In Marseille denkt de Palestijnse journalist Rita Baroud terug aan de humor die ook in Gaza bestond, zij het inktzwart.
Rita Baroud in de haven van Marseille.
Al honderd dagen ben ik weg uit Gaza. Ruim drie maanden – of, zoals men zegt, een seizoen lang – maar ik heb niet het gevoel dat de tijd door mij heen is gestroomd zoals hij dat bij anderen heeft gedaan. Het is alsof ik ben blijven steken in één enkel moment: het moment van vertrek. Geen echt afscheid, maar een brute ontworteling van mijn lichaam.
Het leven in Marseille voelt licht, als een bries die elke ochtend mijn gezicht streelt. In deze nieuwe plek beweegt alles. Het leven gaat snel. De metro wacht niet, cafés zitten vol, grappen vliegen uit monden die niet getroffen lijken door verdriet.
Soms zit ik met vriendelijke mensen – jong en oud, mannen en vrouwen. Ze spreken zacht, ze lachen, ze praten over hun plannen voor het weekend, hun komende vakanties, hun wens een nieuw restaurant uit te proberen of een stad te bezoeken die ze nog niet hebben gezien. Ze praten over hun zomer, hun nieuwe baan, de beste croissant die ze onlangs hebben geproefd. Ze lachen omdat het mooi weer is.
En ik? Ik lach met hen mee – of probeer dat. Een schuchtere lach ontsnapt geschrokken uit mijn mond, alsof hij niet weet hoe hij geboren moet worden zonder zich een weg naar buiten te snijden.
Ik word niet boos op mijn tafelgenoten, en ik neem hen hun levendigheid niet kwalijk. Maar ik kan me niet volledig bij hen aansluiten. Ik merk dat ik me terugtrek in stilte, gesprekken ontwijk, de tafel verlaat voordat mijn verdriet tot uitbarsting komt.
Ik zeg tegen mezelf: „Blijf sterk, wees niet verdrietig tussen de gelukkigen, verpest dit moment vol gelach niet.” Maar ik glij weg. Ik keer naar binnen, naar die plek die niemand anders kan bereiken – waar gezichten blijven opdoemen, waar beelden zich opstapelen en het geluid van explosies zich vermengt met het gehuil van een kind en het geschreeuw van een vrouw die alles is verloren.
Kinderen in Jabalia, in het noorden van Gaza.
In Gaza was lachen geen reactie op iets grappigs, maar een korte pauze tussen het huilen door. Als we er ’s nachts niet in slaagden een mug te vangen, lachten we. Als er een nieuwe evacuatiezone werd aangekondigd, lachten we. Als er geen brood was. Als we kruiden moesten eten. Als we brood bakten van dierenvoer – dan lachten we. Lachen doordrenkt met pijn, zwarte humor die je in leven houdt in een ondraaglijke werkelijkheid. Een grap luidde: „Wie niet sterft door bombardementen, sterft van het lachen.” Wat een vreemd bondgenootschap tussen onderdrukking en lachen.
Ik herinner me hoe we lachten, mijn vrienden en ik, als we hoorden dat luchtaanvallen een ‘leeg gebied’ hadden geraakt. En we tegen elkaar zeiden: „Wat is dat voor leeg gebied waar al zeventig jaar mensen wonen?” We lachten omdat we niets anders hadden. Als we niet lachten, zouden we vanbinnen ontploffen.
Dat lachen vergelijk ik met het lachen dat ik hier hoor, in Frankrijk of Nederland. Schoon lachen, licht, geboren uit luxe. Ik voel me een verrader als ik zo lach – en een verrader als ik het niet doe. Wat een last is dit.
Al honderd dagen probeer ik me aan te passen. Probeer ik ‘normaal’ te zijn, te genieten van mijn ontbijt, een mooie jas te dragen, muziek te luisteren onderweg, mee te doen aan praatjes. Maar vanbinnen fluistert iets: „Dit behoort jou niet toe. Dit leven heeft je tijdelijk geleend.”
Als ik mijn telefoon pak en een vriendin in Gaza een bericht stuur, zegt ze: „Het huis naast ons is geëxplodeerd, maar we zijn oké. We waren puin aan het ruimen en vonden een kat levend onder het puin! Kun je het geloven? We lachten een uur lang.” Ik lach – en voel dat het lachen mij verstikt. Wat voor leven is het, waarin we lachen om een kat die uit de dood komt kruipen?
De laatste tijd ben ik elke lach uit Gaza gaan verzamelen. Alsof ik ze in mij archiveer. Elke donkere grap, elke sarcastische opmerking over vernietiging en dood. En ik vraag me af: hoe hebben we al die jaren overleefd? Hoe kan het dat we niet gek zijn geworden? Of misschien… zijn we dat wel.
Palestijnen pikken hulpgoederen op die in de Middellandse Zee zijn beland nadat die boven centraal Gaza waren gedropt, aan de kust bij Al Zawaida op 29 juli.
Palestijnen dragen zakken meel, die zijn afgeleverd door een humanitair hulpkonvooi dat Gaza-Stad heeft bereikt vanuit het noorden van de Gazastrook op 27 juli.
Nu zit ik in aangename restaurants in Marseille of Parijs, en zie mensen die lachen om te dure desserts. Soms voel ik jaloezie – niet om hun veiligheid of rijkdom, maar om het voorrecht zonder schuldgevoel te leven.
Hier in Europa organiseren musea tentoonstellingen getiteld: ‘Kunst in tijden van oorlog’. In Gaza leefden wij kunst. Elke overlevingsdaad was een schilderij. Van een gebombardeerde school een schuilplaats maken was kunst. Twintig mensen voeden met een enkele zak rijst was kunst. Kinderen laten lachen zonder speelgoed, zonder veiligheid, zonder toekomst… was kunst.
Elke nacht voor ik ga slapen, stuur ik een bericht naar iemand in Gaza: een vriend, een familielid, een journalist die nog steeds de dood vastlegt met een kapotte telefoon. Elke nacht staar ik naar de zwarte vinkjes, en wacht tot ze blauw worden. Elke nacht draag ik hun stemmen mee in mijn dromen.
Onlangs liep ik langs een etalage. Er hing een shirt met de tekst: „De wereld is van jou.” Ik bleef staan. Ik keek ernaar. En ik dacht: nee, de wereld is niet van mij.
Kinderen en jongeren kijken naar een militair transportvliegtuig dat overvliegt tijdens een voedseldropping op 27 juli.
Source: NRC