Laten we eerlijk zijn: door de meeste literaire klassiekers kun je je heen bluffen zonder ze ooit gelezen te hebben. Maar waarom lukt dat dan niet bij Middlemarch van George Eliot, zo’n boek dat je opvallend vaak wordt aangeraden?
is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.
Het is een algemeen erkende waarheid dat een alleenstaande man met een grote B&B behoefte heeft aan een vrouw.
Elke zomer leert B&B Vol Liefde ons drie onweerlegbare feiten over het leven, namelijk 1) dat iedereen op zoek is naar liefde, 2) dat half Nederland droomt van een leven ver buiten Nederland en 3) dat mensen op elk moment tot alles in staat zijn.
In dit geval ontvangt B&B-eigenaar Illya kunstenaar Rayisa. Vrijwel meteen bij binnenkomst toont ze hem een afbeelding die ze met AI heeft gemaakt: de vrouw op de afbeelding ziet eruit als een elf. Op haar gezicht zit een vlinder zo groot als een specht.
De kijkers thuis knipperen met hun ogen. Nog voordat Illya heeft kunnen knipperen, schiet Rayisa een tweede pijl op hem af:
‘Lees je weleens Franse literatuur? Nee? Heb je weleens Victor Hugo gelezen?’
Ze kennen elkaar dan, voor je gevoel, net drie minuten.
‘Nee’, zegt Illya en dat is natuurlijk het foute antwoord.
De Franse letterkundige en psychoanalist Pierre Bayard publiceerde ooit het essayboek Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen. Cultuur is oriëntatie, legt Bayard uit. Volgens hem bestaat er zoiets als onze collectieve bibliotheek; de officieuze verzameling van boeken die we in onze cultuur belangrijk vinden. Echte belezenheid toont zich niet door te weten wát er in een specifiek boek staat, maar uitmuntend wegwijs te zijn in wáár een boek staat in die collectieve bibliotheek.
Je hoeft James Joyce niet te lezen, je hoeft alleen te weten dat hij een Ierse modernist was. Modernisten, weet je, waren taal- en verhaalvernieuwers (anders waren ze niet modern) aan het begin van de 20ste eeuw, die begrepen dat moraal, cultuur en zelfs de realiteit subjectief werden beleefd. Dus Joyce hoort in onze collectieve bibliotheek op het plankje met bijvoorbeeld Italo Svevo, T.S. Eliot en Virginia Woolf.
Bovendien weet je dat James Joyce Iers was en dat hij dus schreef over de onderdrukte en daardoor eigenzinnige Ierse identiteit, want alle Ierse romans gaan over de onderdrukte en daardoor eigenzinnige Ierse identiteit.
James Joyce, zou Bayard zeggen, is niets om bang voor te zijn.
Dus. Victor Hugo: Franse schrijver. Dat weet je. Je weet vast dat hij 19de-eeuws was en dus, want zo waren alle Franse 19de-eeuwse schrijvers, een forse snor had en politiek geëngageerde literatuur schreef. Hugo staat dus op het collectieve bibliotheekplankje met Dumas, Zola en Balzac.
Mocht het je ontschieten dat Hugo Les Misérables schreef, dan herinner je je vast wel dat hij De klokkenluider van de Notre Dame schreef. Die Disneyfilm ken je. Quasimodo, bochel, mooi zigeunermeisje.
‘Ja’, had Illya dus moeten zeggen, ‘ik heb álles van Victor Hugo gelezen.’
En dan had hij moeten toevoegen: ‘Maar ik vind Zola beter.’ En daarna had hij haar naar huis moeten sturen.
Dit alles gezegd hebbende: het is me nooit gelukt om Middlemarch van George Eliot ongelezen nauwkeurig in onze collectieve bibliotheek te plaatsen.
Jawel, ik wist dat George Eliot niet haar echte naam was. Dat was Mary Ann Evans. Het boek is victoriaans, maar is nadrukkelijk geen Dickens. Het is een mentaliteitsgeschiedenis, maar niet zoals Anthony Trollope die schreef. Het speelt zich af in provinciaal Engeland, maar niet in de ruwe natuur zoals de romans van de Brontë-zussen.
Ik wist ook dat een van de hoofdrollen is weggelegd voor een jonge vrouw die in een moeilijk toegankelijke man haar ideale huwelijkspartner ziet. Maar ik wist ook dat het nadrukkelijk niet Jane Austen-achtig is, waarbij trots en vooroordeel worden overwonnen en het bruidspaar nog lang en gelukkig leeft in een weldadig groot landhuis.
Ik wist vooral wat het niet was, en dat terwijl ik een toenemende behoefte had me door dit boek heen te bluffen; geen boek is me de afgelopen jaren vaker aangeraden dan Middlemarch.
De tipgever raadde het telkens met een zekere verbazing aan, alsof zij ook verbaasd was dat zij – een enkele keer hij – zo in de ban was van dit boek, uit nota bene 1871.
Nu net heeft uitgeverij Athenaeum weer een zoveelste nieuwe editie gepubliceerd, in de soevereine vertaling van Annelies Roeleveld en Margret Stevens, met een nieuw voorwoord door dichter Ellen Deckwitz.
Het werd, kortom, tijd dat ik Middlemarch eens las.
Als je in Middlemarch een centrale figuur moet aanwijzen, dan wijs je naar juffrouw Brooke, al was het maar omdat het boek met haar begint.
Zij heet Dorothea, haar zusje heet Celia. Ze wonen op het landgoed bij hun oom, mijnheer Brooke, die – zoals Eliot dat ingetogen ironisch opschrijft – in ‘het puriteinse vuur dat in de familie zat duidelijk slapend gebleven’ was. Oftewel: hij geniet van het leven, op een wat simpele manier.
Dat puriteinse vuur brandt duidelijk wel in Dorothea. Ze wil bovenal serieus genomen worden, zoals ze zichzelf serieus neemt. Ze houdt van paardrijden, maar ‘ze had het gevoel dat ze er op een heidense, zinnelijke manier van genoot en keek voortdurend met vreugde uit naar het moment dat ze er vrijwillig afstand van zou doen’.
Dit is een perfecte typering: Dorothea is iemand die zich erop verheugt iets leuks op te geven. In een andere tijd was ze bij een klooster gegaan, of bij een cultus, of – vandaag – bij een start-up. Ze is een martelaar. Ze wil zichzelf opofferen aan iets groots.
Dus wanneer sir James Chettam zich aandient als potentiële echtgenoot wil ze daar niks van weten. Sir James is opgewekt, in blakende gezondheid, vermogend. Niks voor haar.
In plaats daarvan laat ze haar oog vallen op de oudere schriftgeleerde Casaubon. Bij een diner bij haar oom mijmert Casaubon over zijn grote werk, een vergelijkende studie van dode en levende religies met de su-per-bescheiden titel Sleutel tot alle mythologieën. Hij zegt: ‘Ik laaf me te veel aan de innerlijke bronnen, ik leef te veel met de doden.’
Dorothea denkt over zijn werk: ‘Een vergane wereld reconstrueren en ongetwijfeld met het doel om de hoogste waarheid te dienen... Wat een arbeid om op een of andere manier bij tegenwoordig te zijn, bij te helpen, al was het maar door bij te lichten!’
Haar zus Celia zegt: wat is Casaubon ontzettend lelijk.
Dorothea zegt: hij is een van de meest gedistingeerde mannen die ik ooit heb gezien.
Celia zegt: hij heeft witte wratten met haren op zijn gezicht.
Dorothea denkt: deze man moet ik hebben.
Jane Austen begon haar Pride and Prejudice met de beroemde oneliner: ‘Het is een algemeen erkende waarheid dat een alleenstaande man met een groot fortuin behoefte heeft aan een vrouw.’
Austen populariseerde daarmee in feite een heel literair genre, namelijk het marriage plot. Het huwelijksplot is nog steeds de blauwdruk van zo’n beetje alle romcoms: een vrijgezelle man en een vrijgezelle vrouw ontmoeten elkaar, ze worden er door sociale of psychologische hindernissen van weerhouden om samen te zijn, ze overwinnen die hindernissen en leven nog lang en gelukkig.
Dorothea Brooke overwint de (bescheiden) hindernissen die tussen haar en Casaubon in staan, maar dan zijn we nog verre van lang en gelukkig.
Al tijdens haar huwelijksreis naar Rome zit ze op haar hotelkamer te huilen. Het kersverse echtpaar gaat langs de mooiste musea en indrukwekkendste ruïnes, maar over alles waarnaar Dorothea met bewondering kijkt, doet Casaubon minzaam.
De tegenstelling dringt zich op. Zij is jong, hij is oud. Zij is knap, hij heeft wratten. Zij hoopt op geleerde anekdotes over Romeinse kunst, hij verliest zich in onnavolgbare gedachtekronkels. Zij is nieuwsgierig, hij niet (want hij denkt dat hij alles al weet): ‘Wat voor haar nieuw was, was voor hem tot de draad versleten.’
Casaubon. Een nachtmerrie van een vent. Of zoals zijn neef Will hem typeert: ‘een geleerde vleermuis’.
Maar het is te makkelijk om Casaubon als de iconische slechte echtgenoot weg te zetten. Hij is inderdaad een man gemaakt van rode vlaggen. Maar die rode vlaggen heeft hij nooit gemaskeerd. Casaubon is wie hij is. Het is Dorothea die al haar ambities op hem projecteerde en in haar hoofd iets van hem maakte wat hij nooit was. De mislukking van hun huwelijk lag besloten in haar blinde romantiek.
Om achter de wijsheid van George Eliot te komen, moet je waarschijnlijk kijken naar de vrouw die achter het pseudoniem schuilging.
Mary Ann Evans was niet iemand voor wie het huwelijksplot lag weggelegd. Haar uiterlijk, en dit wist ze al vroeg, zat niet mee. Maar ze leidde een vol leven. Rond haar 30ste trok ze in bij John Chapman, de uitgever van het gewichtige tijdschrift The Westminster Review. Chapman woonde aan The Strand, hartje Londen, met zijn vrouw, hun kinderen en hun au pair, die – heel efficiënt – ook zijn minnares was.
Vrouw en minnares keken fronsend naar Evans. Nee, ze zagen haar niet echt als concurrentie. Maar toch. Chapman vertrouwde haar blind. Ze leidde The Westminster Review nagenoeg eigenhandig, ze vertaalde theologische geschriften. Bij de vele diners in huize Chapman voerde ze diepe gesprekken met intellectuele figuren. In een tijd waarin seksisme welig tierde onder filosofen en academici, nam vrijwel iedereen Evans serieus.
Wat niet wegnam dat Evans verlangde naar liefde. Ze was alleen. Even leek ze een amant te vinden in de filosoof en bioloog Herbert Spencer (de bedenker van de term ‘the survival of the fittest’). Hij nam haar veelvuldig mee naar de opera en het theater, maar toen hij hoorde dat mensen roddelden dat ze verloofd waren, zette hij er een streep onder.
Spencer schreef haar een brief waarin hij uitlegde dat ze vast een goede echtgenote zou zijn, maar dat hij niet verliefd op haar was en dat ook nooit zou worden.
Evans schreef met een grote dosis zelfspot terug. Dat hij haar toch beter zou moeten kennen dan dat ze dacht dat iemand zomaar even verliefd op haar zou worden.
Maar, lekker pijnlijk: ze was wel degelijk verliefd op hem. En in een volgende brief liet ze dat weten. Nee, ze snapte dat hij niet met haar zou trouwen. Maar misschien wilde hij beloven dat hij niet met iemand anders zou trouwen en haar zou achterlaten? Mocht ze alsjeblieft een plekje in zijn leven blijven innemen?
‘Je zult ontdekken dat ik tevreden zal zijn met heel weinig, zolang ik niet hoef te vrezen dat ik dat weinige zal kwijtraken.’
Ze raakte het kwijt. Ze was 33 en zag niks aan de horizon. Ze schreef een vriendin: ‘Ken je dat verdrietige gevoel wanneer een grote optocht net voorbij is getrokken, en de laatste noten van de muziek zijn weggestorven, en je bent alleen achtergebleven op het veld, onder de hemel. Zo voelt het leven soms.’
En toen, op een dag in 1852, klopte het marriage plot toch op de deur.
George Henry Lewes gaf ook een tijdschrift uit, was ook een allround intellectueel. En hij was, op zijn manier, ook eenzaam.
Lewes was al tien jaar getrouwd toen hij Evans ontmoette, had drie kinderen met zijn vrouw – maar de volgende drie kinderen die zijn vrouw op de wereld zette, waren van een andere man. Lewes wond zich niet op over haar ontrouw. Hij gaf de kinderen keurig zijn achternaam, accepteerde haar minnaar.
We zijn geneigd om over de victoriaanse tijd te denken als preuts, onderdrukkend en aseksueel, schrijft letterkundige Phyllis Rose in de inleiding van haar studie naar 19de-eeuwse huwelijken, Parallel Lives. Het boek is uit 1983, maar is nog steeds in druk en telt inmiddels als een cultboek.
Schijn bedriegt, zegt Rose. Men zag het huwelijk als een sociale constructie, niet als de grootst mogelijke gelukgever in het leven. Omdat scheiden nagenoeg onmogelijk was, leerden veel victorianen (al zijn Roses voorbeelden louter hogeropgeleide, gegoede, bohemien victorianen) om hun ruimte te nemen buiten het huwelijk. Open huwelijken, zoals Lewes had, bestonden dus lang voordat we die naam ervoor bedachten.
De enige regel in de samenleving was alleen: je moest wel getrouwd zijn.
Dus toen Lewes en Evans als man en vrouw gingen samenwonen, kon de society dat niet toestaan. Lewes was nog steeds getrouwd met zijn vrouw, die op haar beurt met haar minnaar samenwoonde. Schandaal. Uitnodigingen voor diners hielden op.
Lewes en Evans waren op elkaar aangewezen, maar dat was ook precies wat ze wilden. Omdat hun samenzijn niet vanzelfsprekend was, cultiveerden ze hun samenzijn. Ze vierden het.
En hij moedigde haar aan te gaan schrijven. Hij zei haar dat niemand zo intelligent over gevoel kon schrijven als zij. Hij legde contacten met haar uitgevers. Wanneer zij inspiratie had, ging hij de deur uit zodat hij haar niet afleidde. Wanneer hij weer thuiskwam, las hij direct wat ze had geschreven en prees haar de hemel in (dat moest ook; ze kon notoir slecht tegen kritiek).
‘Ze waren het perfecte echtpaar’, schrijft Rose, ‘ze waren alleen geen echtpaar.’
Het is evident wat haar relatie met Lewes Evans leerde, en hoe die lessen de schrijver George Eliot vormden: wetten staan niet garant voor een leven dat een goede moraal nastreeft. Liefde laat zich niet vangen in contracten. Het huwelijk is geen eindstation.
Wie over Middlemarch wil praten zonder het gelezen te hebben, komt er een heel eind mee door het zo samen te vatten: het huwelijk maakt niet per se gelukkig. Het gezag houdt vrouwen klein. Kansen zijn niet gelijkwaardig over de seksen verdeeld.
Maar met alleen deze feministische lezing doe je het boek tekort. De wijsheid van Eliot is niet dat het huwelijk geen eindstation is, maar dat niets een eindstation is. Dat is het uitzonderlijke aan Middlemarch. Alles is in beweging.
De roman speelt rond 1830 – dus veertig jaar voordat Eliot hem schreef. In het boek is er sprake van de komst van een spoorlijn; de dorpsbewoners maken zich op voor een verregaande uitbreiding van het kiesstelsel (de Reform Act); het ooit vanzelfsprekende appel dat geloof deed op de burgermoraal neemt af en moet door iets anders worden vervangen.
Geen van de vele personages staat stil. Dokter Lydgate, nieuw in het dorp, heeft een licht messiascomplex en wil de geneeskunde naar een hoger plan brengen. De mooie Rosamond Vincy ziet in Lydgate de perfecte huwelijkskandidaat om sociaal te stijgen. De bankier Bulstrode gebruikt zijn vermogen om zijn gedateerde strikte religieuze opvattingen aan de gemeenschap op te dringen. De geprivilegieerde landeigenaar Arthur Brooke, Dorothea’s oom, waant zich een Reformer en probeert tot het parlement verkozen te worden.
Allemaal falen ze. Maar het gaat in de vertelling niet om dat falen. Het gaat Eliot er eerder om dat haar personages allemaal afwegen hoe ze vooruit kunnen in het leven, hoe ze zich moeten opstellen tegenover hun familie, hun buren, hun gemeenschap. Ze denken na, ze bevragen hun eigen moraal.
Veel personages zijn ijdel, of pedant, maar vrijwel geen is louter kwaadaardig of zelfzuchtig. Het mooiste voorbeeld is Fred Vincy, Rosamonds broer. Hij is een ongeleid projectiel, naïef, onverantwoordelijk, egocentrisch. In de (onjuiste) veronderstelling dat hem een fraaie erfenis van zijn oom wacht, smijt hij met geld.
Hij is ook, zoals Eliot hem beschrijft, immens innemend. Een golden retriever met een gokprobleem. Als het favoriete kind gaat hij ervan uit dat als hij gelukkig is, de rest ook wel gelukkig zal zijn: ‘Fred had het idee dat hij tot diep in de ziel van zijn oom kon zien, hoewel in feite de helft van wat hij zag niet meer was dan de weerspiegeling van zijn eigen verlangens.’
Pierre Bayard zegt dat er geen groter compliment mogelijk is dan de boeken van een schrijver kennen zonder ze gelezen te hebben.
Hij bedoelt dat je maar een pagina hoeft te lezen om de Heel Groten te herkennen – de Joyces, de Hemingways, de Prousts. Eén bladzijde en je weet waar je bent in de collectieve bibliotheek.
Misschien. Maar dan alleen als het om stijl gaat. George Eliot zou je niet aan een bladzijde herkennen. Bij haar gaat het juist om de optelsom. In Middlemarch stapelen de personages, hun onhebbelijkheden, hun loyaliteiten, hun manieren van denken en voelen zich op. De personages bekijken elkaar, wegen elkaar. Hoewel ze de alwetende verteller is, staat Eliot niet superieur boven haar personages. Ze staat – met jou, als lezer – midden tussen ze in.
Waarschijnlijk is dat waarom Middlemarch me zo vaak is getipt, waarom zo veel mensen zich hebben laten verrassen door het boek. Omdat het een redelijk zeldzame ervaring is om niet over één lijdensweg te lezen, over één heldenleven, maar omdat je als lezer het gevoel krijgt op te gaan in een gemeenschap. Hoe vaak maak je dat tegenwoordig nog mee? Het is het ultieme nabuurschap.
Er is trouwens wel één heldendaad, maar die is van het soort waar nu nooit eens schilderijen of standbeelden van gemaakt worden:
Fred houdt van Mary. Dat is het enige dat hij zeker weet. Mary, een verpleegster, houdt ook van Fred, maar vindt hem een te grote losbol om met hem te trouwen. Freds boezemvriend Farebrother houdt ook van Mary. Hij is dominee, is betrouwbaar, zachtaardig. Als hij Mary’s hand zou vragen, zou ze niet weigeren.
Hoewel Fred Mary heeft beloofd het niet te doen, gaat hij naar een dranklokaal. Farebrother ziet dit. Hij hoeft het maar te zeggen en hij kan Fred voorgoed buitenspel zetten.
In plaats daarvan houdt hij Fred staande, ergens in het stille dorp. De hemel staat vol met sterren. Het is zo’n mannengesprek waarin veel niet wordt gezegd. Fred voelt de bui hangen.
‘Je weet beslist dat de verwezenlijking van jouw verlangens de mijne in de weg staat’, zegt Farebrother uiteindelijk.
‘Niemand kan van me vragen dat ik haar opgeef’, piept Fred.
Maar Farebrother heeft nagedacht over geluk, en beseft dat Mary gelukkiger zou zijn met een deugende Fred dan met een deugende Farebrother. Misschien dat een waarschuwend woord van hem Fred op het deugende pad zet. ‘Nou’, zegt Farebrother, ‘dan heb ik dat woord gesproken.’
Eliot schrijft: ‘Ze stonden op een grasveldje, waar de weg afboog naar de Sint-Botolph en hij stak zijn hand uit als om aan te geven dat het gesprek was afgelopen. Fred voelde een nieuw soort emotie. Iemand die zeer gevoelig was voor het aanschouwen van een nobele daad heeft eens gezegd dat zo’n daad een soort herboren siddering in het lichaam veroorzaakt en ons bereid maakt een nieuw leven te beginnen. Dat effect was op dit moment in grote mate in Fred Vincy aanwezig.’
Tolstoj had Napoleons invasie van Rusland nodig om zijn Oorlog en vrede episch te maken. George Eliot gebruikt een veldje in een provinciaal dorpje in Engeland. Twee mannen geven elkaar een hand, en ik zit thuis met een brok in mijn keel.
‘Zo gingen ze uit elkaar. Maar ze bleven allebei nog een lange tijd rondlopen voor ze onder de sterren vandaan naar binnen gingen.’
George Eliot: Middlemarch. Uit het Engels vertaald door Annelies Roeleveld en Margret Stevens. Met een voorwoord van Ellen Deckwitz. Athenaeum; 900 pagina’s; € 34,99.
Middlemarch van George Eliot is het leesclubboek van de maand september. Meedoen? U vindt de Volkskrant Leesclub op Facebook.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant