Home

In de kille wereld van A naar B zag de praatpaal je wél staan

De ANWB-praatpalen voor hulp bij pech zijn jaren geleden weggehaald, maar zeker niet liefdeloos gesloopt. Op een bedrijventerrein bij Culemborg ligt nog een hele berg en er zijn genoeg mensen die ze graag willen hebben. Wat is de aantrekkingskracht van het ‘gele konijn’?

Praatpaal in de opslag in Geldermalsen.

Nummer 112 ligt ruggelings bovenop een stapel soortgenoten, z’n oren tegen die van een ander gevleid. Hij is een beetje viezig van de roet. Zijn romp is bekrast, gehavend, maar hij heeft het er best goed vanaf gebracht. Hij is niet gedeukt zoals nummer 142. Mist geen oor zoals 259.

Op een bedrijventerreintje in het midden van Nederland liggen honderden afgedankte ANWB-praatpalen in stellages bovenop elkaar. Eerst – al jaren geleden – ontheven uit hun functie. Daarna een kap over de oren met de tekst ‘Buiten werking.’ En toen met een kraanwagentje aan een strop een voor een, de wortels van bramenstruiken nog om hun pootjes, uit de berm getrokken. Hun standplaats.

Het gele konijn, werd de praatpaal ook wel genoemd. Broer konijn. „Beschermengel” van de snelweg, „op de grens tussen asfalt en koeien, tussen vooruitgang en stilte” – zoals de ontwerper ’m ooit omschreef. Wachtend op pechvogels, verloren in een wereld zonder mobiele telefoon. Altijd op minder dan één kilometer lopen vond de gestrande reiziger bij hem een schuilplek. Zijn oren dempten het razen van het verkeer. Met één druk op zijn grote gele knop was er iemand die luisterde. Menselijk contact.

Natuurlijk had de praatpaal kunnen belanden op de bergen staal en aluminium op het naastgelegen bedrijventerrein. Dan was hij uit elkaar gehaald en met al die andere overbodig geraakte spullen meegevoerd in de afvalstromen van de Nederlandse recycle-industrie.

Maar dat is niet gebeurd. Vanuit de trein tussen Utrecht en Den Bosch zie je net buiten Culemborg aan je rechterhand een opvallende gele berg liggen. De laatste van de 3.300 praatpalen die het snelweglandschap bevolkten werd in oktober 2017 verwijderd. Iedereen had een mobiel.

„Had jij me niet al eerder gebeld?” De stapel, een gele vlek op Google Maps, zou liggen op het terrein van Blom Recycling en Transport BV. Maar de eigenaar, een man met tattoos en gebruinde armen, schudt zijn hoofd. „Nee, niet hier hoor.”

Hij zou niet weten wat ’ie ermee zou moeten, al die palen. In zijn wereld draait alles om volume. Vrachtwagens met dubbele containers oud ijzer gaan op een weegbrug waarna het hele spul, van roestende leidingen tot uit de gracht getakelde fietsen en kapotte wasmachines, alles wat de Nederlander niet meer hoeft, à 19 cent per kilo – dagprijs – wordt weggezet. Bij z’n buurman liggen bergen zo hoog als huizen, hij is met veertien containers een „kleine” jongen. „Ik kan zo’n partij niet vasthouden.” Wijzend naar de volgende oprit: „Jullie moeten verderop wezen.”

Nederland ‘achter de schermen’

We rijden het terrein af, de volgende oprit is zo’n honderd meter verderop. Dit is Nederland ‘achter de schermen’. Een wereld die je als gebruiker niet snel leert kennen. Daar, in de coulissen, worden bergen afval verwerkt en vind je opslag voor snelwegonderhoud.

De berg praatpalen ligt linksachter op het terrein. Een man parkeert net zijn busje met vangrails. Carolus Brans is zijn naam. De palen, vertelt hij, zijn niet van hem. Maar hij werkte jaren zij aan zij met hen. Al veertig jaar werkt Brans aan de snelweg.

Opslag van praatpalen in Culemborg.

„Nou ga je wat meemaken.” Brans scrolt door de foto’s op z’n telefoon. „M’n pijlwagen. En hier, de vrachtwagen.” Op de foto ligt de hele snelweg bezaaid met petflesjes – „River-limonade van de Aldi”. Van de vangrail is weinig over. „Precies de plek waar ik had willen werken.” Glimlach: „Het is een godswonder dat ik hier sta.”

Chauffeurs vallen in slaap achter het stuur. Vanaf de vluchtstroken ziet Brans het gebeuren. Of ze zitten op hun telefoon. Vooral dat maakt hem boos. „Iedereen is maar bezig met die mobiel.”

De mobiel die de praatpaal overbodig maakte. In 2012, vijf jaar voor de pensionering van de praatpaal, was het aandeel pechvogels dat nog van de paal gebruik maakte al gedaald tot 0,6 procent van de meldingen.

Maar afscheid nemen bleek zo makkelijk niet. Toen Van Doorn, het bedrijf waar Brans voor werkt, in 2017 de palen in het hele land verwijderde, bleek de Nederlander er opeens toch aan gehecht. „Er lagen er hier nog veel meer”, zegt Brans, wijzend naar de stapel. „Iedereen wilde die dingen hebben hè.”

In het Gelderse Zoelen ligt een ANWB-praatpaal op de bodem van een meer als onderdeel van een duikroute, naast een auto en een scooter. In Oost-Friesland leeft hij voort als intercom bij de oprit van een woning. Een enkeling heeft de paal weer tot leven gewekt met een prepaid simkaart: één druk op de grote ronde knop en je belt een zelfgekozen nummer. Je vindt ’m – werkloos – in een Amsterdams café, en in woonkamers, tuinen en garages, soms met een nieuwe functie: liedjespaal, kattenmand, kunstobject. In verzorgingshuizen staat ’ie als ‘belevingspaal’ met een iPad tussen de oren. En bij fietsenstallingen en op parkeerterreinen van bedrijven doet hij als laadpaal wat ’ie eerder niet kon: voorkómen dat reizigers stranden.

Blijkbaar roept de paal ‘iets’ op. Neem de Facebook-groep ‘ANWB-praatpaalowners’, waar bijna driehonderd leden trots foto’s delen. Of praatpaalarchief.nl, waar je van alle praatpalen de voormalige locatie kan vinden, inclusief een linkje naar Google Maps. Er zijn producten in de vorm van een praatpaal; een zilveren theelepeltje, sleutelhanger, horloge, ligstoel, luchtbed en carnavalskostuum.

„Nostalgie?” Brans weet het ook niet precies. Hij pakt pen en papier uit zijn busje. „Als je meer wilt weten, bel m’n baas. Lennart Hol.”

Telefoonzuilen

„Belangrijke proef langs Rijksweg 13” staat in typmachineletters op het document dat we opgestuurd krijgen van de ANWB-historicus – de tijdelijke, want sinds het pensioen van de vorige staat de vacature open. Het bericht is van 27 oktober 1959 en kondigt „een netwerk van telefoonzuilen” aan uitgerust met „mobilofooninstallatie”. Het is de uitbreiding van een eerder experiment langs de Afsluitdijk – waar je bij pech niet even kunt aanbellen bij een boerderij.

De eerste tien palen aan Rijksweg 13, tussen Rotterdam en Den Haag, waren naar Duits model. „Hel-geel geschilderde telefoonzuilen”, aldus het bericht. „Niet voorzien van de gebruikelijke telefoonhaak, doch waarbij de verbinding in werking treedt door het oplichten van een beschermingsklep, waarachter een microfoon en een luidspreker zijn aangebracht.” In directe verbinding met een wegenwachtstation in de buurt waar hulpverlening van politie, arts, ambulance of zelfs „een geestelijke” zo snel mogelijk kan worden gerealiseerd.

Van die tien stuks maakten op dit drukke traject al snel dagelijks gemiddeld 44 automobilisten gebruik. Nog slechts een fractie van het totaal aantal pechvogels, want volgens lokale media heerste onder automobilisten nog „praatpaalschuwheid”. Liever zochten velen een politiepost op, die je destijds ook nog veelvuldig langs de weg aantrof.

‘De Kletskop’, een nieuw model uit 1965, had een ronde kop en was beter bestand tegen de elementen. En toen het Rijk twee jaar later besloot de praatpaal langs het hele wegennet te plaatsen, werd dat een model dat veel weg had van een stokstaartje: lang lijf, koppie naar de berm gericht.

Opslag van praatpalen in Culemborg.

Het verkeer nam toe, zo ook het gebruik van de praatpaal. Automobilisten met pech, ongevallen, meldingen van vee op de weg, door hun man achtergelaten – of vergeten – vrouwen, neergestorte F-16’s. In Den Oever deed een drenkeling die was omgeslagen voor de kust door de praatpaal zijn verhaal.

In 1994 kwam de praatpaal zoals we die kennen. Op dat moment zoekt jaarlijks ruim een op de vijf automobilisten – zo’n driehonderdduizend – contact via de praatpaal. In dit laatste model zit de microfoon wat lager: beter bereikbaar voor iedereen. En eerlijk is eerlijk: dit model heeft met zijn hoge, opvallende oren en op de automobilist gerichte blik, iets vertederends.

Reserveoren

„Deuken? Krassen? Gaten?” Lennart Hol knikt, bijna schuldbewust. „De beste palen hebben we al lang omgebouwd en verkocht. De stapel die jullie hebben zien liggen is de restpartij.” En ja, best kans dat die gaten in de romp zijn veroorzaakt tijdens het weghalen van de palen. „We deden dat zo voorzichtig mogelijk met een strop. Maar sommigen zaten zo verankerd in de grond, die hebben we los moeten wrikken met een grijper.”

En dat moest snel. De 3.300 praatpalen gingen op zaterdag 1 juli 2017 op non-actief en kregen direct een sticker met QR-code en een stoffen hoes met ‘buiten werking’ over de oren. De werknemers van Van Doorn, het bedrijf waarvoor Hol werkt, doorkruisten in één weekend het hele land. „Iedereen die maar kon deed mee.” Want met 385 werknemers is Van Doorn best fors, maar nog altijd slechts een kleintje in de wereld van de infrastructuur.

Lennart Hol ontvangt ons op het hoofdkantoor in Geldermalsen, op ruim zeven kilometer van de stapel praatpalen die we zagen vanuit de trein. Een grijs pand tegenover een boerderij met fruitbomen en geitjes in de wei. Hij serveert automatenkoffie in een halletje met bovenaan de trap portretten van mannen in pak – de oprichters.

Van Doorn, een familiebedrijf gevestigd in de Betuwe, dé fruitregio van Nederland, is begonnen door vijf broers. In het slechte fruitjaar 1963 maakten zij de overstap van appels en peren naar de snelgroeiende wereld van de snelweg. Bermen maaien en groenaanplant. Later ook asfalteren en vuil uit de weg zuigen. Zijn opa was een van de eerste medewerkers. Zijn vader volgde. En nu is de 22-jarige Lennart, derde generatie, werkzaam als projectleider vangrails. Overal waar Van Doorn aan de weg werkt, huurt het bedrijf een terrein voor de opslag – op een van die plekken vonden we de stapel praatpalen.

Het zijn er nog zo’n zevenhonderd, schat Hol. Een klein deel is inderdaad wat „gehandicapt” maar het gros „kan nog prima opgepoetst”. Die komen in aanmerking voor een tweede leven. Zelfs paal 259, die een oor mist: „We hebben nog een doosje reserveoren.”

Hectometerpaaltjes

Acht jaar ligt de stapel er al en nog altijd zijn er mensen die er eentje willen hebben. „Sommigen zien de stapel liggen vanuit de trein en bellen op”, zegt Simone Thoolen, die bij het gesprek is aangehaakt. „Vorige week nog kwam een wegenwachter langs met een busje. Negen stuks, ook voor collega’s. En we hebben ook nog gloednieuwe hoor!” zegt Thoolen, die bij Van Doorn de „strategische communicatie” doet. Ze wijst naar het terrein aan de achterkant. „Kom maar mee.”

Hol en Thoolen nemen ons mee over een parkeerplaats met tientallen geel-paarse vrachtwagens, werkbussen en tekstwagens. Langs wasstraten en loodsen vol rood-witte verkeerspionnen, stapels hectometerpaaltjes, vangrails en stellages met moeren, bouten, compressors en al het gereedschap dat je nodig hebt om „de buitenruimte van morgen” vorm te geven, zoals Van Doorns slogan luidt.

„Weet jij waar die dozen met praatpalen zijn”, vraagt Thoolen aan een medewerker in blauwe overall. De man wijst naar boven.

Het „praatpalencircus”, vertelt Thoolen, was ongeveer haar eerste klus toen ze in 2017 bij Van Doorn begon. De palen hadden door de shredder kunnen gaan, want dat was jarenlang de standaard in de wereld van de infra: alles wat stuk is, smelt je om. Maar dat wilde Rijkswaterstaat niet, die zocht een „duurzame oplossing” voor de praatpaal. Van Doorn zag er een business case in en wilde de praatpalen een nieuwe bestemming geven.

Het Gelderse familiebedrijf kreeg de opdracht – het had als enige een plan ingediend – en nam ze over. De afspraak werd dat Van Doorn, samen met dochteronderneming Ecoleon, gedurende tien jaar – tot 2027 – zou zoeken naar nieuwe bestemmingen voor de palen. Een deel werd verkocht aan particulieren, en voor de andere vond Van Doorn verschillende toepassingen. Zoals een communicatiezuil voor dementerenden, die in het verpleeghuis met een druk op de knop het polygoonjournaal konden horen. Ecoleon transformeerde vele praatpalen tot laadpaal voor elektrische auto’s – die zijn nog steeds te koop.

Roze bubbeltjesplastic

De voltallige pers was aanwezig toen medewerkers van Van Doorn langs de A2 met een strop de eerste paal uit de grond trokken. In kranten verschenen ‘necrologieën’.

Voor de verkoop had Simone Thoolen een aparte website opgericht en een ‘praatpaalpaspoort’ bedacht, met foto en standplaats van elk exemplaar. Toen de eerste tranche in de verkoop ging, honderden stuks, zat ze met haar kinderen in een restaurant te eten. Al na twee uur kwam er een eindeloze stroom reacties. „Mensen waren boos, boos, omdat ze al zo snel op waren.”

Wat is het nou toch, die aantrekkingskracht?

Als Lennart Hol over de snelweg rijdt, kijkt hij vooruit maar ook opzij. Naar de vangrails, „planken” noemt ’ie ze. Naar de reflectoren op de rails en naar het wegdek en de strepen. Hij ziet de oneffenheden. De roestvlekken. Aan het tikken van steentjes tegen de onderkant van de auto hoort hij of asfalt is gezogen. En bij wegwerkzaamheden mindert hij vaart. Hij wel.

Opslag van praatpalen in Culemborg.

Je moest eens weten hoeveel werk de snelweg kost. Al dat asfalt, de borden, de vangrail, de strepen. Terwijl Nederland slaapt, werken zij. „Wie aan de weg werkt, is anoniem”, zegt Hol. Ze maken mee dat automobilisten toeteren, blikjes gooien. Omdat ze, ondanks een rood kruis, ‘in de weg staan’. Ergens kunnen ze het ook begrijpen. Thoolen: „De snelweg kent geen menselijke maat.”

De praatpaal, met z’n gekke oren, wás de menselijke maat. In die kille wereld van A naar B keek het konijn je aan. Hij zag je stáán. Hij was de enige bij wie je je hart kon luchten. Dus nee, die gooi je niet in de shredder. Ook na 2027 kunnen ze er, denken ze bij Van Doorn, niet zomaar afstand van doen.

„Hier, nieuw in de doos.” Boven in de loods, toegedekt met roze bubbeltjesplastic, ligt een viertal palen te blinken. Naast een stapel praatpaalpaspoorten. Ook die van nummer 112 ligt erbij. De paal, blijkt, stond langs de A28 ter hoogte van Amersfoort Vathorst bij hectometerpaaltje 29.7. Ja, het is een lieverd. En hij zoekt nog een huis.

Source: NRC

Previous

Next