Home

In haar debuutroman over een kersverse moeder in paniek speelt Lieselot Mariën een eigenzinnig spel met inhoud en vorm

De fragmentarische roman In haar uiterst ingenieuze debuutroman over een jonge moeder met een postpartum depressie speelt Lieselot Mariën knap met vorm en inhoud. Dat resulteert in een aangrijpende vertelling, die de lezer tastend aan het denken zet.

Inanna, de Mesopotamische godin van de liefde, oorlog en vruchtbaarheid.

Op een voor augustus ongewoon koude dag maken binnen dezelfde persoon de rol van moeder en de rol van vrouw zich los van elkaar. „Zij, de vrouw in mijn kleren. Ik, de restmens.” In Als de dieren, de debuutroman van Lieselot Mariën, is een moeder aan het woord die na de geboorte van haar dochtertje dusdanig vervreemd raakt van de nieuwe situatie, dat het niet lukt om samen te vallen met haar nieuwe rol. De ik-verteller kijkt er van een afstand naar en verdwijnt in een postpartum depressie: „Op een of andere manier had ik verwacht dat een bevalling een horizon was, waar je voorbij moest om het landschap erachter te kunnen zien. Ik had niet gedacht dat het een klif was waar je af kon donderen, de diepte in.”

Als de dieren toont hoe de verschuiving van vrouw naar moeder indringend doorwerkt in het zelfbeeld van de verteller en haar relatie met het kind en de vader, haar partner. De verteller richt zich tot haar kind en zoekt naar een manier om haar verhaal te vertellen, probeert iets wat heftig en schaamtevol is (het gevoel geen goede moeder te zijn) in klare taal te vangen: „De dagen waarover ik probeer te vertellen zijn grotesk. Tegennatuurlijk. Ze zijn lelijk en verwarrend, en ik schaam me.”

Ze kan er alleen over vertellen als ze in een bestaand verhaal stapt, in dit geval de Mesopotamische mythe ‘De afdaling van Inanna’, waarin de godin van liefde en oorlog een tocht door zeven hellepoorten aflegt om haar angsten onder ogen te zien, waarna ze getransformeerd terugkeert. Zo gaat de verteller de zeven poorten door, om steeds verder af te dalen. De mythische ruimtes zijn een fysieke afspiegeling van een zware innerlijke worsteling en vormen haar houvast.

Sinds ze moeder is geworden, is het nieuwe fundament van haar bestaan namelijk „ongedefinieerde paniek”. De verteller beschrijft enorme onzekerheid en angst, terwijl ze voor haar gevoel staat voor de grootste verantwoordelijkheid van haar leven. Niet alleen haar vertrouwde omgeving lijkt te zijn verdwenen, maar ook zijzelf: „Het was de leegte van een onbewoond leven.” Wat van haar wordt verlangd is te groot, allesomvattend. Ze moet vechten voor ruimte: ruimte voor wie ze was, voor gewenning en twijfels, voor liefde. De afhankelijkheid van het kind verstikt haar: „Zonder mij geen melk, zonder melk geen overleven, zo elementair is jouw aanspraak op mijn onophoudelijke nabijheid.”

Contrast

Een prachtig contrast met de claustrofobische vertelling vormt de vrije vorm van de roman: waar het in haar hoofd niet lukt om bevrijding te vinden, krijgt de tekst alle speelruimte, om elementen terug te halen, er nieuwe woorden aan te geven, te herschikken, in tekst te vangen, te begrijpen. Er is veel wit op de bladzijden. Niet alleen hapert de tekst door de fragmentarische weergave, ook concentreert het verhaal zich voornamelijk in één kolom, op de rechterzijde van de bladzijdes. Als de dieren heeft zo’n eigen vorm dat de roman twee vertelcomponenten heeft: de inhoud en de vorm.

Dat ze voor deze vorm koos, is niet zo gek. De fragmentarische roman is een vormzoeker, het is een experimentele vertelling waarin je iets radicaals kunt proeven.

Wellicht door die radicaliteit lijken er twee ‘kampen’ van lezers te zijn: aan de ene kant de liefhebbers, die in deze vorm een verhaal lezen dat de werkelijkheid dichter benadert. Zulke lezers zien in de witregels een uitnodiging voor eigen interpretatie. Anderzijds zijn er de mensen die zo’n vertelling gebrekkig vinden (het is toch aan de schrijver om zinnen of alinea’s binnen een context te plaatsen, niet aan de lezer!) en die witregels steevast als dramatische zwaarte ervaren.

Er valt meer over te zeggen. Interessanter is om te kijken hoe de fragmentarische vorm en inhoud elk hun eigen zeggingskracht hebben in Als de dieren.

Witregels

Voor de helderheid: een fragmentarische roman is een vertelling waarin een vloeiend aaneengeregen verhaal ontbreekt. De fragmenten – die soms uit alinea’s en soms uit enkele zinnen bestaan – worden van elkaar gescheiden door witregels. De roman vertelt zo een verhaal aan de hand van de tekst én het wit.

Eerst de tekst. Kort door de bocht kun je stellen dat elk verhaal uit een selectie scènes bestaat. De fragmentarische roman speelt hiermee: de vertelling toont de onderdelen, zonder expliciet een eenheid te willen scheppen. In de witregels kun je kleine haperingen voelen waarin je van de ene naar een andere scène beweegt. In de ruimte ertussen beweegt er van alles.

Schrijver, vertaler en criticus Jacq Firmin Vogelaar schreef in de essaybundel Terugschrijven (1987) dat het fragment onvermijdelijk de vraag oproept naar de verhouding van het onvoltooide tot een – impliciet – systeem: wat het fragment betekent met betrekking tot de compositie van een tekst. In elk geval nodigt het fragment uit tot een actieve leeshouding: de lezer verbindt wat de schrijver scheidt. Ook stelde Vogelaar: „Elk fragment is een centrum met een eigen omgeving: een kruispunt, een begin, een deel dat verbindingen aangaat met een onbestemd, eindeloos en onbeperkt nader te definiëren geheel; elk fragment een eindpunt, of zeg liever: rustpunt van een impliciete ontwikkeling.” De fragmenten staan op zichzelf en zijn daardoor vaak geconcentreerd – zoals siroop zich tot limonade verhoudt. Er is geen aanloop naar een volgende scène, geen ‘aan elkaar rijgen’, geen ruis. Alleen de kern blijft over.

Gefragmenteerd betekent allerminst gebroken: de losse elementen zijn wel degelijk ingebed in een samenhangend weefsel, een „systeem”, zoals Vogelaar het noemt: „Het fragment wordt aangezogen door het systeem, het denken in termen van een samenhangend geheel.” Het wordt de lezer toevertrouwd om zélf een samenhang te vormen en dat achterliggende weefsel in te vullen. Dat zorgt voor een meer particuliere leeservaring: een verhaal is op verschillende manieren te lezen, afhankelijk van de lezer zelf. Vogelaar besluit treffend: „Waar een spanningsverhouding ontstaat – al is het maar door wat niet getoond of gezegd wordt – gebeurt er iets. Ik heb niets tegen een verhaal; ik heb veel tegen één verhaal.”

Lege ruimtes

De betekenis van de witregels in de fragmentarische roman is nog beweeglijker dan de tekst. Het wit is de ruimte waarin – paradoxaal genoeg – alles staat wat wordt weggelaten. Het ontbreken van tekst schept óók inhoud: het zijn lege, maar toch aanwezige ruimtes, ook wel ‘narratieve open plekken’, die onderdeel uitmaken van het verhaal. „De onderbreking – de interruptie van een spreken – brengt niet alleen iets teweeg, het brengt ook iets voort: de breking is zelf tekst”, duidt Vogelaar.

In Leegte, leegte die ademt (2006), stelde Neerlandica Yra van Dijk dat het onbevredigend is om de witregel alleen te beschouwen als een uiterlijke ingreep die dramatische stiltes oproept. Zo kan het wit simpelweg de structuur verhelderen: het ene fragment van het andere scheiden, waarin een sprong wordt gemaakt in tijd of onderwerp. En het wit draagt ertoe bij dat elk afzonderlijk fragment zelfstandig gepresenteerd wordt, als ‘voorlopig voltooid’. Daarnaast dicteert het wit een ritme, een interval, beweging. Het wit dwingt een leespauze af, de tekst gaat er als het ware van ademen.

Concreet gezegd kun je in een witregel ervaren dat er tijd verstrijkt, dat de verteller in gedachten verzonken raakt (zich even afzijdig houdt als verteller), aan een heel ander onderwerp denkt (de associatiesprong in een witregel), dat er rust wordt ervaren (weinig gedachten) of juist onrust (veel gedachten, springerig en losstaand), dat er iets wordt ontweken (een witregel in plaats van iets pijnlijks benoemen) of dat de verteller spaarzaam te werk gaat (enkel laat oplichten wat essentieel is voor het verhaal), tja: eigenlijk heel veel wat ook in tekst kan worden gevat. Maar een witregel staat meerdere mogelijkheden toe: wordt hier nu geaarzeld of iets juist daadkrachtig voortgezet, zonder tussenkomst van iets anders? Het is een kwestie van aanvoelen. Hoe meer wit, hoe meer de tekst beroep doet op de verbeelding van de lezer.

Als de dieren is ultiem nauwgezet en zorgvuldig in een eigenzinnig spel tussen inhoud en vorm. Op enkele momenten staan er twee kolommen tekst naast elkaar, zoals tijdens een flashback naar de bevalling (veelbetekenend het overgangsmoment van de rol als vrouw naar de rol als moeder, nog net vóór de fysieke scheiding van kind en moeder) en het moment waarop de wanhoop tot een climax komt: in een veld net buiten de stad, waar de vrouw en de moeder elkaar ontmoeten en ze de waanzin kan achterlaten.

De witruimte die wordt ingezet om een kant van de bladzijde onbeschreven te laten, kun je lezen als de verscheurdheid van de verteller: de vrouw én de moeder bestaan (nog) niet samen. Deze onmogelijkheid, de zoektocht van de verteller naar het heel-zijn, wordt gepresenteerd door die ene kolom; de genoemde „leegte van een onbewoond leven.” Het is prachtig dat in die lege kolom de letters van de vorige pagina lichtjes doorschemeren, alsof in de lege tekst de schaduw van de andere vrouw zichtbaar blijft.

Maar er is meer dan alleen dramatische zwaarte. Het wit geeft de focus van de afdalende moeder weer, wier bewustzijn vernauwt. In de leegte verstrijkt er tijd, is er onrust én rust te ervaren. Er is eenzaamheid of angst in te lezen. In het wit houdt ze zich in, zoekt ze, ontwijkt ze, worden er etappes van haar reis als compleet beschouwd, neemt ze een aanloop, moet ze drempels over om haar angst stukje bij beetje van zich af te schudden. Wanneer ze de laatste hellepoort is gepasseerd en ze haar diepste angsten onder ogen heeft gezien, is er ruimte voor de weg omhoog. De vrouw en de moeder kunnen samen bestaan in één harmonieus bewustzijn.

De afdaling in Als de dieren gaat over het zoeken naar duiding, naar definitie, naar taal, en laat voelen wat de kracht van schrijven is. De verteller concludeert uiteindelijk: „Moederschap is tegelijk grenzeloos in zijn vraag en weerloos in zijn antwoord.” Een zo duistere, zware zoektocht kan op deze doordachte manier een krachtige stem krijgen: ongedefinieerde paniek wordt omgezet in wonderschone wanhoop en, tot slot, verlichting. Als de dieren toont zich allesbehalve weerloos.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next