Appels en kunst De appelboom probeert zich zo divers mogelijk voort te planten. Maar van de adembenemende diversiteit van de boom, ‘zo onschuldig als een duif en zo mooi als een roos’ is in Nederland weinig meer over.
Appels geschilderd door ‘Apfelpfarrer’ Korbinian Aigner, (1885-1966). Hij belandde in concentratiekamp Sachsenhausen, waar hij appelbomen plantte. In het geheim noemde hij deze bomen KZ-1, KZ-2, KZ-3 en KZ-4 (KZ als afkorting voor Konzentrationslager).
Onze 23 jaar oude appelboomgaard sterft. De appelbomen hebben drie opeenvolgende droge, hete zomers overleefd door diep met hun wortels de grond in te gaan, op zoek naar water. Na de aanhoudende regen van vorig jaar (2023/24) was het grondwaterpeil in de Achterhoek heel hoog. De bomen stonden, zo blijkt achteraf, maandenlang met hun wortels in het water en zijn gestikt. Vorige zomer deed een aantal bomen nog een poging tot bloeien zodat nu de schade pas in volle omvang zichtbaar is.
In deze onregelmatig verschijnende serie schrijft kunsthistoricus Janneke Wesseling over plant en dier in de kunst. Lees hier meer afleveringen.
Ze zijn niet allemaal dood: 12 van de 25 appelbomen hebben het overleefd. De dode exemplaren staan vooral in het midden van de boomgaard, waar het terrein wat dieper ligt. Temidden van de uitbundige zomerweelde van de tuin doet de aanblik van de dode en verzwakte bomen pijn.
Een bloeiende boomgaard is een overweldigende ervaring. Het beste wat je kunt doen, als je geen Van Gogh of Monet bent, is op je rug in het gras gaan liggen en je verliezen in bloesem en zoemende bijen. Kort na zijn aankomst in het Zuidfranse Arles schilderde Van Gogh de euforie van bloesem, kronkelige bomen, witte wolken en blauwe lucht, alles als door één adem bezield (Bloeiende Boomgaard, Arles, april 1889, Van Goghmuseum). René Daniëls (Eindhoven, 1950), die in zijn schilderijen lichtvoetigheid paart aan grote virtuositeit en die woord en beeld op humoristische wijze samenbrengt, vergeleek zijn eigen werk metaforisch met bloesem. In een serie schilderijen getiteld Lentebloesem (1987) bestaat de ‘bloesem’ uit titels van werken en poëtische woordgrapjes. De woorden omkleden luchtig de takken, als een nerveuze, beweeglijke schriftuur, ijl en fragiel als bloesem.
Rene Daniels, Lentebloesem, 1987
Alle bloesem is prachtig, maar appelbloesem, met lichtroze knoppen en naar wit verbloeiende bloemen, is uitzonderlijk mooi. De Amerikaanse filosoof en natuuronderzoeker Henry Thoreau vond „de bloemen van de appelboom misschien de mooiste van welke boom dan ook, zo overvloedig en zo heerlijk om te zien en te ruiken”. En, vervolgde hij in het essay ‘Wild apples’ (postuum gepubliceerd in 1863): „De appelboom is zo onschuldig als een duif, zo mooi als een roos, en zo waardevol als kudden vee.”
Want na de bloesem volgt met een beetje geluk een overvloedige oogst. Onze hoogstamboomgaard bestaat uit oude Achterhoekse rassen. Niet één boom is hetzelfde. Ze heten Zoete Winterkroon, Rode Astrakaner, Winter Bloem-Zeute, Reinette d’Armorique of Sijden Hemmetje. Hun appels rijpen gespreid van half juli tot eind november, sommige zijn houdbaar tot april. Dit jaar kunnen we van twee bomen appels oogsten, Breeëzeuten en Swaanappel.
De pomoloog Hennie Rossel kwam op bezoek om de situatie in ogenschouw te nemen, zorgvuldig bekeken we iedere boom. Rossel is ontdaan over de appelboomsterfte. Dit is nooit eerder voorgekomen en onze boomgaard is zeker niet de enige die getroffen is. Rossel heeft zich, sinds zijn pensionering als plantkundige, bekwaamd in het determineren van oude en onbekende fruitrassen, hij vond ze bijvoorbeeld bij oude boerderijen in de Achterhoek. Hij spant zich in voor het behoud van de genetische diversiteit van fruitrassen. Samen met boomkwekers kweekt hij nieuwe hoogstam-fruitbomen op die bij particulieren worden uitgeplant, het is een manier om in situ genetische bronnen te behouden. Er zijn meer dan 200 van deze Rossel Collectieboomgaarden in Oost-Nederland, met in totaal ruim 350 appel- en perenrassen.
Fruit uit de Achterhoek is minder bekend dan dat uit de Betuwe en de productie is minder overvloedig, maar Achterhoeks fruit is ‘zeute’ (zoet). Hoogstambomen worden in principe veel ouder dan laagstammen en zijn goed voor de biodiversiteit. Daarenboven zijn ze, vooral de oudere bomen, van een ongekende schoonheid. Charley Toorop (1891-1955) schilderde vanaf 1949 ieder voorjaar een bloeiende fruitboom en ieder najaar een boom met appels of peren. Gemakkelijk was dat niet, want na een attaque was ze gedeeltelijk verlamd geraakt. De Oude Bloeiende Appelboom (in het Kröller-Müllermuseum) toont een uitsnede van een donkere, knoestige stam en takken met bloemen en groen blad tegen een lichtblauwe lucht. De zon werpt een vlekkenpatroon in donkerblauw en gebroken wit op de grond, het schilderij is een bijna abstract patroon van kleur en licht.
Charley Toorop, Oude bloeiende appelboom, 1949
Korbinian Aigner (1885-1966), pastoor in een Beiers dorpje en bijgenaamd Der Apfelpfarrer, was zijn leven lang gefascineerd door appel- en perenbomen. Aigner verzette zich tegen het nationaal-socialisme en belandde in het concentratiekamp, eerst Dachau, daarna Sachsenhausen, waar hij gedwongen werkte in een tuin met geneeskrachtige kruiden. Hij slaagde erin ieder jaar een nieuwe appelboom op te kweken, die hij tussen de barakken plantte. In het geheim noemde hij deze bomen KZ-1, KZ-2, KZ-3 en KZ-4 (KZ als afkorting voor Konzentrationslager). KZ-3 wordt nog steeds gekweekt en heet nu de Korbiniansapfel. Behalve pastoor en tuinier was Aigner ook beeldend kunstenaar. Tussen 1910 en 1960 tekende hij zo’n 900 appels en peren, in kleur en op ansichtkaartformaat, enkel of in paren. De vorm en tekening van iedere appel zijn met grote aandacht weergegeven, en iedere tekening is precies genummerd. De tekeningen werden beroemd nadat ze in 2012 op de Documenta in Kassel te zien waren. De diversiteit binnen het eenvormige, bijna monotone formaat was adembenemend.
De appelboom legt zich erop toe zichzelf zo divers mogelijk voort te planten. Onze Malus Domesticus is afkomstig van de Malus Sieversii (uit het geslacht van de rosaceae, de rozenfamilie) in het Tian-Shanggebergte, het Hemelgebergte, in Centraal-Azië. Via de zijderoute is de appel vanuit de appelwouden in Kazachstan naar het Westen gekomen. In deze appelwouden groeien appels van knikkerformaat tot formaat basketbal. De beer heeft een cruciale rol gespeeld bij het kweken van zoete appels, eenvoudigweg door alleen de zoetste exemplaren te eten en die via zijn uitwerpselen over een steeds groter gebied te verspreiden.
Over de dubbelzinnige reputatie van de appel in de christelijke traditie kunnen we kort zijn. Weliswaar is de appel veelvuldig in de schilderkunst afgebeeld in scènes van de Zondeval, waarbij Eva in de Hof van Eden door de Slang wordt verleid om een vrucht van de verboden Boom van Kennis van Goed en Kwaad te eten en zij de appel vervolgens aan Adam geeft om te eten. Maar nergens in de Bijbel staat dat dit een appel was; het kan evengoed een granaatappel, mango of perzik zijn geweest.
In Nederland is, afgezien van appelbomen in particuliere tuinen, van de diversiteit van de appel weinig meer over. Malus Domesticus is geënt, feitelijk gekloond. In onze onstuitbare drang naar efficiëntie en maximale productie en naar een almaar perfectere appel omdat de consument dat zou willen, zijn in de supermarkt hooguit zo’n zes rassen verkrijgbaar, waaronder de eeuwige Elstar en Jonagold die er even uniform uitzien als ze smaken. Ter vergelijking: in de negentiende eeuw waren in Duitsland meer dan 20.000 rassen bekend.
De supermarktrassen worden tot 35 keer per seizoen bespoten tegen ongedierte en ziekten. Over de Boom van Kennis van Goed en Kwaad gesproken: hoe kan iemand die dit tot zich laat doordringen nog een bespoten appel eten? Voebe De Gruyter (Den Haag, 1960) maakte in 1999 een installatie getiteld Bespoten Appel bij een kunstvereniging in Innsbruck waar zij impliciet deze vraag stelde. Bezoekers konden bij de ingang een appel uit een krat nemen en al etend de tentoonstelling te bekijken.
Voebe de Gruyter in haar installatie Bespoten Appel in Innsbruck, 1999
Appelbomen gedijen in een gematigd klimaat en passen zich aan lokale neerslagpatronen aan. Om wortelrot te voorkomen is een balans tussen een droge en vochtige bodem essentieel. Tot voor kort waren deze omstandigheden in ons land vanzelfsprekend en namen we de appelboom min of meer voor lief, de appelboom hoort van oudsher bij onze cultuur. Maar niets is nog vanzelfsprekend wat betreft klimaat en neerslagpatronen. Voor onze boomgaard gaan we met de lokale kweker op zoek naar robuuste bomen om te planten. We zullen niet alle dode bomen opruimen, ze zijn goed voor insecten en vogels en voor het bodemleven. We gaan er ramblers, wild groeiende rozen, in laten groeien.
Source: NRC