Hans Roduin in 1966.
Het is jaloersmakend wat er allemaal in naoorlogse tijd gebeurde in twee panden aan de Amsterdamse Spuistraat. Aan de ene zijde, op de hoek van de Raamsteeg, antiquariaat d’Eendt. Daar tegenover, in een voormalig pakhuis, zat galerie en kunstsociëteit Le Canard. Beide werden door een en dezelfde man gedreven, de bezielende, onstuimige en principieel anti-burgerlijke Hans (Ko) Roduin (1915-1989), eigenlijk Rooduijn geheten. Wie was deze man die Gerrit Kouwenaar, Lucebert, Constant, Karel Appel, Simon Vinkenoog, Theo Loevendie, Eugène Brands en vele tientallen kunstenaars inspireerde en een podium bood? Aan het bijzondere leven van Hans Rooduijn wijdt zoon Tom Rooduijn, journalist en radiomaker, een uitvoerige biografie, De voorloper. Het gedurfde leven van mijn vader. Tom (1952) is het jongste kind; Jeroen (1950-1985) is de oudste, dochter Paula (1951) de middelste. Het drietal groeide op aan de Nieuwezijds Voorburgwal op een bovenetage met zolder waar de wind vrij spel had.
In de jaren vijftig waren d’Eendt en Le Canard dé plekken voor de internationale avant-garde van jazzmusici, dichters en schilders. Niet in de laatste plaats bloeide de vrije liefde er. Plekken als een parel in de hoofdstad. Of, zoals de latere NRC redacteur Henk (H.J.A.) Hofland schreef „een arsenaal van de nieuwe literatuur en beeldende kunst” en „een stil brandpunt van onmetelijke eruditie”.
Geen roman dus, daarvan hebben we in de Nederlandse literatuur volop voorbeelden. Jan Wolkers, Jan Siebelink en Maarten ’t Hart, om slechts drie te noemen, rekenden af of beschreven met compassie hun vaders. Maar Rooduijns vader heeft niets met geloof te maken, integendeel, hij sloeg zijn vleugels uit in intellectueel-artistieke kringen. Dat maakt het boek uniek. Tom verdiepte zich met extreme nauwgezetheid in het leven van Hans, zoals hij hem aldoor met zijn voornaam noemt. Hij bestudeerde archieven, putte uit memoires die een van zijn vier vrouwen, Joep, bijhield, sprak met familie en een keur aan vrienden en bekenden. Had inzage in brieven die Hans schreef en ook van zoon Jeroen aan zijn vader. Dat zijn ruziebrieven, vol wederzijdse wrok en teleurstelling. Hoe anders van toon is Toms boek; eerder bedachtzaam en empatisch, en bewonderend.
Het beeld van Hans dat oprijst is dat van een man die weliswaar vier keer getrouwd was, drie kinderen had bij Riekje, zijn derde vrouw, maar die zich van het gezinsleven niets aantrok. Keer op keer belandde hij in financiële debacles, vooral tot verdriet van Riekje die in haar eentje het huishouden moest bestieren. In een cruciale passage zoekt de jonge Tom zijn vader in zijn werkkamer op en verneemt dat Hans bezit, zoals die zich uit in familiebanden en ouderschap, in tegenspraak vindt met persoonlijke vrijheid. Kinderen doen er niet toe, een huwelijkspartner evenmin. Sartre, wiens werk hij vertaalt, is zijn leermeester. „Genegenheid voor familieleden kan ontstaan,” zo betoogt Hans, „maar waarom zou je, uit zoveel mensen, aan willekeurig nagebroed de voorkeur geven.” Tom is twaalf als hij dit hoort, vooral het badinerende ‘nagebroed’ blijft in zijn hoofd hangen. We vinden het terug in de opdracht: „Voor zijn nagebroed.”
De voorloper begint en eindigt met ‘vermissing’. Het is 12 april 1989. Op dat moment is Tom Rooduijn werkzaam bij NRC Handelsblad. Een telefoontje uit het Noord-Italiaanse dorpje Fanghetto van Ingeborg, Hans’ laatste vrouw, laat hem weten dat hij al twee dagen wordt vermist: het dorp uitgegaan en niet teruggekeerd. Tom, zijn broer en zus reizen af en beginnen een wanhopige zoektocht, bijgestaan door de plaatselijke carabinieri, alpinisten en andere informanten. Volmaakt vaardig bouwt Rooduijn het verhaal op; de kinderen raken geïrriteerd, door elkaar, door de rokende en drinkende Ingeborg, van Duitse komaf, die te laat alarm heeft geslagen. Spannend laat Rooduijn het einde open, en begint hij het levensverhaal van Hans te vertellen.
Dat is een complex geheel, en ondanks de minutieuze reconstructie van de auteur blijft het ingewikkeld. Herlezen en terugbladeren is het devies. In zijn drang naar volledigheid somt Rooduijn de talloze personen op die in zijn vaders leven een rol vervulden, soms belangrijk, vaker slechts als terzijde. Die vloed van namen is verwarrend. Ook de vele liefdesverhoudingen, de ménages à trois en de overspelige relaties – zo wordt Hans’ tweede vrouw Joep verliefd op Hans beste vriend, de kunstenaar Henk Schellevis -– ontnemen het zicht op de levenslijn van de gebiografeerde. Dat Tom Rooduijn archieven weet te beheersen, bleek ook uit zijn vorige boek, Amstel 278. Al dit uitputtende werk is nu soms overbodig; het gaat in wezen ook over de relatie van Tom tot zijn familie. Dat persoonlijke verhaal is de essentie, juist voor de lezer. De mooiste en zonder meer schitterendste passages zijn die waarin de biograaf inzet op de inspirerende kracht van vader Hans voor de kunstenaarssociëteit en het theater, en waar dit elan botst met zijn gezinsleven.
Hans leidde een bijzonder bestaan. Hij studeerde theologie om dominee te worden, brak zijn studie af en verloor zich in een ander geloof, dat van de kunsten. Tijdens de oorlog redde hij in een netwerk van verzetsmensen Joodse kinderen. Hij was principieel dienstweigeraar en werd gevangen gezet in het Drentse Veenhuizen. Aan die periode wijdt Rooduijn zonder meer waardevolle beschrijvingen, waarin hij sterk het lot van gewetensbezwaarden uiteenzet. Na de roemruchte jaren van Le Canard werd zijn vader dramaturg bij Puck en naderhand Toneelgroep Centrum; hij vertaalde stukken en introduceerde onder meer Harold Pinter en Samuel Beckett in het Nederlandse theater. Later wekte hij het zo goed als verlaten Fanghetto tot leven en herschiep het tot een oord voor Nederlandse kunstenaars. Aan het slot wordt zijn desolate lichaam langs een rivier gevonden en moet Tom dat identificeren.
De voorloper is geen afrekening met de aldoor afwezige vader, wat overheerst is een gevoel van oprechte spijt bij de zoon die opgroeide zonder een betrokken vader. Tot aan de jaren vijftig is het boek reconstructie, daarna komen zijn eigen herinneringen aan bod. Rooduijn is niet in staat Hans te doorgronden, zoals hij aan het slot erkent. Van een „volwaardig ouderschap” is het nooit gekomen. Dat gemis heeft Rooduijn nu goedgemaakt in een uiterst gedetailleerd boek, waarvan de beste en zelfs ontroerende passages de beschrijvende stukken zijn, zonder zijwegen. Wanneer het écht gaat over vader en zoon.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC