Home

De piëta uit Gaza die de publieke opinie deed kantelen

Fotografie Het beeld van de achttien maanden oude, graatmagere Muhammad in Gaza schokte de wereld. Waar tot begin 20ste eeuw woorden de publieke opinie beroerden, zijn dat nu foto’s. Hoe dragen beelden bij aan de meningsvorming?

De 18 maanden oude Muhammad en zijn moeder in Gaza.

„That’s real starvation stuff”, concludeerde de Amerikaanse president Donald Trump toen hij foto’s van uitgehongerde kinderen in Gaza zag. Een van de foto’s was die van de achttien maanden oude Muhammad Zakariya Ayyoub al-Matouq die door zijn moeder wordt vastgehouden. Eind juli had de fotograaf Ahmed Jihad Ibrahim al-Arini in Gaza-Stad de foto gemaakt die niet alleen Trump raakte, maar in westerse landen de publieke opinie over de uithongering van de Palestijnen in Gaza deed kantelen. Het jongetje, dat een vuilniszak als luier aanheeft, is vel over been, zijn ruggengraat is gruwelijk om te zien en de foto appelleert aan het beeld van de piëta: het universele leed van een moeder die haar (in dit geval bijna) dode kind in de armen houdt. De piëta roept empathie op en vat het ‘mede-lijden’ wanneer – zoals dat clichématig heet – woorden tekortschieten, en is vaker een iconisch beeld in oorlogen.

Er kwam echter al snel een discussie over de foto op gang. De in Israël woonachtige freelance journalist David Collier plaatste een blog waarin hij zei dat het hier om een ziek kind ging, dat dus niet symbool kon staan voor honger in Gaza. Volgens hem hadden media zich voor de kar van Hamas laten spannen. Vooral rechtse opiniemakers namen dit idee over, waarmee zij ook de uithongering in Gaza ontkennen. Het Duitse blad Bild ging mee met de vanuit Israël in sneltreinvaart opgelegde ‘hasbara’, dat beelden uit Gaza onbetrouwbaar zouden zijn. Afgelopen dinsdag kwam de redactie met nog een stuk, over de Palestijnse fotograaf Anas Zayed Fteiha, die de honger zou ensceneren.

In onder meer The Guardian werd over de foto van Muhammad gezegd dat het uitgehongerde jongetje – dat nu nog maar zes kilo woog waar dat enkele maanden eerder nog negen kilo was – weliswaar een ziekte had, maar dat inmiddels ook duidelijk was dat zijn ziekte zijn ondergewicht niet verklaarde. De foto bevestigde wat iedereen eigenlijk al weet: de meest kwetsbaren worden het hardst getroffen, en kinderen lopen het meeste risico: „Een ziek kind dat uitgehongerd wordt, verdient niet minder aandacht dan elk ander kind”, aldus The Guardian, dat ook benadrukte dat de foto geen ander beeld gaf dan de talrijke andere foto’s van uitgehongerde kinderen.

De foto die in 2025 de World Press Photo won, had minder publieke verontwaardiging opgeroepen. De Palestijnse fotograaf Samar Abu Elouf fotografeerde een negenjarig jongetje dat de bombardementen op Gaza-Stad had overleefd, en beide armen had verloren. De foto staat symbool voor de algehele, niemand ontziende verwoesting van Gaza.

Tragiek in één beeld

Waar het tot in de negentiende eeuw nog vooral woorden waren die de publieke opinie moesten doen kantelen – denk aan Émile Zola’s J’accuse in de Dreyfus-affaire, De hut van oom Tom of Max Havelaar – is in de vorige eeuw de fotografie die rol steeds meer gaan innemen. In 1962 omschreef de Duitse fotograaf Helmut Gernsheim fotografie als de enige taal die overal werd begrepen en die de mensheid verbond, waardoor we op een waarheidsgetrouwe manier in staat zouden zijn hoop en wanhoop met elkaar te delen. „We worden ooggetuigen van de menselijkheid en onmenselijkheid”, schreef hij in Creative Photography.

Hij had ten dele gelijk. Dankzij mobieltjes en sociale media kan iedereen de ander nu razendsnel ooggetuige maken van ‘menselijkheid en onmenselijkheid’. Daardoor verandert de rol en het aanzien van de professionele fotograaf. Door de ‘democratisering’ van de fotografie worden beelden in ieder geval steeds vaker en sneller bevraagd, gerelativeerd, in een kwaad daglicht gesteld of is een foto voer voor complottheorieën.

Een ander belangrijk verschil met de vorige eeuw is dat door sociale media het steeds moeilijker wordt een verhaal of oorlog in één beeld te vangen, en dat foto’s nu vaker weinig meer zijn dan een illustratie bij een verhaal of een mening. Waar de foto aanvankelijk de woorden verving, wordt de foto nu vaker gebruikt als een bevestiging van het nieuws of het verhaal.

Toch biedt de democratisering van de fotografie ook de beste mogelijkheid om meerdere kanten van een verhaal te belichten en onderbelichte verhalen over het voetlicht te brengen. Want dat foto’s een publieke opinie kunnen doen kantelen was al vroeg duidelijk.

Soldaten en kanonnen tijdens de Krimoorlog, 1855.

De tragiek van een oorlog

Om dat met een foto te bereiken, is een proces van decennia geweest. Zo maakte Roger Fenton in 1855 een foto in de Krimoorlog van drie soldaten die bij twee kanonnen de leegte in staren. De tragiek, het geweld en de verwoesting van de oorlog ontbraken – de foto had ook weinig invloed (en werd natuurlijk ook minder breed verspreid). Fentons beelden misten het drama dat nodig was om mensen te raken met een foto.

Dat gebeurde in de oorlogsfotografie vanaf de Eerste Wereldoorlog steeds meer, al werden foto’s nog steeds vooral gebruikt als informatiebron, en nog niet echt als symbool om de waanzin, het onrecht of de onmenselijkheid te tonen, laat staan dat ze een oproep deden tot medemenselijkheid.

Dat gebeurde wel in de foto’s van Dorothea Lange, die de Grote Depressie in Amerika vastlegde in Migrant Mother (1936), een foto van de 32-jarige Florence Owens Thompson. De moeder met haar kinderen vertegenwoordigde in één beeld de droogte van de Dust Bowl. Lange maakte meerdere foto’s van Thompson, maar het was de foto die aan de piëta refereerde die het meest effect had. De verwachting was dat door de foto de politiek financieel zou inspringen – en dat gebeurde ook. De hulp zou Thompson en haar kinderen overigens niet meer bereiken, zij waren inmiddels al verder getrokken.

Migrant Mother (1936), portret van de 32-jarige Florence Owens Thompson en haar kinderen tijdens de Grote Depressie in de Verenigde Staten.

Wat Lange goed begreep was de kracht van het inzoomen op het individu. Het ‘napalm-meisje’, de negenjarige Kim Phúc die in 1972 over straat rende na een napalmaanval op haar dorp, groeide uit tot dé foto van de Vietnamoorlog, en vooral de waanzin ervan. Over deze foto ontstond overigens ook discussie: vijftig jaar na dato was de vraag wie de foto nu eigenlijk had gemaakt.

De negenjarige Kim Phuc (midden) rent op 8 juni 1972 naakt over straat na een napalmaanval op haar dorp in Zuid-Vietnam.

Het kind dat slachtoffer is van een bezeten wereld: niet alleen Muhammad, Kim Phúc of de kinderen van Thompson waren daar een toonbeeld van, ook de foto van de in 2015 verdronken Syrische peuter Aylan Kurdi bracht de onmenselijke situatie van de oorlogsvluchtelingen in één klap in beeld. De Britse krant The Independent schreef: „Als deze buitengewoon krachtige beelden van een dood Syrisch kind dat is aangespoeld op een strand de Europese houding tegenover vluchtelingen niet veranderen, wat dan wel?”

De empathie bleek tijdelijk, maar het beeld is niet vergeten. Net zo min als de foto die de Zuid-Afrikaanse fotograaf Kevin Carter in 1993 maakte van een kind in Zuid-Soedan dat voorovergezakt zit van de honger. Een gier kijkt op de achtergrond toe, alsof hij wacht op het moment dat het kind écht omvalt. Carter kreeg de Pulitzer Prize voor The Struggling Girl, maar oogstte ook kritiek: waarom had hij het (anonieme) kind aan haar lot overgelaten? Het was een vraag die ook aan Carter bleef knagen: wat hij had gezien en vastgelegd voor de wereld ging niet meer uit zijn hoofd. Drie maanden na het winnen van de prijs pleegde hij zelfmoord.

Aylan Kurdi (3) op het strand van het Turkse Bodrum, september 2016. Zijn gezin probeerde met een rubberboot naar het Griekse eiland Kos te varen, maar de boot was lek en sloeg om.

Collectief geheugen

Wat de foto’s gemeen hebben, is dat ze duidelijk aangeven dat wegkijken geen optie is. En ze doen een beroep op een collectief geheugen. De ene keer is dat de piëta, de andere keer de uitgestotene. Soms wordt er een beroep gedaan op de beelden van een Christus-figuur, of de beelden van de Holocaust die bij de westerse kijker op het netvlies staan gebrand. Zo publiceerde in 1990 het blad LIFE een foto van een uitgemergelde David Kirby op zijn sterfbed. Hij heeft aids en zijn ouders en zusje zitten aan zijn sterfbed. De vader hangt wanhopig over zijn zoon heen. Kirby gaf de fotograaf toestemming de foto te maken opdat de wereld kon zien hoe vernietigend de ziekte, die nog steeds een taboe was en leidde tot het buitensluiten van patiënten, uithaalde.

De gevolgen van de ontmenselijking en uitsluiting van de ander waren ook zichtbaar op de foto die Jack Jenkins in 1957 maakte van de vijftienjarige Elizabeth Eckford. Ze is onderweg naar haar lessen op de witte Little Rock Central High School en wordt uitgescholden door een groep witte vrouwen. Jenkins legde de segregatie feilloos vast, niemand kon nog ontkennen dat racisme een gezicht had.

Elizabeth Eckford (15) op weg naar de witte Little Rock Central High School, terwijl ze wordt uitgejouwd door een groep witte vrouwen.

Het gevolg van het ‘ontmenselijken’ van de ander kwam ook naar voren op de foto’s van Iraakse gevangen in de Abu Ghraib-gevangenis die in 2014 naar buiten kwamen. Bijzonder schokkend was het beeld van een gevangene die op een doos stond, gehuld in een zwarte cape met een Ku Klux Klan-achtige kap over het hoofd, de armen gespreid. Als een soort Jezus aan het kruis – al lijkt deze man geëlektrocuteerd te gaan worden. Een omgekeerde piëta als het ware: wat in de Amerikaanse opinie gezien werd als een rechtvaardiging voor 11 september 2001, veranderde door deze foto’s. De wreedheid van martelende Amerikanen die in de nasleep van de aanslagen alle medemenselijkheid waren verloren werd zichtbaar voor het grote publiek.

Marteling Iraakse gevangene in de Abu Ghraib-gevangenis in Bagdad in 2004.

Op het collectieve geheugen werd ook een beroep gedaan in 1992, toen beelden van broodmagere Bosnische gevangenen achter prikkeldraad toonden dat er etnische zuivering plaatsvond. Wegkijken was na het zien van deze beelden onmogelijk geworden. Hoewel er ook hier weer discussie ontstond of de mannen daadwerkelijk vastzaten achter prikkeldraad, was de associatie met de foto’s die direct na de bevrijding van Auschwitz gemaakt waren evident. Ook de foto’s van Joden die het concentratiekamp ternauwernood hadden overleefd, hadden er immers toe geleid dat de gruwelijkheden van de nazi’s zelfs in Duitsland niet langer te ontkennen waren.

Kinderen in concentratiekamp Auschwitz, na bevrijding door de Russische troepen op 27 januari 1945.

Kan de publieke opinie alleen veranderd worden met een menselijk gezicht, en vooral met dat van een kind, vanuit de behoefte een hele geschiedenis te vatten in één beeld? Meestal wel, maar dat hoeft niet. In 1968 maakte de astronaut William Anders een foto van de aarde vanuit de Apollo 8. De foto, Earthrise, die het technisch vernuft van de mens moest tonen, werd ook het toonbeeld van de kwetsbaarheid van de aarde, waarop de mens in al haar (on)menselijkheid maar een kruimeltje blijkt te zijn. Een kruimeltje dat best wat bescherming kan gebruiken.

Earthrise (1968), foto van de aarde, genomen op 24 januari 1968 door astronaut William Anders vanuit de Apollo 8.

Correctie: In een eerdere versie stond dat het onbekend was wat er van het kind op de foto van Carter was geworden. Dat is onjuist: bijna twintig jaar na het nemen van de foto bleek dat het niet om een meisje ging, maar een jongen: Kong Nyong, die in 2007 overleed.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC In Beeld

De mooiste fotografie en de beste tips geselecteerd door de fotoredactie

Source: NRC

Previous

Next