Het aantal insecten gaat hard achteruit en dat komt deels door de monotone landbouw. Wageningse onderzoekers proberen gewassen te maken die bestuivers meer verleiden en daarmee uiteindelijk ook beter zijn voor boeren. ‘Een win-winsituatie.’
is wetenschapsredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over natuur en biodiversiteit.
Als je het niet weet, zou je achteloos voorbijrijden aan het grote tarweveld aan de rand van een bedrijventerrein bij Wageningen. Van een afstandje valt ook niet te zien dat ergens daar middenin een apart stukje ligt van ongeveer 10 bij 5 meter. Daar, op dat omheinde stukje, staan negentig planten van de veldboon te bloeien, van dertig rassen die variëren in type en verschijningsvorm. Ze worden op deze zomerse dag nauwlettend in de gaten gehouden door medewerkers van de Wageningen Universiteit.
Hardcorewetenschap: tijdens de bloeiperiode komt een promovendus een paar maal per dag hierheen gefietst om steeds twintig minuten lang te observeren welke insecten precies op welke typen bloemen afkomen. De bevindingen worden bijgehouden in een schriftje, enkele bloemen worden geplukt en in een koelboxje meegenomen naar het lab – daarover later meer.
Andries Temme, ‘researcher Biobased Economy’ staat er op zijn visitekaartje, ziet het tafereel, staande tussen de planten, tevreden aan. Het veldje is een van de drie domeinen waar de Wageningse onderzoeker samen met zijn collega en universitair docent Thijs Fijen, een nieuwe aanpak van gewasbestuiving bekijkt. Hier onderzoeken de twee of en hoe gewassen aantrekkelijker zijn te maken voor bestuivers, insecten als bijen en vlinders die zo cruciaal zijn voor de vrucht- en zaadvorming van de planten.
Komen ze af op bloemen met een zwarte stip of juist op bloemen zonder stip? Gaat het ze om de vorm, de geur, de hoeveelheid nectar, het eiwitgehalte van het stuifmeel, of om nog heel andere eigenschappen van de bloem? En kunnen we die eigenschappen door veredeling dan zo sturen dat de insecten als het ware verleid worden door de gewassen? Het zijn vragen die de grondleggers van het Agri4pol-project, zoals deze internationale samenwerking tussen Europese wetenschappers is gedoopt, bezighouden.
Met dat onderzoeksproject hopen zij een omslag te kunnen bewerkstelligen in de landbouw van heel Europa. De gangbare, vaak monotone teelt van landbouwgewassen zou daarmee niet langer een negatieve invloed moeten hebben op de insectenstand (die vooral lijkt te lijden onder het verdwijnen van natuurlijke landschapselementen, en daarmee hun habitat), maar juist een bijdrage kunnen leveren aan het herstel van die insectenstand. Geen overbodige luxe, aangezien volgens wetenschappelijke studies de afgelopen dertig jaar zo’n driekwart van de insecten in dit deel van Europa is verdwenen.
De kern van hun onderzoek is de vraag welke specifieke eigenschappen een bloem aantrekkelijk maakt voor welke bestuiver. Alles telt, in deze fase van het onderzoek: de vorm van de bloem, de morfologie, de kleur, de geurstoffen die hij verspreidt, de samenstelling van de nectar en pollen.
‘Dat zijn ook allemaal eigenschappen waarin je door selectie kunt sturen. Zelfs de geur, hoewel dat ingewikkelder in elkaar steekt. Maar in principe valt elke eigenschap die genetisch gereguleerd wordt te sturen door middel van veredeling of selectie’, aldus Temme. ‘Het ingewikkelde is alleen wel dat je bij complexe eigenschappen, zoals de geur, door selectie onvermijdelijk ook weer andere eigenschappen, zoals bijvoorbeeld de bladgrootte, meetrekt. Dat kan ook weer meewegen in de aantrekkingskracht voor bestuivers.’
De resultaten laten naar verwachting nog enkele jaren op zich wachten, maar in het ideale geval kunnen de onderzoekers straks landbouwers adviseren welke variant van een gewas zij het beste kunnen telen om zowel de biodiversiteit te bevorderen als de kwaliteit van het product en hun eigen opbrengst. Planten met bloemen die om welke specifieke reden ook op die plek de meeste en meest diverse bestuivers trekken, zullen zowel de boer als de bestuivers blij maken. ‘Een win-winsituatie’, zoals Temme en Fijen zelf hoopvol zeggen.
Het kan haast niet anders dan dat de onderzoekers met resultaten zullen komen die interessant zijn voor zowel de boer als de bestuiver, zeggen zij. Al kan het volgens hen nog knap lastig worden om uit te vinden welke eigenschappen precies van belang zijn. ‘Zeker omdat individuele planten soms anders reageren dan wanneer ze massaal samen staan op een hectare. Sowieso is ook van belang in welk type landschap de gewassen staan.’ Een van de volgende fasen van hun onderzoek bestaat dan ook uit het opschalen van de grootte van de proefveldjes.
Aan het einde van de rit zullen zij geen nieuwe rassen hebben ontwikkeld. ‘Ons doel is een protocol te ontwikkelen waarmee veredelaars kunnen selecteren op rassen die beter zijn voor bestuivers. Dat is iets anders dan door veredeling een heel nieuw ras ontwikkelen; dat zou wel tien jaar vergen, dat duurt ons te lang.’
Enige urgentie voelen de twee wel, nu de insectenstand zo drastisch is afgenomen. Alleen al de afgelopen tien jaar is volgens gegevens van de Vlinderstichting en het Centraal Bureau voor de Statistiek de stand van de vijftien meest algemene dagvlinders van Nederland met 35 procent afgenomen.
‘Dat gaat veel te hard’, zeggen Fijen en Temme eensgezind. Het is een gegeven waar een ecoloog ‘bij tijd en wijle echt wel depressief van kan worden’. Maar, zegt Fijen: ‘Ik heb het geluk dat ik af en toe werk met mensen die het juiste doen voor biodiversiteit. En dan zie je meteen resultaat: binnen een of twee jaar kan de lokale insectenstand al reageren op positieve acties. Dat geeft hoop.’
Het idee ontstond enkele jaren geleden al, ‘vanuit de wens om de landbouw wat vriendelijker te maken voor bestuivers’, zoals Fijen uitlegt. Het was de twee opgevallen dat in de landbouw wel volop zaad wordt veredeld om de productie en kwaliteit van gewassen te verhogen, maar er tegelijk maar weinig aandacht was voor de effecten daarvan in het veld. Fijen: ‘Zodra je gaat veredelen, veranderen er automatisch ook dingen mee met de bloemen van een plant of gewas. Gek genoeg was dat nooit in kaart gebracht, terwijl dat toch gevolgen kan hebben voor bijvoorbeeld bestuivers.’
Al zo’n vijf tot tien jaar geleden begonnen de Wageningse onderzoekers zich af te vragen of de monocultuur van de reguliere landbouw, met z’n grote akkers waar enkel dezelfde gelijkvormige gewassen staan, valt te doorbreken om de biodiversiteit te vergroten.
Verderop in het WUR-gebouw neemt Andries Temme zijn bezoek mee naar zijn ‘labje’. Met het verkleinwoord is geen woord gelogen: de werkruimte betreft een voormalige raamloze postkamer op kelderniveau, waar aan een verwarmingsbuis de staf van Sinterklaas hangt af te wachten tot de wintertijd.
Op een bureau staat een zwart kastje, formaat flinke schoenendoos, met witte binnenbekleding, verlichting en een draaibaar plateautje op de bodem. Hier speldt Temme alle varianten van geplukte veldboonbloemen op, om ze al draaiend op het plateau van alle kanten te kunnen fotograferen vanaf een klein statiefje pal tegenover het kastje. In de laptop worden de beelden verwerkt tot 3D-versies van de bloem, waarvan zo alle specifieke kenmerken nauwgezet in kaart worden gebracht. Vorm, kleur, patronen.
De computer registreert feilloos hoe sommige ‘landmarks’ van bloemen van hetzelfde ras zijn veranderd ten opzichte van eerdere exemplaren: de exacte plaats of vorm van een zwarte stip, bijvoorbeeld, of uv-strepen op de bloemblaadjes. Samen met de gegevens over hoeveel en welke bestuivers op de bloem zijn afgekomen, vormt dat een schat aan informatie, waarop de onderzoekers hun project mede baseren.
De opstelling – met enkele honderden euro’s tamelijk low budget – is zo compact dat die zich makkelijk laat meenemen het veld in. Dat gaat ook gebeuren, zegt Temme: ‘Ik hoop haar volgend jaar te kunnen meenemen naar Frankrijk, waar we meer en grotere velden hebben om mee te experimenteren.’
Waarom onderzoeken ze specifiek veldbonen? Die liggen toch niet in de schappen van de supermarkt of groentewinkel? Toch wel, maar niet onder die naam. Zakken tuinbonen uit het diepvriesvak zijn feitelijk veldbonen, het enige verschil is dat tuinbonen geoogst worden wanneer de peul groen is en veldbonen wanneer die is uitgedroogd, legt Temme uit. Ook worden de eiwitrijke bonen veel gebruikt in vleesvervangers, als veevoer en broodverbeteraar.
Een ander gewas dat de onderzoekers met hun project onder de loep nemen, is de zonnebloem. In Nederland wordt die niet massaal geteeld, maar elders in Europa wel, zoals iedere vakantieganger in de auto op weg naar Zuid-Europa zelf kan zien langs de snelwegen. ‘Wij voorzien dat de zonnebloem ook in Nederland veel algemener zal gaan worden als landbouwgewas, dus daar willen we graag op voorsorteren’, zegt Fijen.
In Frankrijk voeren de wetenschappers grootschalige proeven uit met zonnebloemen waarbij camera’s vastleggen hoeveel en welke insecten op verschillende van de vele tientallen bestaande rassen vliegen. Met behulp van kunstmatige intelligentie worden die beelden geanalyseerd.
Omdat beide gewassen in grote delen van Europa worden verbouwd, biedt dat tevens de mogelijkheid om te onderzoeken of de bestuiving van die gewassen in bijvoorbeeld Italië of Frankrijk anders in elkaar steekt dan in het hogere noorden.
Over welke insecten gaat het eigenlijk hoofdzakelijk bij de twee gewassen die zij onderzoeken? ‘Bij zonnebloemen zijn vooral honingbijen belangrijk’, zegt Fijen. ‘Maar ook zweefvliegen, hommels en een paar solitaire bijen.’
De veldboon trekt weer andere soorten aan: het is een zogeheten vlinderbloemige. Fijen: ‘Dat type gewas heeft een tamelijk complexe bloem, waarvoor je best zware bestuivers nodig hebt die in staat zijn de bloembladeren met hun vleugels naar beneden te drukken, zodat het insect naar binnen kan om bij het stuifmeel te komen. Dan hebben we het in het geval van de veldboon voornamelijk over hommels. In Nederland heb je het dan over de aardhommel, een heel algemene soort, en de steenhommel, maar de allerbeste bestuiver van de veldboon is de tuinhommel. Dat is alleen een soort waarmee het in het buitengebied niet zo goed meer gaat.’
In principe vrij algemene soorten insecten dus. De onderzoekers denken dat door het werken met verleidelijke bloemen meer soorten kunnen profiteren van de nieuwe benadering, maar ook de algemenere soorten dienen beschermd, in hun ogen. Fijen: ‘Ook tussen de reguliere soorten zitten er die numeriek gezien hard achteruitgaan.’
Natuurlijk moeten we het ook hebben over pesticiden, een heikel punt in de toch al wankele verhouding tussen landbouw en biodiversiteit. Fijen is uitgesproken: ‘De randvoorwaarde voor het profiteren van dit project is het verminderen, halveren of zelfs beëindigen van pesticidengebruik. Wij gaan natuurlijk niet insecten aantrekken in de wetenschap dat die vervolgens bezwijken aan de gevolgen van bestrijdingsmiddelen.’
En dus hebben de onderzoekers bepaald dat de onderzochte gewassen tijdens de bloei niet bespoten mogen worden, al valt het hele thema strikt genomen buiten hun onderzoek. Daarbij nuanceren ze meteen ook, legt Fijen uit: ‘Als een bestuiver gezond is, en dus voldoende voedsel vindt van hoogwaardige kwaliteit – dan gaat het vaak om vlinderbloemige soorten als de veldboon – dan kunnen ze ook wel tegen een stootje. Niet altijd is een bestrijdingsmiddel rechtstreeks dodelijk voor insecten, maar bezwijken die, zoals bij het beruchte glyfosaat, doordat het bestrijdingsmiddel kleverige hulpstoffen bevat en bloemen doodt, waardoor er minder voedselaanbod is voor het insect. Vaak zijn pesticiden de laatste schakel die de insectenstand nog een zetje naar beneden geven, en dat is zorgelijk. Daar ligt ook een taak voor veredelaars: gewassen ontwikkelen die geen pesticiden nodig hebben.’
Tot slot hullen de twee wetenschappers zich in bescheidenheid. ‘Dit is niet een silver bullet, niet de enige oplossing voor het grote en complexe probleem van biodiversiteitsverlies. Maar het zal mogelijk wel een manier blijken om de oppervlakte van landbouwgrond te gebruiken om toch nog iets extra’s te kunnen doen voor bestuivers. En voor boeren.’
Wereldwijd is zo’n 75 procent van de voedselgewassen, vooral groenten en fruit, afhankelijk van bestuiving door insecten, zoals bijen, zweefvliegen, vlinders, kevers en motten. Appels, peren, aardbeien en tomaten groeien beter wanneer ze door verschillende insecten bestoven zijn. In de natuur heeft meer dan 85 procent van de wilde planten bestuiving nodig. Alleen zo kunnen zij zich voortplanten of vruchten krijgen.
De belangrijkste bestuivende insecten zijn bijen. In Nederland komen 360 soorten wilde bijen voor, de helft ervan heeft de status ‘bedreigd’. De grootste bedreiging voor de wilde bij is gebrek aan voedsel en nestgelegenheid. Dit is een direct gevolg van de intensieve, grootschalige landbouw, verstedelijking en het strakker en efficiënter beheer van het openbare groen, bijvoorbeeld door maaien.
Vorig jaar bleek uit een analyse van 87 jaar aan metingen van meer dan 365 duizend locaties in Nederland dat het aantal planten dat afhankelijk is van bestuiving door insecten, is afgenomen. Er zijn niet genoeg bestuivers meer om deze planten te bevruchten, was de conclusie van het onderzoek.
Luister hieronder naar onze wetenschapspodcast Ondertussen in de kosmos. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Alles over wetenschap vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant