Serie | Kleine Musea Musea Nederland telt veel kleine, minder bekende musea. NRC portretteert er deze zomer twaalf, uit elke provincie één. Deel 6: Museum Nienoord in Leek (Groningen).
Museum Nienoord in Leek (Groningen) bezit honderden rijtuigen van boeren, burgers en landadel (en een enkele koning).
Tussen de honderden rijtuigen staan er ook een paar van het koninklijk huis. Zoals de ‘ponysjees’ van Wilhelmina. Koningskinderen, kom je te weten, leerden al jong om te mennen. Eerst in een rijtuigje dat zo klein was dat een hond of een bok het kon trekken, daarna kwam er één met een pony ervoor – dat was dus deze – en ten slotte eentje met een echt paard.
Ook het oudst bekende oranjerijtuig staat er. De ‘galakoets’ van Willem I staat hoog op de wielen, zodat je de koning goed kon zien zitten. De bolling over de volle breedte van de achterkant was zijn wapendoos, voor een sabel, een degen of een geweer. Als de koning de leuning van zijn zitting voorover klapte, kon hij erbij. En alleen als de koetsier een pruik droeg, bevond zich in de koets niet een ondergeschikte, maar de koning zelf, een lid van zijn familie of anders in elk geval zijn kamerheer. Het is een gewoonte die je nog elk jaar in september terugziet.
Wat: Museum Nienoord
Waar: Nienoord 1, 9351 AC Leek
Geopend: Di t/m zo van 11 tot 17 uur. In de wintermaanden (november t/m maart) 12 tot 16 uur.
Verzameld wordt: rijtuigen
Pronkstuk: een sleepkoets uit ongeveer 1680
Oppervlakte: 1.500 vierkante meter museum
Aantal bezoekers per jaar: 20.000
Aantal medewerkers/vrijwilligers: 2,5 fte (verdeeld over 4 parttimers) en 70 vrijwilligers
Kaartje: 10 euro. Goedkoper voor kinderen en groepen. Gratis met de Museumkaart.
Maar Museum Nienoord in het Groningse Leek bezit vooral honderden rijtuigen van boeren, burgers en landadel. Want zo begon dit bijzondere museum in 1958.
Of eigenlijk: het begon met optochten van door paarden getrokken koetsen en sjezen die boeren kwijt wilden: ze hadden nu trekkers en auto’s, die oude rijtuigen namen maar ruimte in. De optochten werden georganiseerd door studenten, een van de initiatiefnemers was Vindicater Jaap Stienstra. Na elke optocht parkeerden de studenten de van de sloop geredde rijtuigen op het binnenplein van Borg Nienoord in Leek. De in 1525 door de Groningse familie Van Ewsum gestichte ‘borg’ – het Groningse woord voor ‘versterkt kasteel’ of ‘landgoed’ – was door de eigenaren verkocht aan de gemeente. Het had geen bestemming.
‘Museum Nienoord, borg en nationaal rijtuigmuseum’ heet het museum voluit, het telt zo’n 250 rijtuigen en 50 sledes. De rijtuigen (en ook veel tuigen en zadels) zijn verdeeld over twee gebouwen: een dit jaar geopend, geheel vernieuwd depotgebouw en het oorspronkelijke, in de jaren zestig opgetrokken expositiepaviljoen. In dat laatste gebouw is ook altijd een hedendaagse kunsttentoonstelling, nu is dat Beek in Beeld.
En behalve in die twee gebouwen, kun je als je een kaartje koopt ook terecht in de borg (met daarin een grand café en in de ridderzaal een trouwlocatie), je mag in het oude koetshuis (met een nog intact knechtenverblijf) en je kunt de schelpengrot bezoeken, een tuinhuis waarvan in de achttiende eeuw de muren zijn bedekt met van schelpen gemaakte voorstellingen. En dan is er nog de zeventiende-eeuwse toegangspoort met daarvoor twee schuinstaande, ingegraven kanonlopen. Parkeerpaaltjes avant la lettre zijn het, ze moesten voorkomen dat naar binnen rijdende koetsen tegen het kwetsbare zandsteen aanbotsten.
Een van de koninklijke rijtuigen in de collectie van Museum Nienoord. Foto Sake Elzinga
De sleepkoets, een koets op het onderstel van een slee, waarmee Amsterdammers over de kades konden glijden.
Dus nee, een klein museum kun je dit eigenlijk niet noemen. Al duurt de rondleiding óók vier uur doordat directeur Geert Pruiksma zoveel weet te vertellen. Bijvoorbeeld dat hij laatst iemand sprak die nog dienstmeid was geweest van een rijke boerin. „Zij vertelde dat ze als jong meisje met haar schortje de treeplank van het sjeesje moest bedekken, zodat de boerin geen vieze schoenen zou krijgen. Dan knielde zij voor dat plankje en stapte de boerin op haar schortje.”
Of, we staan bij de ‘galaberline’ met het wapen van Vindicat die nog elk jaar door Groningen rijdt bij het aantreden van een nieuwe Senaat: „Daar passen vier mensen in. Dat is te weinig, dus is er ook een volgkoets. Maar zie je dit scheurtje aan de voorkant? Toen zijn ze er toch een keer met meer in gaan zitten.”
Berline is trouwens het Franse woord voor Berlijn, vertelt hij: daar kwam in de zeventiende eeuw vast de eerste berline vandaan. En het woord sjees komt van chaise, Frans voor stoel. „Want dat is het hè, een open stoeltje voor één of twee personen. Sjezen pasten ook vaak op het onderstel van een slee, zodat je er in de winter het ijs mee op kon.”
De schelpengrot, een tuinhuis waarvan in de achttiende eeuw de muren zijn bedekt met van schelpen gemaakte voorstellingen.
Zaal in Museum Nienoord.
Een van de koetsen in de collectie van Museum Nienoord.
En een coupé, dat is letterlijk een halve koets: coupé betekent doorgesneden. Wie in een coupé zat, had een goed uitzicht – en werd ook zelf goed gezien. „Later werden ze vaak wit geschilderd. Dan was het een trouwkoets geworden.”
Je realiseert je hoe anders het leven was in die tijd van rijtuigen die nog geen auto’s waren, als je de foto’s en oude films ziet die het museum ook toont. Ook toen waren met al die rijtuigen – vaak met één paard, maar net zo goed met twee of vier – de wegen in grote steden druk.
Te druk, was halverwege de achttiende eeuw het oordeel. „In Amsterdam liepen de kades zó vol, dat het stadsbestuur een belasting op wielen invoerde. En wat deden de Amsterdammers? Die haalden de wielen eraf en zetten hun koets op het onderstel van een slede. Die sledes smeerden ze daarna in met reuzel, zodat ze over de kades konden glijden. Daar komt het woord smeerlap nog vandaan.”
De sleepkoets van het museum is, zegt hij, zijn favoriete object. „Het is zo’n raar verhaal. Maar als je het eenmaal weet, en je ziet oude schilderijen van de binnenstad, dan valt het je de hele tijd op: koetsen zonder wielen.”
Lees ook de andere afleveringen van deze serie:
Vorig jaar portretteerde NRC ook twaalf kleine musea, die artikelen zijn hier terug te lezen.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC