Home

Literaire klassiekers tegen het licht: nieuwe stemmen voor oude verhalen

Herschreven klassiekers De literaire canon is niet altijd mild geweest voor gemarginaliseerde stemmen. Herschrijvingen houden klassiekers levend, en zijn soms zelfs in staat een klassieker te herstellen.

‘Hoe zit het dan met de witte man, meneer?” vraagt een bemanningslid aan de beroemde kapitein Ahab wanneer hij vertelt over de witte walvis, die hem obsedeert. Die potvis moet dood, „omdat dat een gevecht is met het kwaad. Het kwaad manifesteert zich op vele verschillende manieren. De witte walvis is er een van. Het is een schandvlek op de natuur”. Op de vraag hoe het dan zit met de witte man en diens rol in de natuur, antwoordt de kapitein dat de mens geen onderdeel is van de natuur omdat die geen vaste vormen of maten heeft, waar „een walvis dat wel is en die hoort niet wit te zijn”.

Nee, dit is geen passage uit Moby Dick, de beroemde roman van Herman Melville uit 1851, waarin een lang exposé voorkomt over het bestaan van de witte walvis, gerelateerd aan de schoonheid van witte dieren en het ontbreken van het pigment melanine bij albinodieren. In bovenstaande passage gaat het om de politieke connotatie die de Chinees-Engelse schrijver Xiaolu Guo toevoegde aan haar hervertelling.

Haar Moby Dick heet Call Me Ishmaelle. De fameuze beginzin („Call me Ishmael”) kon vrijwel hetzelfde blijven als bij Melville en ook de verhaallijn is zo goed als gelijk gebleven. Alleen is verteller Ishmael hier een vrouw, Ishmaelle, en is kapitein Ahab een zwarte man die de naam Seneca draagt.

Dat heeft natuurlijk consequenties voor het verhaal. Guo moet uitleggen hoe het Ishmaelle lukt om als ‘jongen’ aan boord te komen en hoe ze haar identiteit verborgen weet te houden. De reden voor de obsessie van de kapitein krijgt een extra laag doordat Guo de vernederingen die Seneca als zwarte man onderging in de VS koppelt aan zijn zoektocht.

Daarnaast is de beroemde klassieker bij Guo ontdaan van vele lange passages over scheepvaart, de Bijbel en de walvisjacht. Uitweidingen worden gekielhaald door een opmerking als: „Waag het niet om me de les te lezen met je wetenschappelijke praatjes”. Ondertussen blijft de rode draad – het (on-)vermogen van de mens en de strijd tegen het noodlot – overeind.

Herschrijvingen van klassiekers zijn van alle tijden, maar Guo’s bewerking is interessant, omdat Call Me Ishmaelle past in een bredere trend om klassiekers te herschrijven als onderdeel van een strijd om maatschappelijke erkenning en zichtbaarheid.

Door van Ismael een Ishmaelle te maken stelt Guo vanzelf vragen over de vanzelfsprekende positie van mannen. Ishmaelle kan niet hard lachen omdat de lach te hoog is, zit net verkeerd met de benen over elkaar – niet zoals een ‘echte’ vent dat hoort te doen – en is verwijfd. Dat laatste is reden voor een van de bemanningsleden om Ishmaelle te verkrachten, om er dan achter te komen dat ze een vrouw is. Na die ontdekking mag ze weliswaar blijven en haar echte naam gebruiken, maar uiteraard wordt ze aangewezen als heks wanneer alles misgaat.

Guo stelt zo niet alleen vraagtekens bij de vanzelfsprekende uitsluiting van vrouwen, maar plaatst bijvoorbeeld ook de huidige anti-transwetgeving in de VS in een scherp en geestig daglicht: „God schiep hemel en aarde, scheidde lucht van land en dag van nacht. Hij scheidde ook de man van de vrouw, en schiep er niet drie, zoals de Heilige Drie-eenheid. Hij maakte man en vrouw,” zegt iemand tegen Ishmaelle als niemand aan boord nog weet dat ze een vrouw is. Dat wordt nog tamelijk ingewikkeld, denkt Ishmaelle, die voor de zekerheid maar niet tegen de bewering in gaat.

Booker Prize

„De laatste tijd heeft een explosie plaatsgevonden aan literatuur die oude verhalen herinterpreteert”, observeerde de organisatie van de Booker Prize vorig jaar. De reden daarvoor zou zijn dat de literaire canon – met een understatement – niet altijd ‘mild’ is geweest voor „gemarginaliseerde stemmen.” Als reactie daarop hebben feministische schrijvers en auteurs van kleur „de verantwoordelijkheid overgenomen en zich afgevraagd wiens verhalen verteld mogen worden.”

Klassiekers die herverteld worden zijn er in veelvoud. In vroege romans ging het vaak om de literaire verwijzingen, later werden het ook wel vehikels om humoristische romans te maken vol anachronismen. Met het postmodernisme kreeg een klassieker om het verhaal een nieuwe en eigen draai te geven, maar dat was in de meeste gevallen niet om daarmee maatschappijkritiek te leveren.

Een klassieker herschrijven om een politiek inhoudelijk statement te maken is van andere orde. Wie dat al vroeg en goed deed, was Jean Rhys met Wide Sargasso Sea (1966). Haar roman draait om de eerste vrouw van de ondoorgrondelijke Edward Rochester in Charlotte Brontë’s Jane Eyre (1847). Rhys maakt ruimte voor de stem van de „de gekke vrouw op zolder” en haar jeugd in Jamaica. Ze eindigt als haar Engelse man haar meeneemt naar zijn geboorteland om haar daar op te sluiten, waarna ze afgezonderd weg teert in zijn landhuis. Rhys gaf niet alleen het personage de volle aandacht dat in Jane Eyre vooral wordt genegeerd, maar plaatste ook de getroebleerde, ruwe-bolster-blanke-pit van Rochester bij Brontë in een heel ander daglicht.

Postkoloniale blik

Je zou het kunnen zien als een vroege vorm van ‘de kolonie mept terug’, zoals Salman Ruhsdie dat in 1982 uiteenzette, oftewel een postkoloniale blik. Bij het herschrijven van die klassiekers ging het er volgens die methode niet zozeer om de herschrijving, als wel om het ‘herstellen’ van de klassieker. Een indrukwekkend voorbeeld van dat herstellen vanuit postkoloniaal perspectief is Foe (1986) van J.M. Coetzee: een weinig flatteus portret van Robinson Crusoe, die de oorspronkelijke roman van Daniel Defoe uit 1719 ‘herstelt’ van de hiaten die erin zitten. Bij Coetzee is Crusoe namelijk niet meer iemand die in een wildernis een beschaving wist op te bouwen, maar een autistisch mannetje dat slecht tegen veranderingen kan. Dat blijkt wanneer Susan Barton, een aangespoelde vrouw op datzelfde eiland, hem vragen begint te stellen. Het grootste deel van Foe staat in het teken van wat er met het verhaal gebeurt na de redding van het eiland.

Opeens draait Robinson Crusoe niet meer om overleven, ‘beschaving’ brengen en het redden van Vrijdag van de kannibalen op het eiland, Coetzee laat zien hoe Crusoe een kolonie heeft gebouwd met een eigen slaafgemaakte, alsof dat zijn natuurlijke recht was als witte man. Als Coetzee de roman nu zou hebben geschreven, had hij er wellicht niet meer voor gekozen om de slaafgemaakte Vrijdag geen stem te geven. Coetzee deed dat weliswaar om aan te tonen hoe iemand met je verhaal op de loop kan gaan als je het niet zelf vertelt, maar het tegenovergestelde idee dat je vanuit klassiekers juist wél een eigen verhaal kan vertellen, krijgt steeds meer voet aan de grond.

Cancelculture

Guo kiest voor een vrouwelijke stem. Dat is voor een roman die zich afspeelt op de walvisvaart interessant. De methode gaat ook net een stap verder dan de hele reeksen waarin op dit moment bijvoorbeeld Griekse mythen zijn herverteld vanuit vrouwelijk perspectief (denk aan Margaret Atwood, Pat Barker en Madeline Miller). Guo toont de wereld vanuit het perspectief van een vrouw, die maar over zich heen moet laten komen dat vrouwen als hoeren worden gezien, die elke man ontrouw zijn.

Maar van het ‘herstellen’ van Moby Dick is niet echt sprake, zoals Percival Everett dat wèl deed in James (2024). Hij herschreef Mark Twains beroemde roman Adventures of Huckleberry Finn (1884). In het origineel beleven de jonge held Huckleberry en de slaafgemaakte Jim samen avonturen. Bij Twain blijft Jim een vrij naïeve figuur, die in kromme zinnen praat. Bij Everett heet Jim nu James, een intelligente en welbespraakte man. Zo laat Everett de forse beperkingen zien van Twains blik.

Ook Everett blijft dicht bij het origineel, maar door de stem van James te ontwikkelen krijgt het verhaal een extra laag. Daarmee laat hij zien hoe literatuur een rol kan spelen in het maatschappelijke debat over hoe om te gaan met kwetsende woorden en de omgang met het slavernijverleden, zeker omdat Twains verhouding tot slavernij sowieso al voer was voor veel discussies. Everett biedt met zijn James een aanvulling op de klassieker. Hij laat zo de leemtes in Twains oorspronkelijke werk zien en schuift zich daarmee als het ware voor de oorspronkelijke versie.

Het probleem van leemtes in westerse klassiekers toonde Kamel Daoud eveneens indrukwekkend aan in zijn fantastische debuutroman Moussa, of de dood van een Arabier (2015). Daarin is de broer van de vermoorde man in De vreemdeling van Albert Camus aan het woord. Over Camus’ boek dat als het toonbeeld van existentialisme werd gezien, schrijft Daoud: „De Fransman doet of hij de dode is, hij weidt uit over de manier waarop hij zijn moeder verloor. […] Grote god, hoe kún je: iemand vermoorden en hem dan ook nog zijn dood afnemen?”

De broer vraagt zich af hoe het kan dat niemand heeft geprobeerd de naam van het slachtoffer te achterhalen, ook niet nadat Algerije in 1962 onafhankelijk was geworden. Kennelijk doen sommige levens er minder toe doen dan andere. Daoud toont feilloos de omissie aan bij Camus, die een niet-Fransman wegzet als ‘de Arabier’; een man zonder identiteit.

James en Moussa, of de dood van een Arabier zijn boeken die iets anders doen dan louter hervertellen: romans waarin met dezelfde ingrediënten een – deels – ander verhaal wordt verteld. De romans proberen een verdwenen verhaal te herstellen door met andere ingrediënten de beperkingen van het oorspronkelijke verhaal zichtbaar te maken.

Call Me Ishmaelle probeert deels hetzelfde te doen: de helft van de bemanning bestaat uit Afro-Amerikanen die zich afvragen wat ze moeten doen als ze terugkeren naar de VS. Ze zijn misschien nergens zo vrij als op het schip. Sommige mannen wensen dat de kapitein een witte man had vermoord in plaats van achter een witte walvis aan te gaan. Alleen geeft Guo, anders dan Everett en Daoud, niet echt gevolg aan die redeneringen. Ze blijft te dicht bij Melville’s Moby Dick. De vraag hoe het nou „eigenlijk met de witte man zit” had een scherper antwoord verdiend.

Lees ook: ‘Alles is geschikt voor satire’, vindt Percival Everett die een antwoord schreef op de slavernijroman Adventures of Huckleberry Finn

Xiaolu Guo: Call Me Ishmaelle. Chatto & Windus, 433 blz. € 23,99

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next