleider, tovert zelfs een groot kapmes tevoorschijn.
In Spanje, waar bluswagens lang niet overal kunnen komen, worden allerlei technieken gebruikt om het vuur te bestrijden zonder water. Foto Elena Fernández
Een Nederlandse brandbestrijder in de buurt van Montederramo. Foto Elena Fernández
Net op tijd, is de conclusie bij de debriefing in de behouden veilige zone. En dat de stoplijn nog breder en dieper moet – alle blaren op de handen van de brandweerlieden ten spijt: ook wortels kunnen doorsmeulen en vlam vatten. Op de achtergrond zweven grote rookwolken, afkomstig van een door de Xunta aangestoken ‘stratregisch vuur’ op de heuvel aan de overkant. Het dorp is gered, althans voorlopig.
Een dag later is de situatie geëscaleerd. Galicië heeft code 2 afgegeven, wat betekent dat de natuurbrandbestrijders twee uur langer ingeschakeld kunnen worden. De snelweg tussen Santiago de Compostela en Ourense is dicht, de hogesnelheidslijn naar Madrid rijdt niet. De training is ook deze ochtend afgezegd. Na een uitgebreide lunch – hard werken vraagt om goed eten, zeggen de Spanjaarden – scheurt de colonne met zwaailichten een heuvel op. De rook is zo dicht dat af en toe alleen de blauwe lampen te zien zijn, de brandgeur vecht zich via de luchtcirculatie een weg naar binnen.
De brand is overal om ons heen, zegt commandant Martín Blanco Hermida tijdens de instructie. „Dit is serieuzer dan jullie tot nu toe hebben gezien. We moeten hier drie dorpen beschermen: O Peredo, Casar do Mato en A Xestosa.” Daar deinzen de Nederlandse brandweerlieden niet voor terug. Als Martín vraagt welke drie mensen met hem mee willen om een boerderij te beschermen, gaan vele handen de lucht in.
Bang zijn de brandweerlieden niet. Als de grote vlammen in een greppel geblust zijn met de inhoud van een giertank van een boer, aarzelt Sam de Joode geen moment om erin te springen om de laatste brandjes uit te maken. Het is tekenend voor de nijverheid van de groep. Veel deelnemers zijn lid van de vrijwillige brandweer en hebben twee weken vakantie opgenomen voor deze training. Ze willen graag leren.
Arjan Bruijnes, hoofdofficier van de veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland, maakt op elk rustmoment aantekeningen in zijn notitieboekje. Jeroen Wildeman, communicatieadviseur bij de brandweer, neemt alle trainingen op om er thuis lessen uit te trekken. En hoewel het zweet de speciaal voor de hitte ontworpen maar nog steeds dikke brandweerpakken van vrijwel alle brandweerlieden donker kleurt, vraagt Yara Kikken tijdens de pauze: „Is er nog iets te doen?”
Maar brand bestrijden betekent ook veel wachten – op de Spanjaarden en op de brand. Team Bravo heeft deze middag een lange linie gevormd om in de gaten te houden of de brand in de bomenrijen slaat, waardoor het vuur de weg naar de dorpen zou kunnen bereiken. Door de voortdurend draaiende wind lijkt er niks te gebeuren.
Ook met wachten weten de brandweerlieden wel raad. Er wordt gekaart, muziek gedraaid en gegrapt. Als een brandweerman bij de lunch even gaat liggen, vraagt iemand of hij een AED moet halen. „Neem nou”, zegt een ander die rondgaat met een tot een klont versmolten pak stroopwafels. „Ik denk niet dat ze vandaag gaan overleven.” En weer een ander roept naar zijn collega die een braam wil plukken: „Daar heb ik net geplast.”
Hoewel er in Galicië veel wantrouwen heerst tegen de overheid – volgens Quiñas wordt de overgrote meerderheid van de branden aangestoken en krijgen ze vaak commentaar tijdens hun werk – wordt bij deze drie dorpen goed samengewerkt met de lokale bevolking. De inzet van giertanks wordt gecoördineerd, buren komen meermaals langs met water en broodjes. „Dat is ook een les”, zegt aspirant brandweervrouw Fenne van Putten, de jongste van de groep. „In Nederland houden we burgers zo ver mogelijk weg bij het vuur, maar hier hebben ze alles en iedereen nodig – ook de inhoud van de gierkelder.”
De uitgebrande auto van een boswachter in de buurt van Maceda.
Source: NRC