Frank Heinen is schrijver en columnist voor de Volkskrant.
Zojuist fietste een trosje studenten door de straat. Twee op hun eigen fiets voorop, in identieke shirts, als groepsleiders. Erachter: een zootje ongeregeld van ov-fietsen, uit de gracht getakelde barrels en degelijke middelbareschool-Gazelles. Twee à drie man per fiets, in een wolk van opgewonden gepraat, zogenaamd doelgericht, maar overduidelijk verdwaald.
Elk jaar, als de introductiedagen van start gaan en de universiteiten weer beginnen, komt het studentennieuws. De eerstejaars zijn elk jaar nieuw, het nieuws is dat meestal niet. Jaarlijks gaat het, zo tussen half augustus en begin september, over de benarde situatie van impopulaire studies, over de aantallen internationale studenten, over kamernood, over hospiteren en om het af te maken komt er dan nog een traditionele misstand bovendrijven uit de schaarsverlichte kelders van het corps. Het is, kortom, de perfecte tijd van het jaar om Jeroen Wollaars het woord ‘bangalijst’ te horen uitspreken.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Momenteel bevindt de studentennieuwscyclus zich bij het kopje ‘Huisvesting’, want steeds minder studenten kunnen een kamer vinden, of betalen. Ter illustratie publiceerde de Volkskrant woensdag een reportage van Zsa-Zsa Rikken, vanaf een speciale studentencamping in de hal van Utrecht Centraal, voor alle nieuwe studenten die niet 800 euro per maand kunnen ophoesten, geen pandjesbazen in hun netwerk hebben en geen lid (willen) zijn van een studentenvereniging die de mooiste panden bezit.
Studentenhuisvestingsorganisatie Duwo heeft voorgesteld om het hospiteren af te schaffen. Over dat idee is zorg, met name in studentenhuizen waar iedereen nogal op elkaar lijkt en waar het woord wordt gevoerd door de winnaars van een systeem dat collega Aleid Truijens dinsdag in de Volkskrant terecht omschreef als ‘pijnlijk, vernederend en onrechtvaardig’. Truijens vermeldde erbij dat zij zelf nooit heeft gehospiteerd. Ik wel. Niet de twintig, dertig keer waarvan in de verhalen over het fenomeen dan vaak sprake is, maar ruim voldoende om er voorgoed mijn bekomst van te hebben.
Over hospiteren deden rare verhalen de ronde. Dat je in een paar tellen uit tien compilatie-cd’s het album moest kiezen dat het meest correspondeerde met je karakter, dat je maar vijf minuten kreeg om jezelf als potentiële huisgenoot te bewijzen of dat je een fles sterkedrank moest meebrengen om de bewoners gunstig te stemmen, waarna je met dertig andere gegadigden tot diep in de nacht moest blijven rondhangen, als in een door John de Mol verzonnen afvalrace, om er op een zeker moment achter te komen dat er helemaal geen kamer beschikbaar was. Zelf was ik ooit op een vliering waar alle bewoners stoned op de bank lagen en aan de hospiterenden vroegen: ‘Je gebruikt toch geen drugs?’, om vervolgens vast te lopen in een nooit stoppend gegiechel. Die kamer kreeg ik bijna.
Eén keer stond ik aan de andere kant. Na afloop van de hospiteeravond koos ons studentenhuis een uitzonderlijk vriendelijke fotograaf. De andere kandidaten vielen af. Iedere huisgenoot belde één afvaller. De mijne was een jongen die al lang op zoek was, zich al talloze avonden vergeefs van zijn beste kant had laten zien en nu wel eens wilde weten wat er aan hem mankeerde. Ik herinner me niet meer of hij tips wilde voor de volgende keer, of dat hij mij wilde laten voelen hoe gekwetst hij was, door het systeem, door mij.
Dat is nu vijftien jaar geleden. Ik kom hem nog weleens tegen in de stad, en dan duurt het altijd even voor we ons herinneren waar we elkaar van kennen. Daarna zijn we even terug in dat gesprek, ieder met zijn eigen angsten, verenigd in de haat tegen het hospiteren.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant