Home

Opinie: Ben ik als architect echt schuldig aan lelijke gebouwen?

Architectuur is meer dan alleen het uiterlijk van een gebouw. Het is het resultaat van een jarenlang en complex proces met ontelbare stakeholders en afhankelijk van eindeloos veel factoren.

Een glimlach verschijnt op mijn gezicht, want ik zie weer een brief van Pieter Voogt gepubliceerd in de Volkskrant. Dat betekent weer even afleiding van de lelijke gebouwen die ik heb ontworpen. Gelukkig ben ik er niet veel tijd aan kwijt, want de claims van Voogt zijn niet heel sterk.

Wat was vorige keer de schuld van de architect? Het feit dat arme mensen in lelijke huizen wonen, die lelijk worden ontworpen door moderne architecten. En wat is het in de krant van vandaag ? Ah natuurlijk, de drukte op toeristische trekpleisters, die natuurlijk veel beter gespreid zou zijn als architecten eens niet zo lelijk zouden bouwen op andere plekken.

De woorden van Voogt volgen regelrecht uit de retoriek van Architectuur Omslag. AO is een snelgroeiende groep architectuurenthousiastelingen die haar ideeën baseert op geprezen architectuur- en stedenbouwtheoretici, zoals Jan Gehl en de gebroeders Krier. De vraag die AO stelt, waarom maken we tegenwoordig lelijke gebouwen, is interessant, en hun acties vormen vrijwel het enige architectuurdiscours dat in een brede, toegankelijke en zelfs internationale setting wordt gevoerd.

Toch komen zij, en alle afdelingen in andere landen, jammer genoeg telkens tot dezelfde conclusie: dat ‘de moderne architect’ een elitaire en almachtige onverlaat betreft die niet in contact staat met het volk, dat toch echt graag trapgeveltjes en decoratief stucwerk ziet.

Over dit auteur

Lennart Arpots is architect bij Studio AAAN. Hij schrijft dit stuk op persoonlijke titel.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Stilzwijgend genegeerd

Vanuit de professionele kant wordt dit geluid stilzwijgend genegeerd. Het aangaan van de discussie met AO vereist in de regel het ontkennen van verantwoordelijkheid en het wijzen naar andere belanghebbenden: conservatieve politici, krenterige opdrachtgevers, koppige aannemers. Vervolgens het verdedigen van de moderne architectuur door te verwijzen naar projecten die alom worden geprezen, versus bijvoorbeeld de eenheidsworst aan traditionalistische appartementencomplexen, notariswoningen en jarendertighuizen die eigenlijk het gros van de Nederlandse architectuurproductie vormen. En ten slotte de dooddoener: over smaak valt niet te twisten – alles wat architecten doen is twisten over smaak.

Maar het bevechten van AO zinloos, want het beginsel van hun agenda is waar, en dat doet deze groep zo snel groeien: heel veel van wat er wordt gebouwd, is niet fraai. Architectuur komt alleen niet in een vacuüm tot stand: het is steeds een resultaat van een jarenlang en complex proces met ontelbare stakeholders en afhankelijk van eindeloos veel factoren, waar verschillende typen en vormen gebouwen uitkomen. Het (esthetische) succes van een project is niet stijlgebonden, maar wel stuurbaar.

Wij architecten willen óók betere architectuur zien in ons land, of dat nu ‘modern’ of ‘traditioneel’ is, wat die termen vandaag de dag nog mogen betekenen. Moeilijker is het voor ons om aan stemmingmakerij te doen, want wij zijn financieel afhankelijk van onze opdrachtgevers en van onze eigen reputatie.

Boosdoener

Waar de groei van Architectuur Omslag juist voor ons allemaal een kans zou kunnen zijn om architectuur weer op de nationale politieke agenda te krijgen, wijst AO telkens onze beroepsgroep aan als de boosdoener. Wij doorzien bij uitstek het hele proces dat voorafgaat aan de realisatie van een gebouw, maar AO is naar eigen zeggen helemaal niet geïnteresseerd in een constructieve dialoog over architectuur met alle betrokkenen, van overheid tot bewoner.

Ze noemen zichzelf een ‘burgerbeweging’, en we weten allemaal dat ze dus liever ongehinderd door kennis hun tijd besteden aan roepen en wijzen. Ik zie ondertussen uit naar de volgende brief van Pieter Voogt.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next